LUCHTIG OVER DE DIEPTEN SPRINGEN

ALFRED BRENDEL BLOEMLEEST FRIEDRICH HEBBEL (1813 - 1863)

‘In het algemeen hebben mijn dagboeken maar een zeer beperkte waarde. Toestanden en dingen komen er amper in voor, alleen maar gedachtegangen en ook deze slechts in zoverre ze onrijp zijn,’ observeert Friedrich Hebbel terugblikkend op de dagboekschrijver die hij rond zijn twintigste werd en tot aan zijn dood zou blijven. ‘Het is alsof een slang al haar oude huid zou verzamelen in plaats van ze aan de elementen terug te schenken.’

Tegelijk beseft de schrijver dat het cumulatieve effect van die verzamelwoede ook waardevol kan zijn:  ‘Men ziet toch in enige mate wie men was, en dat is bijzonder noodzakelijk wanneer men wil ervaren wie men is. Het gehele leven is een mislukte poging van het individu om een vorm te vinden. Men springt van de ene in de andere en men vindt hem te eng of te ruim, tot men het experimenteren moe wordt en zich door de laatste laat verstikken of uit elkaar laat rukken.’

Allicht is het geen toeval dat de wereldvermaarde concertpianist Alfred Brendel deze observatie in zijn beknopte bloemlezing uit Hebbels omvangrijke dagboeken heeft opgenomen. Ze levert een treffend psychogram van Hebbels schrijversziel: even frenetiek vormzoekend in zijn proza en theaterwerk als de vorm ontvluchtend in zijn dagboekgeschriften. Hun ‘onrijpe’ karakter bevalt de hedendaagse lezer waarschijnlijk meer dan de inderdaad meer dan eens verstikkende vormelijkheid van Hebbels romans of gedichten, of zelfs de toneelstukken waarmee hij zich tot op vandaag van een prominente plaats in de Duitse Letteren weet te verzekeren.

Natuurlijk, een bloemlezing samenstellen uit een dagboek dat volgens de schrijver ervan in wezen zelf al een soort permanente anthologie van diens onvatbare geest wil zijn, dat is een beetje dubbelop. En Brendel ontsnapt natuurlijk niet aan de vertekeningen die een bloemlezer louter door zijn keuzen tegen wil en dank aan een oeuvre opdringt. Hij ordent zijn materiaal volgens een aantal thema’s, van autobiografisch getinte bespiegelingen tot observaties over de letteren en het theater, van aforismen en epigrammen over het leven en het mensdom als dusdanig, tot Hebbels voorliefde voor het groteske en het irrationele van onze dromen. Dit terwijl de charme, of de kracht, van de oorspronkelijke dagboeken mede in hun grilligheid ligt, in het feit dat op vrij klassieke notities over de voorvallen van alledag ineens een prikkelende boutade volgt, of een puntig aforisme dat de indruk wekt door de schrijver met de punt van de pen te zijn geharpoeneerd net op het ogenblik dat het uit de stroom van diens gedachten opsprong.

Gelukkig vat Brendel zijn indelingen erg breed op en heeft hij, mogelijk door zijn talent als musicus, ook oog voor de steeds terugkerende motieven in de meanders van Hebbels gedachtegangen door de jaren heen. De slang mag dan wel ontelbare keren verveld zijn, ze bleef dezelfde prooidieren verkiezen. Filosofen bijvoorbeeld komen er, op Hegel na, doorgaans bekaaid vanaf in Hebbels geschriften. Dolle honden noemt hij ze, die blind doordraven zonder naar links of rechts te kijken en dus altijd lijnrecht afstormen op wat pal voor hun neus staat. Elders betitelt hij de wijsbegeerte dan weer als een ‘hogere pathologie.’ Daarmee wordt duidelijk dat Hebbels geringschatting van zijn eigen onvermogen tot een hecht, consistent denken te komen toch vooral gemaskeerde ijdelheid lijkt, dat hij de bokkensprongen van zijn gedachten best wel te pruimen vond, en niet onterecht. Wat hij schrijft over de dichtkunst geldt evenzeer voor zijn dagboeknotities: ‘De poëzie is leven, niet denken, bekleden, niet scalperen, en hoe groter de dichters zijn, hoe minder zij zich wanneer ze hun subjectieve voorliefde volgen aan de linker- of de rechterkant zullen opstellen.’ En verder: ‘Echte dichters kunnen altijd produceren. Jawel, zoals men altijd kan denken, zolang men het eigenlijk denkprobleem nog niet kent en luchtig over de diepten heen springt waarin een ander blijft steken.’

Het gaat Hebbel er in wezen om een vorm te vinden die het denken als het ware in volle actie laat zien, in zijn vloeibare toestand. Daarom is het niet eens vergezocht om zijn geschriften te beschouwen als een soort van tussentijdse conclusies, tijdelijke stollingen van een aantal ideeën die in steeds weer andere gedaantes en constellaties uitkristalliseren. Zo geeft een observatie over het karakter van het komische of de humor, een van zijn terugkerende fascinaties, ‘Het komische is de voortdurende ontkenning van de natuur,’ een hele tijd later aanleiding tot een nieuw aforisme: ‘Humor is inzicht in tegenstrijdigheden,’ een observatie die een pregnantere, existentiële lading krijgt. Humor is hier onlosmakelijk verbonden met het menselijk bestaan dat zichzelf ten gronde als een absurditeit begrijpt.

Brendels bloemlezing wekt weliswaar de indruk dat Hebbel een systematisch denker of schrijver was, zijn thematische indeling zuigt in zekere zin de tijd weg uit diens geschriften, zijn selectie legt anderzijds de spanningsbogen bloot die aan de dagboeken een bijna muzikale hechtheid, een compositie toekennen. En daar draait het uiteindelijk om bij Hebbel, ook in zijn spotzieke typeringen van de filosofen en andere systemenbouwers: hij wil er zichzelf en ons voortdurend aan herinneren dat we niet alleen onze definities zijn, maar ook, en wie weet zelfs vooral, wat tussen de mazen der omschrijvingen wegglipt: ‘Ik geloof dat een wereldbeeld dat een mens kan begrijpen voor hem even onverdraaglijk zou zijn als één dat hij niet begrijpt. De geheimenis is zijn werkelijke levensbron, hij wil met de ogen zien, maar niet alles. Ziet hij alles, dan meent hij niets te zien.’ En ook een observatie als deze krijgt vroeg of laat een nog puntiger of beeldender reprise.‘De mens is een ding tussen twee lippen die zichzelf ter sprake willen brengen, maar het niet kunnen.’ Niettemin heeft Friedrich Hebbel de minieme maar onoverbrugbare afstand tussen onszelf en onszelf levenslang in zijn taal en geschriften laten resoneren, soms als bodemloze afgrond, maar vaker nog als de speelruimte die ons, in tegenstelling tot de rest van de levende wereld, tot zulke ongerijmde dieren, en dus tot mensen maakt.

Friedrich Hebbel, Weltgericht mit Pausen. Aus den Tagebüchern, gekozen en van een nawoord voorzien door Alfred Brendel. Hanser Verlag, 173 pagina’s
(Deze tekst verscheen als recensie in de Volkskrant-Cicero van 19 december 2008)