DE ROMAN 'GODENSLAAP' VOORGESTELD IN GENT

LAUDATIO DOOR YVES DESMET, HOOFDREDACTEUR VAN 'DE MORGEN'

Ergens schrijf je : ‘Kunnen we eigenlijk niet anders dan vroeg of laat met voetnoten overladen sprookjes vertellen?’ Geloof me, je hebt veel meer gedaan dan dat. Je hebt een verpletterend meesterwerk afgeleverd. En als ik mij een zeer stoutmoedige vergelijking mag permitteren: dit zal ooit in één adem worden vernoemd met Het verdriet van Belgie

Dames en heren, Beste Erwin,

Ik heb altijd gehuiverd voor de daad van het beginnen, is de eerste zin van Godenslaap, het nieuwste werk van Erwin Mortier dat we hier feestelijk boven de doopvont houden, en ook ik huiver een beetje omdat ik niet goed weet met welke woorden ik recht kan doen aan dit redelijk monumentale en fenomenale boek.

De kans dat Godenslaap ooit door een onafhankelijk tijdschrift voor televisie gratis meegegeven zal worden, mag mijn inziens als nihil worden ingeschat. Het is gewoon te zwaar om te kunnen verwerkt worden door de logistieke diensten van een Scandinavische uitgever.
De kans dat het een Gouden Uil zal krijgen mag gezien enige recente opiniebijdragen over deze eerbare organisatie van de betrokken schrijver eveneens als eerder gering worden omschreven.

De kans dat het in de top 5 van het afgelopen jaar van pakweg Kardinaal Danneels zal terechtkomen, is gezien de eulogie van Erwin op de uitvaart van de meester eveneens onbestaande.

Uw inleider heeft de gewoonte in hem toegestuurde proefdrukken met gele markeerschrift de mooiste zinnen en gedachten aan te duiden. Bij Godenslaap ben ik daar na vijftig pagina's mee opgehouden, gewoon omdat er op iedere pagina meer geel dan wit bleef staan.

Godenslaap zal vriend en vijand verrassen. En zeker de professionele lezers, die Erwin Mortier al hadden weggestopt in het hoekje van de plattelandsroman,de mooischrijvende nostalgicus die steeds terugkeerde naar de jeugd en het vervlogene.

Marcel, Mijn tweede huid en Sluitertijd, een trilogie van de jeugd, kan je vergelijken met kamermuziek, intimistische en gestileerde strijkkwartetten waarin de essentie van de schrijver vorm krijgt.

Godenslaap is dan de eerste symfonie van Erwin, een wervelend, in taal zwemmend en zwelgend, veelgelaagd en allesomvattend fresco, waarin de existentie van de dood, de vrouw en de oorlog op een verpletterende manier beschreven worden.

Met als verteller niet langer een preadolescente jongen, maar een stokoude vrouw. Het is zo een boek waarvan je nu al weet dat het ooit tot de canon van de Vlaamse literatuur zal gerekend worden.

Niet alleen over de existentie van de dood, de vrouw en de oorlog touwens, al zijn over die thema's al bibliotheken volgeschreven, maar ook nog eens over de existentie van het schrijven en de taal zelf.

Het is een loflied op en een verdediging van een strikt literaire ruimte, waarin geen druk wordt gelegd op de schrijver om maar met een even aIle wereldproblemen aan te kaarten, en als het kan ze ook nog even op te lossen. In een tijd waarin de politiek zijn uiterste best doet om zich ongeloofwaardig te maken, waarin de democratie zich steeds meer uitholt, waar de grote levensbeschouwingen bij het grof huisvuil zijn gezet, ontstaat een vacuüm dat blijkbaar moet opgevuld worden door kunst en literatuur.

Maar die kunnen dat niet. Die hoeven dat ook niet. Een schrijver moet schrijven, niet de mensheid oproepen om achter het eerstvolgende banier te gaan lopen.

Laten we wel wezen. In het wereldje van de literatuurkritiek, met zijn ontembare honger naar ordening en etikettenplakkerij, was Erwin Mortier gelukkig eindelijk in een kastje gestopt. Schrijver die jongerenverhalen in een voorbij platteland schrijft, voila. Af en toe viel ook het woord 'mooischrijverij' en zelfs de term 'manierisme' werd door een aantal critici uit de mottenballen gehaald om uiting te geven aan het feit dat ze zelf niet zo mooi konden schrijven als Mortier.

