MET JE HOOFD IN DE PUT

OM EN ROND 'DE DEPRESSIE-EPIDEMIE' van TRUDY DEHUE

Hoeveel depressieve mensen kent u? Ligt het aan hun brein? Aan de maatschappij? Of praat de farmaceutische industrie ons stoornissen aan om pillen te venten? Erwin Mortier bespreekt Trudy Dehues geschiedenis van de neerslachtigheid.


Bij het lezen van het boek van Trudy Dehue moest ik terugdenken aan de jaren dat ik als piepjonge aspirant-verpleegkundige les kreeg in wat toen onbeschroomd plechtstatig 'gezondheidsleer' heette. Die bleek evenveel over ziekte te gaan als over gezondheid, die zeer na te streven toestand van ons organisme die zich blijkbaar alleen in het negatieve laat omschrijven: je bent gezond zolang je niks mankeert. Gezondheid viel in drie grote dimensies uiteen: het medische, psychische en sociale. Een mens is met andere woorden een lichaam, dat een talig zelfbewustzijn bezit, en gevat is in verhoudingen met anderen. Natuurlijk vielen die dimensies niet totaal van elkaar te onderscheiden. Een lichamelijke ziekte kan je, bijvoorbeeld door immobiliteit, sociaal isoleren, wat evenmin je psychisch welbevinden deugd zal doen. Omgekeerd kan psychisch lijden, door verlies van dierbaren bijvoorbeeld, je fysieke weerstand aantasten, zeker wanneer er niemand is om je rouw te aanhoren.


We leerden dat armen vaker aan kwalen zoals diabetes of hartziekten leden dan gegoeden, omdat ze veel goedkoop, lees zoet en vet voedsel aten. Ze bleken ook vatbaarder voor infecties zoals tbc, een kwaal die voorgoed bedwongen was, zoals de docente vertelde, trots op onze preventieve geneeskunde. Een jaar of twintig later haalde de stad Gent heel even hysterische krantenkoppen met berichten over nieuwe gevallen van tbc, en u mag twee keer raden waar die zich hadden voorgedaan: in de groene villawijken net buiten de stad of in de oude industriegordel rond het centrum, waar het nageslacht van het stadsproletariaat moeizaam samenleeft met de nieuwe onderklasse; de arbeidsmigranten en hun nageslacht?


Niet dat die vraag toen populair was, er rustte zelfs een zeker taboe op, en de huiver om een reëel gezondheidsprobleem in een ruimer betekeniskader te begrijpen laat zien hoe de laatste decennia in ons medische zelfbegrip een rigoureuze verschraling om zich heen greep, die we niet los kunnen zien van bredere maatschappelijke en politieke verschuivingen in de laatste twintig, dertig jaar.

Die evolutie was eigenlijk al bezig toen ik in de schoolbanken zat. In de ziekenzorg werd ineens aan 'zorgmanagement' gedaan, er was sprake van het 'streamlinen van het zorgprofiel' en ander onduidelijks dat in veel plastic jargon verpakt werd. Verzorging van patiënten werden ineens zorghandelingen, en de zorgmanager timede hoeveel tijd (en geld) die handelingen konden (en mochten) kosten. Ziekenzalen werden stilstaande lopende banden, waar steeds minder ziekenverzorgers zich langs steeds meer bedden haastten, in een verpleging die veel gelijkenis vertoonde met de moderne autoassemblage. Die evolutie was maar één kant van de herijking van de totale naoorlogse verzorgingsstaat, die ons kennelijk al te diep in de watten legde en ons te soft maakte voor de concurrentiestrijd in de nieuwe wereldeconomie, waar competitie en individueel streven sterkere 'assets' waren dan samenwerking en solidariteit.


De depressie-epidemie, het razend intelligente en boeiende boek van de psychologe en wetenschapsfilosofe Trudy Dehue, posteert zich middenin dit hele kluwen van verschuivende opvattingen en gezondheidsstrategieën, en schept een weldoende klaarheid. Die komt vooral neer op het terugschenken aan onszelf van onze complexiteit, zowel op het sociale, medisch-wetenschappelijke, psychische als op het overkoepelende maatschappelijk-politieke vlak.

Dat doet ze door enerzijds uit te zoomen en deze ontwikkelingen, aan de hand van het ontstaan van het huidige concept 'depressie' als 'nieuwe ziekte', in een ruimere historische context te plaatsen, en vervolgens van daaruit opnieuw in te zoomen op de wijze waarop wijzelf en de samenleving met die nieuwe ziekte (zouden moeten) omgaan. Dat is een intellectuele verademing. Dehue is niet op zoek naar een zondebok, ze begrijpt de groei van de depressie-industrie niet als een groot complot. Ze klaagt de grote verwevenheid aan tussen de farma-industrie en het wetenschappelijke milieu, maar ziet die niet als de enige boosdoener. Ze wijst erop dat veel van wat we over de chemie van ons brein veronderstellen nog altijd onbewezen hypothesen zijn, en dat we daar best eerlijk over blijven. Ze bespreekt de beperkingen van de dubbelblinde tests als enige criterium in de beoordeling van nieuwe geneesmiddelen, wegens te kortdurend en behalve dubbelblind ook doof voor de reële bijwerkingen in het dagelijkse medische leven buiten het labo. Ze wijst erop dat kortdurende psychotherapieën het risico lopen bredere onderliggende problemen niet op te merken.


