OPGESCHEEPT MET TWINTIG TON EDAMMER

WILLEM ELSSCHOTS 'KAAS' OPGENOMEN IN DE PERPETUA-REEKS

Wanneer schrijvers het over zaken als techniek of stijl hebben, houdt men best in het achterhoofd dat hun beschouwingen, doorgaans gewikkeld in het apodictische register van de universaliteit, vaak een oratio pro domo of een verdoken zelfportret herbergen. Als dus Willem Elsschot aan zijn intussen klassiek geworden roman Kaas de observatie laat voorafgaan dat stijl in nauw verband staat ‘met de muziek, die gegroeid is uit de menselijke stem waarmee gejuicht en geklaagd werd vóór dat zwart op wit bestond,’ kan men zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat hij het vooral over zichzelf heeft, en zeker wanneer hij opmerkt dat tragiek een zaak is ‘van intensiteit, van maat en harmonie, van rustpunten, een afwisseling van gejubel met lento's en gongslagen, van eenvoud en oprechtheid met sardonisch grijnzen.’ Juist die combinatie van intensiteit en rust, eenvoud en sardonische ironie, maakt de kracht uit van Elsschots in omvang eerder bescheiden oeuvre, waarin Kaas mag gelden als een van zijn gaafste werken.

On-Vlaams wordt zijn schriftuur vaak genoemd, en wat men daarmee bedoelt is wellicht het duidelijkst neergezet door Ter Braak, die Elsschot in Nederland introduceerde. Elsschot schreef, en ik vermoed dat hem de impliciete betutteling niet zal ontgaan zijn, volgens Ter Braak ‘bijna behoorlijk Nederlands,’ helemaal anders dan de meeste van Elsschots landgenoten, die naar de profane dominee Braak meende, geen ogenblik onbenut laten ‘om van hun “sappige” dialect te profiteren en het gehele taalgebied benoorden de Moerdijk te overstromen met hun “sappige” woorden. Die sappigheid, die sappigheid! Als wij niet oppassen, komen wij nog eens om in al het sap, dat het Zuiden ons met zoveel kracht inspuit, alsof het heil van de Dietse stam ervan afhing!’

Mede daardoor misschien is de opvatting ontstaan dat Elsschot eigenlijk geen stilist is, waarbij men makkelijk uit het oog verliest dat soberheid of helderheid evengoed stijlregisters zijn die een beetje schrijver bewust kiest en toepast. ‘Een haring kan tragisch geschilderd worden,’ zegt Elsschot zelf daarover, ‘al zit er aan zo'n beest niets dat tragisch op zichzelf is. Zo ook in de literatuur, waar men zich met jammerlijke woorden behelpen moet.

Op zichzelf is Laarmans, verteller van Kaas, inderdaad niet erg tragisch. Als klerk bij de in duur Engels verpakte ‘General Marine and Shipbuilding Company’ beseft hij als mens nogal onooglijk te zijn: ‘Klerken zijn nederig, veel nederiger dan werklieden die door opstandigheid en eendracht enige eerbied hebben afgedwongen. Maar klerken zijn over 't algemeen weinig gespecialiseerd en passen zo goed in elkaar, dat zelfs een man met een lange ondervinding bij de eerste de beste gelegenheid een trap onder zijn vijftigjarige trouwe kont krijgt.’ Laarmans nadert die kennelijk precaire vijftig met rasse schreden, is vader van twee adolescente kinderen, de wederhelft van een vrouw die hij consequent als nogal serviel en dommig afschildert, en lijkt in de greep van wat heden een midlifecrisis heet. Niet het klerkenwerk op zich, dat bestaanszekerheid biedt, maar een gebrek aan prestige lijkt Laarmans naar nieuwe horizonten te doen hunkeren. Op de uitvaart van zijn moeder maakt hij kennis met de bemiddelde advocaat Van Schoonbeek die hem het voorstel aan de hand doet Belgische vertegenwoordiger te worden voor een grote Nederlandse firma die kaas verhandelt. Niet meteen een artikel om mee uit te pakken, maar allicht vlot aan de man te brengen, ‘want eten moeten de mensen toch.’ Al heeft Laarmans zo zijn twijfels, zoals blijkt uit de volgende passage, wanneer hij halt houdt bij de etalage van een zuivelhandel: ‘In het helle licht van een zwerm gloeilampen lagen daar kazen en kaasjes, van allerlei vorm en herkomst, naast en op elkander. Uit al onze buurstaten waren zij hier samengestroomd. Reusachtige Gruyères, als molenstenen, deden dienst als fondament en daar bovenop lagen Chesters, Gouda's, Edammers en talrijke kaassoorten die mij volkomen onbekend waren, een paar van de grootste met opengespalkte buik en blootliggende ingewanden. De Roqueforts en Gorgonzolas pronkten liederlijk met hun groene schimmel en een eskadron Camemberts lieten vrij hun etter lopen. Uit de winkel kwam een ademtocht van verrotting die echter verminderde toen ik er een tijdlang stond.’ Niet meteen grote liefde, maar de passage laat ons ook zien hoe Elsschots zijn bedrieglijk zakelijke beschrijvingen injecteert met precieze beelden die een vlinderlichte sfeer van dreiging of doem opgroepen, wat de lezer al iets voorspiegelt van het kleinburgerlijke drama dat zich gaat ontvouwen. Of in Elsschots eigen woorden: ‘De lezer moet geleidelijk een gevoel van onrust over zich voelen komen, zodat hij zijn kraag opzet en aan een paraplu denkt, terwijl de zon nog in haar volle glorie staat.’

De afloop laat zich raden. Laarmans gaat in de kaasimport, beschouwt zichzelf helemaal als een man van de wereld, maar zit ondertussen opgescheept met twintig ton volvette Edammer die hij in België moet zien te slijten. De neergang van de zelfbenoemde kaasgigant wordt door Elsschot met vilein plezier neergezet. Laarmans installeert zich thuis, in de hal naar de badkamer, in een eigen kantoor, laat briefhoofden drukken en bouwt een obscuur netwerk van provinciale vertegenwoordigers uit, van wie verder amper wat vernomen wordt, vooral om zelf maar niet met die kaas in aanraking te moeten komen. Wanneer ten slotte het volvette luchtkasteel inzakt, wordt Laarmans weer klerk, dankzij het ziekenbriefje dat zijn eega, niet zo dommig als hij suggereert, hem had aangeraden. Een tijdlang weert Mevrouw Laarmans ook tactvol alle zuivel van tafel, behalve een petite suisse, ‘van die witte platte kaas, die niet méér op een Edammer gelijkt dan een vlinder op een slang.’ Eind goed, al goed.

Men kan, zo men wil, Elsschot van alles aanwrijven. Dat Kaas niet de gruwelijke diepte bereikt van drama’s als Dood van een handelsreiziger, bijvoorbeeld. Dat zijn sardonische grijns vaak op het randje van een gezapige monkeling balanceert. Dat hij op veilig speelt. Enzovoorts. Maar men kan dit evengoed kwaliteiten noemen, de schepping van een handzame tragiek voor handzaam dromende burgerluitjes. Moet men het Laarmans verwijten dat hij zijn sprong in het ongewisse niet aanvat zonder eerst zijn valscherm te controleren? Hoe Belgisch, zou ik zeggen, en vooral: hoe menselijk.

Deze tekst verscheen in De Volkskrant van 3 oktober 2008, naar aanleiding van de publicatie van Kaas in de Perpetua-reeks van uitgeverij Athenaeum met literaire klassiekers uit het Nederlandse taalgebied.