Jaloezie en benijerij meneer, in het literaire wereldje kennen ze daar wat van. Wel, ze zullen deze keer hun tenen moeten uitkuisen om nieuwe termen en etiketten te bedenken.

De drie eerste boeken, drie parabels vanuit een kinderlijke setting, maar ook parabels over het herdenken, kozen inderdaad eerder het register van de plattelandsroman, terwijl 'Godenslaap' meer het register heeft van de grote Franse kosmopolitische roman van rond de eeuwwisseling.

Het is een reuzensprong van intimistische jeugdverhalen naar de meest universele thema's. Het herdenken en herinneren blijft als centraal thema, maar ditmaal niet langer rond een individu, maar rond een plattelandssamenleving die plotseling brutaal en nietsontziend wordt geconfronteerd met de modemiteit, in haar meest gruwelijke vorm dan nog.

De eerste wereldoorlog, die ervoor zal zorgen dat een op de drie boerenknechten op het erf nooit meer zullen terugkomen. Dat kantelmoment in de geschiedenis van dit land was enorm.

Niet alleen in de literatuur, maar ook in de kranten, de dagboeken, de brieven. Veel mensen die nooit eerder geschreven taal had den gebruikt om zich uit te drukken, vonden nu geen ander medium meer om desnoods verminkt en onvolledig te verwoorden wat hun overkomen was.

Godenslaap is het streven om een ideaal grafschrift te maken voor al wie er toen was. Literatuur is voor Erwin immers hoe dan ook een funerair genre. Het gaat altijd over het imaginaire verbond tussen de levenden en de doden. Proza is in hoge mate een medium van rouw, de dood en het herdenken zijn trouwens ook in zijn eerste drie romans sterk aanwezig. Proza zegt door zijn narratieve vorm eigenlijk altijd: 'Er was eens.'

Erwin heeft enorm veel geschriften, documenten en foto's uit die tijd geraadpleegd. Niet alleen de stilaan gekende War Poets, want die verheerlijkten, waarschijnlijk om het trauma van zich af te schrijven, de heroïek van wat er toen gebeurde, de mythe van de broederschap en de soldatenvriendschap.
Veel meer heeft hij gehad aan de vandaag veelal onbekende dagboeken van de verpleegsters in de veldhospitalen. De vrouwen waren veel prozaïscher, hielden bijna documentaire dagboeken bij, opsommingen van verhakkelde lichamen en ledematen, de absurditeit van het hele gebeuren: hoe ze een man moesten oplappen die er een mislukte zelfmoordpoging had opzitten, alleen om hem nadien levend en wel te kunnen executeren voor het vuurpeloton wegens desertie en hoogverraad.

Ze zijn veel rauwer en waarheidsgetrouwer, en daarom zijn er ook verschillende tijdens en vlak na de oorlog gewoonweg verboden geweest. Ze kwamen net iets te dicht bij de werkelijkheid.

Godenslaap beschrijft op een magistrale manier die vreemde, surrealistische contradictie van een oorlog, een orgie van zinloos geweld, maar ook op een rare manier een subliem schouwspel. Want aan oorlog zit op een perfide manier ook iets groots en prachtigs.

Er is een scene waarin de hoofdfiguur Helene met haar soldaat-minnaar op het dak van een casino in Noord-Frankrijk staat, boven op een heuvel, op veilige afstand van het front. Vandaar hebben ze dat feeëriek zicht, dat enorme vuurwerk, die lichtkogels die banen over het land trekken, met als soundtrack het geroffel van de kanonnen. Een schouwspel zonder weerga, de vreemde esthetiek die dood en de vernieling ook hebben, als je tenminste niet in je putje zit te daveren.

Er zijn mensen verketterd die ook in 9/11 een esthetiek vonden, terwijl die er toch was. Naast de gruwel, had het iets van een subliem inferno.
De esthetisering van de gruwel wordt wel aanvaard na de oorlog: al die soldatenkerkhoven, netjes in rij, mooie grasperkje, identieke kruisjes, de egalisering en esthetisering van de dood. Helene wil een hels herdenkingsaltaar, Jeroen Bosch in het kwadraat: een knekelveld waar de schedels opgestapeld liggen, waar bokalen met oogballen staan, bergen afgerukte handen en voeten, tot moes geplette hoofden.