Geen zekerheid blijft overeind. Bovenal drukt ze de lezer op het hart de samenhang van dit alles niet uit het oog te verliezen, in het bijzonder 'het verbond dat de neoliberale politiek aanging met het farmaceutisch-wetenschappelijk complex, de marketingbedrijven en de mega-geestelijke gezondheidszorg. Samen benadrukken zij de plicht het lot in handen te nemen, die volgens de logica van de markt de primaire conditie is voor verdere welvaartsgroei.' Het vermarkten, zowel van het concept 'depressie' als van de behandelingen ervoor, dient dus in dit boek een breder doel, omdat deze 'ziekte' al die ontwikkelingen zo helder weerspiegelt.


Een kwarteeuw geleden bestond depressie als ziekte eigenlijk niet. Het ging om een aantal beschrijvingen, zoals lusteloosheid, innerlijke onrust, gevoelens van waardeloosheid, die erop wezen dat er met iemand iets ernstigs aan de hand was, dat er sprake was van psychisch lijden. Als 'ziekte' werd de term grotendeels voorbehouden aan mensen die zo neerslachtig waren dat ze lam voor zich uit zaten te staren en zelfs te apathisch bleken om hun vaak voorkomende zelfmoordgedachten ook uit te voeren. Er bestonden geneesmiddelen, maar daar moest je wat mee uitkijken. Voor je het wist was de willoze zieke dusdanig opgepept dat hij alsnog een einde aan zijn leven maakte - nog steeds een ernstig risico bij zowat alle stemmingsverbeteraars.


Wat de mogelijke oorzaken betreft, kreeg de hulpverlening de raad om verder te kijken dan alleen de chemie. Hoe zat het met de werksituatie van de zieke, zijn huwelijk, financiële situatie, de relatie tot kinderen, ouders, geliefden, collega's...


Nu, bijna drie decennia later, lijkt alleen nog de opvatting van de mens als lijf, als atomair individu in een geïsoleerd lichaam, relevant geacht te worden, en wat er met ons lichaam gebeurt, of niet, is in toenemende mate uitsluitend onze verantwoordelijkheid en dus ook onze schuld.


Wat 'depressie' aangaat, is je hoofd niet langer ontregeld omdat je, om tal van redenen, in de put zit. Je zit in de put omdat je hoofd ontregeld is. Depressie is van een beschrijving een omschrijving geworden, die zo breed uitvalt dat er een veelheid aan onlustgevoelens in wordt ondergebracht, van vaag tot ingrijpend. Het sterke van Dehues boek is dat het laat zien hoe die 'ombouw' heeft plaatsgevonden, en hoe niet alleen in de psychologie maar ook in de biologie, neutraal geachte, objectieve 'feiten' altijd ook constructies zijn. Dat maakt ze niet minder wetenschappelijk. Je hebt de werkelijkheid en je hebt onze methoden om haar te onderzoeken. Wereld en kennismodellen vallen niet tot elkaar te herleiden: 'De biologie kan nooit dicteren hoe de werkelijkheid ingedeeld en benoemd moet worden. Wetenschappelijk indelen is altijd mensenwerk.'


Daarmee raakt De depressie-epidemie aan de zeer fundamentele filosofische kwesties die in elk denken, ook het medische, aanwezig zijn. Net als onze wetenschappelijke conceptualiseringen mensenwerk zijn, is het overheersende mensbeeld van vandaag geen zuiver natuurgegeven, maar het ingewikkelde resultaat van definities en keuzen. De vraag is dus niet alleen hoe 'reëel' depressie eigenlijk is, maar vooral welke prijs we echt betalen voor een samenleving die haar onbehagen steeds verder depolitiseert door het enerzijds te medicaliseren en anderzijds, waar het afwijkende visies betreft, te stigmatiseren.


Dehues besluit, een pleidooi voor bedachtzaamheid, rechtvaardigheid en toewijding, betoogt in wezen dat we uiteindelijk geen betekenisvol leven kunnen leiden zonder een zekere poëtica van het bestaan te huldigen. Onze wetenschappelijke inzichten dienen daarbij wegwijzers te zijn, geen dogma's. Daarmee beklemtoont De depressie-epidemie dat we altijd een zekere distantie moeten kunnen bewaren tegenover onze definities van onszelf, de samenleving en de wereld. Dat is een wezenlijk poëtische houding, die mij, allang geen student verpleegkunde meer, maar een asociale schrijver, in alle opzichten van vitale vreugde vervult.


TRUDY DEHUE

De depressie-epidemie.

Augustus, 336 blz., 24,90.
deze tekst verscheen in De Standaard der Letteren van 26 september 2008
Trudy Dehue gaat in gesprek met De Standaard-journalist Gilbert Roox op zondag 5 oktober, tijdens Het Andere Boek