DIERBARE VRIENDEN, GELIEFDE KUNSTBROER

TAFELREDE VOOR TOM LANOYE

HELE SCHRIJVER
en HALVE EEUWELING


gehouden ter gelegenheid van zijn


ZILVEREN SCHRIJFJUBILEUM
en VIJFTIGJARIG BESTAAN


in het Atomium van Brussel
op 30 augustus 2008


TIJDENS HET FEESTDINER

DIERBARE VRIENDEN,
GELIEFDE KUNSTBROER,



Als ik toevallig weer eens met Tom op stap ben, in binnen- of buitenlanden, en Tom begint zich over iets op te winden, wat, zo zal iedereen hier aanwezig beamen, uiterst zelden voorvalt, ben ik altijd blij wanneer dat gebeurt in de buurt van een gordijn.


Niemand kan zo uitbundig in de gordijnen hangen als Tom. Wanneer ik met hem ergens op café zit, en ik voel het aankomen, dan kijk ik snel uit mijn ooghoeken of er ook een gordijn is, en of ze stevig in haar haken hangt.


Je moet als gordijn van goeden huize zijn om Tom Lanoye aan te kunnen.


Ik heb liefst dat ik erbij bij ben, in den vleze, wanneer Tom zich opmaakt voor één van zijn furies over het onvolkomen fabricaat van deze wereld. Soms windt hij zich per telefoon op. Dat heeft ook iets. Dan hebben we een rare vorm van telefoonseks. De werkverdeling is altijd duidelijk: hij het brein, ik de tieten.


Tom belt me soms ‘s ochtends vanuit Antwerpen of Kaapstad, tegen lunchtijd uit Boedapest, rond een uur of vier terwijl hij een broodje eet in een transitzone in Singapore, en ’s avonds nogmaals, vanuit Montréal. Meestal lig ik dan met plaatsvervangende jetlag op de sofa.


Maar ik ben er dus veel liever in persoon bij als Tom zich opwindt. Het oog wil ik wat. Dan zie ik hoe hij ineens nog meer kleur krijgt, in zijn borst beginnen de straalmotoren der verontwaardiging hoorbaar warm te lopen. ‘Het komt,’ denk ik dan, terwijl ik in blijde verwachting achterover leun en als een dame in de overgang zuinig aan mijn pijp champagne lurk.


Tijdens Tom zijn furies denk ik soms: wat jammer dat God alleen in de verbeelding bestaat. Hoe graag zou ik erbij zijn wanneer deze twee wereldschrijvers elkaar ontmoeten.


In mijn verbeelding lijkt God trouwens verontrustend sterk op Geert Van Istendael – ik moet dringend in therapie. Aan zijn voeten zitten Jezus en Sint-Pieter. Jezus lijkt, het is niet minder onthutsend, als twee druppels water op Benno Barnard, maar dan met snor, en Sint-Pieter heeft veel weg van Mia Doornaert, maar dan zonder snor.


‘Kijk, Eerwaarde,’ hoor ik Tom zeggen. ‘Ik heb me natuurlijk niet te moeien met uw poëtica, ieder zijn stiel, maar die belichting! En dat geluid! Die soundtrack! Jeezes Christ! En dat noemt zich producer….’


Ik heb daar al iets van gemerkt toen Tom twee jaar geleden curator was van Zogezegd in Gent, in onze dierbare Vooruit. Er zitten ongeveer honderd tachtig deuren in de Gentse Vooruit, en ik heb Tom die avond minstens twee keer uit al die deuren tegelijk zien stormen, roepend dat daar een lamp loszat, ginds een microfoon defect was, en waar blijven die pistolets? Het was een lust voor het oog. Ineens werd dat prachtgebouw een soort Mega-Tom-Lanoye op zich.


Ik kan nog uren doorgaan, dierbare disgenoten. Maar ik hoop vooral dat jij, Tom, nog jaren en jaren doorgaat. Je bent per slot van rekening 'the one and only powerbabe' in onze Letteren.


Ik weet het, de laatste tijd doet het leven flink zijn best ons van de eindigheid van alles en iedereen te doordringen. Maar ik blijf de dood een grove constructiefout vinden. Ik wil dat je minstens honderd vijftig wordt, Tom. De eerste bionische bejaarde van België. Met de ontwikkelingen in de robotica moet dat toch geen probleem zijn?


Ik zie je al zitten, straks, in een café of thuis op jouw terras. Uit je computer-gestuurde rolstoel, draaiend op alternatieve energie, spruit een veelheid van gesticulerende  kunstarmen voort, die allemaal tegelijk iets anders doen. Je bent dan letterlijk een artistieke duizendpoot geworden, een soort Indische godheid die op de trommels van de schepping mept tot het universum sterrekes ziet. In één beweging boeken schrijven, theaterstukken bedenken, polemieken afvuren, het vaderland redden, de soep mixen, de politiek achter de vodden zitten, de mensheid een geweten schoppen, de patatten afgieten en voor Mia Doornaert een boerka breien.


Ik kan nauwelijks wachten. En ik zie ook iets dat me nu al ontroert. Achter jou zit René, je blonde bosgod, me met een bedaarde glimlach gerust te stellen. ‘Als hij het te bont maakt,’ fluistert René, ‘gooi ik wel een handdoek over één van zijn zonnepanelen.’


Er is ook niemand die zo ontroerend kan crashen, na de bestorming van hemel en aarde, als jij. Ik vond het altijd een genot je te zien inzakken, achter in de bus die ons door Nederland voerde, door de zwarte poldernachten, na één van de optredens voor Saint Amour. Wat een gelukzaligheid op dat slapende aangezicht. Wat een adolescente onschuld.


Tom, schat. Je bent nu vijftig. Zelf ga ik ook snel richting tram 5. Ik vind L’Oréal gezichtscrème met extra lift allang niet meer iets voor mietjes. Maar ik wil nog altijd een kind van je.


Bovenal, cher ami, ben je een literair raspaard, om niet te zeggen een hele stoeterij, Je bent ook de officieuze zesde bol van dit Atomium, en een van de meest genereuze mensen die ik ken. Jij en René moeten nog lang hier zijn.


Nog heel lang veel gelukkigs, allebei.


LEVE BELGIË! LEVE TOM LANOYE!


Erwin