Maar, vraagt haar man, zou je op zo'n plek de nagedachtenis van een vader of een broer willen herdenken? It's inevitable, zegt hij, dat er mooie kerkhoven moeten komen, omdat zij alleen de herinnering draagbaar maken.

Die 'It's inevitable' is ook een sleutelzin in de hoofdstukken over de oorlog. Erwin Mortier heeft er, vrees ik, geen goed oog in, denkt dat vrede vaak niet meer is dan een synoniem voor weer een interbellum. De illusie dat we onszelf steeds meer beschaven valt niet vol te houden.

En er is die andere sleutelzin: Is het onheil dat we ons op de hals haalden ooit meer geweest dan een uit de hand gel open semantische kwestie? Vrij actueel, als je ziet hoe we nu al vijftien maanden aIle dimensies van de semantiek aan het ontdekken zijn. Steeds nieuwe betekenissen zoeken voor nieuwe termen, die gretig mis verstaan, en steeds verder verstrikt geraken in een begrippenapparaat waar je je door laat verlammen, ook al beantwoordt het aan niets meer.

Dit kunstmatige landje België is waarschijnlijk hopeloos achterhaald. Het he eft alleen nog een esthetische waarde: omdat nergens beter de inhoudsloosheid van een natie zo vakkundig verstopt is. Daarom is kantwerk ook het Belgische symbool bij uitstek: nergens beter wordt in textiel het iets met het niets verbonden tot luchtige en open speelsheid. Jammer dat sommigen dat willen vervangen door dichtgeweven Vlaams laken, waarop ze dan hun identiteit kunnen schilderen.

Maar naast de esthetiek is er ook de gruwel en de obsceniteit : de rondvliegende granaatscherf die een onschuldig kind in communiekleed treft, het perfect zinloze van dat geweld, dat bovendien maatschappelijk georganiseerd en gesanctioneerd wordt.

Het tafereel waarbij een bom op een marktplein valt, en hele gezinnen decimeert tot een gruwelijk stilleven van vlees en bloed, en de kat die dan uit een kelderraam springt, zich op de vensterbank in de zon nestelt en haar vacht likt, alsof er absoluut niets gebeurd is.

De man die het op zich neemt de overlijdensberichten te gaan brengen in het dorp, en hoe dat, naarmate de oorlog vordert,een lethargisch monotoon gegeven wordt, ontdaan van verdriet en wanhoop. Hoe dat uiteindelijk ook niet anders kan, in al die dorpen waar een op de drie mannen niet zal terugkeren.

Ik heb het al verraden. De verteller in Godenslaap is niet nog eens een preadolescente jongen, maar Helene, een meer dan 90-jarige, knorrige, hautaine en bittere vrouw. Wat aan Lieven, de wederhelft van Erwin, de opmerking ontlokte dat de schrijver eindelijk zijn ware aard had gevonden. Erwin, dat weten we, is natuurlijk deep down een oude aan osteoporose lijdende vrouw.Op een of andere manier, moet ik toegeven, kwam bij het lezen herhaaldelijk het beeld van Angèle Manteau voor mijn ogen.

Het moest een vrouw zijn omdat, zo zei Erwin me, ze moest dienen als oorsprong van alles wat hem in zijn later werk nog zal biologeren, het moest door een soort oermoeder van de taal verteld worden.
Een magna mater, die dan terecht komt in wat toch ultiem mannelijke is, de oorlog, waar, zoals ze zegt, de roedels van Mars het voor het zeggen hebben. Dat is het mannelijke, duistere afgodsbeeld, dat het leven vernietigt, terwijl de vrouw het verwekt. Mannen weten niet wat ze daarmee aan moeten, maar creëren er toch een cultus rond, met geschiedschrijverij en verhalen, om de dimensies van het verschrikkelijke beheersbaar te maken.
Je hebt een vrouw nodig om die luchtkastelen van tafel te blazen, of ze toch minstens belachelijk te maken.

Een citaat : Vrouwen zijn wezens die dragen: wasgoed of marktwaar, hetzij nageslacht of de nagedachtenis der doden.
En nog eentje : Vrouwen zijn zandbanken waarop zonen en minnaars schipbreuk lopen.

Minnaars, het hoge woord is eruit. Waar in de vorige romans seksualiteit hooguit een nog niet vervuld verlangen uitmaakte, wordt hier over seksueel verlangen vanuit een vrouwenstandpunt geschreven, en dat in een tijdperk waarin dat verlangen nog onuitspreekbaar was, waarin je werd geacht een burgerlijk Mariabeeld te zijn, waar af en toe tot je eigen verbijstering een kind uit viel.

Erwin zorgt hier voor een historische revanche, een vrouw die in de belle epoque lekker kan fantaseren over een mannenkont. De Engelse soldaat, die haar uit dat seksualiteit ontkennende kleinburgerlijke milieu ontvoert, is niet alleen een lichaam waarop lusten kunnen botgevierd worden, maar ook een nooduitgang om aan dat milieu te ontkomen. Het is weer een element dat de literatuurcritici moeilijk gaan kunnen plaatsen.
Gelukkig heeft Erwin nog enig mededogen met deze beroepsgroep getoond, en toch een van zijn wezenskenmerken behouden. Want nog steeds zit zijn werk vol met die breed uitwaaierende, prachtig geciseleerde zinnen.

Zowat iedereen denkt dat hij verschrikkelijk maniakaal aan zijn zinnen zit te prutsen, maar volgens Erwin komen die eruit zoals je ze leest. Stijl is voor hem een instrument om de ontzaglijk fijne textuur van de realiteit zo veel mogelijk bloot te leggen.
Stijl is voor deze schrijver veel meer dan een soort vernis, een laagje verf dat je op een kast legt. De essentie van het schrijven is voor Erwin net de stilistiek. Die Proustiaanse zinnen zijn een manier om de dingen te beschouwen, een vorm van kennis op zich.
We weten dat Erwin een gemankeerd musicus is, die tot zijn 24ste klassieke muziekopleiding gevolgd, kerkorgel dan nog wel. Dan moest hij kiezen tussen de twee maîtresses, de taal of de muziek. En aangezien een klassiek kerkorgel nogal een zwaar uitgevallen maîtresse is om je huis binnen te dragen, heeft hij dan maar voor de pen en de blocnote gekozen.

Schrijver uit praktische overwegingen, zeg maar. Maar het verlangen naar de muzikaliteit blijft, ook in de taal. Zijn zinnen hebben ook een muzikaliteit, een klankkleur en een ritmiek die niet vaak genoeg worden herkend. Ook hier: sommige bladzijden lezen als zware polyfone werken, vragen om vier-, vijfmaal herlezen te worden om aIle betekenissen en gelaagdheden te doorlopen, maar dan wordt de syntaxis weer heel kort, krijgt het veel vaart, dan dans je bijna door de pagina's.

Erwin zei het me zo in ons laatste interview: Je hebt schrijvers die zwaluwen zijn, die boven de werkelijkheid zweven, een scheervlucht nemen, en hier en daar een slokje nemen, en je hebt slakken die nauwgezet blad na blad elke nerf afknabbelen. In dit boek zijn de zwaluw en de slak bezig geweest.
De dood is het afgelopen jaar iets te veel op bezoek geweest bij Erwin. Op drie maanden drie sterfgevaIlen: Hugo Claus, je grootmoeder, Nora, de vrouw van Jef, wiens aanwezigheid we hier verschrikkelijk missen. Dat zit heel dicht op je vel, en je kan dat niet bezweren met literatuur, je kan er hooguit een poging toe doen. Je noemde het Woorden opschrijven die je als plengoffers over hun altaren giet. Niet dat het helpt, maar het is het fatum van de schrijver om het te proberen. Ondanks, trotzdem.

Godenslaap is een monument van een roman, een episch meesterwerk dat de zwartste bladzijden van dit landje aan de Noordzee herdenkt. Net zoals Oorlog en Vrede volgens jou de beste roman over 9/11 is, is dit mee van het mooiste en beste dat ooit over deze contreien geschreven is.
Ergens schrijf je : ‘Kunnen we eigenlijk niet anders dan vroeg of laat met voetnoten overladen sprookjes vertellen?’ Geloof me, je hebt veel meer gedaan dan dat. Je hebt een verpletterend meesterwerk afgeleverd. En als ik mij een zeer stoutmoedige vergelijking mag permitteren: dit zal ooit in één adem worden vernoemd met Het verdriet van Belgie.

Erwin, moge de gepaste, en dus overdonderende lof jou ten deel vallen.

Ik dank u,

Yves Desmet