HYGIËNE THUIS EN DAARBUITEN

PROEVE VAN EEN REDEVOERING DIE IK EIGENLIJK NIET WIL HOUDEN

"In de handen van deze minister en zijn, neem me nu even niet kwalijk, ondermaatse kabinet, de hele industrie van vetbetaalde marktonderzoekers en het vaak extreem middelmatige 'artistieke middenveld' dat er omheen hangt, valt die 'ziel' het lot ten deel dat Nietszche al zag in de wetenschappen van zijn tijd, 'die de ziel zodra ze haar aanraken, meteen ook kwijt zijn."
Ter gelegenheid van de bekendmaking van de Vlaamse Cultuurprijzen, in februari 2006.

Dames en Heren,

Langs deze weg wil ik u laten weten dat ik niet bij de uitreiking van de Vlaamse Cultuurprijzen aanwezig zal zijn, komende maandag in de Flagey in Brussel. Het lijkt me het beste dat u het van mijzelf verneemt en niet van een ander. Tenslotte zijn deze prijzen ook van u afkomstig, het volk, u en ik, wij allemaal.

Over deze beslissing heb ik lang nagedacht, lang gepiekerd, lang gepraat en ik heb veel geluisterd. Ik heb me afgevraagd of ik me aan futiliteiten stoor of me aanstel, maar steeds weer kwam ik tot dezelfde conclusie: ik kan het niet tegenover mezelf verantwoorden. Ik waardeer het werk van de jury's die zonder enige twijfel in eer en geweten zullen gewikt en gewogen en geoordeeld hebben. Ik dank in het bijzonder de jury voor de Prijs voor Proza, voor de erkenning die spreekt uit de nominatie van mijn roman 'Sluitertijd'. Ik roem en loof alle andere genomineerden. Ik hef nu al het glas op wie gelauwerd wordt en ik drink een troostrijke borrel met de anderen. Ik vind de wijze waarop de uitreiking van deze prijzen georganiseerd wordt beledigend. Een samenleving eert haar kunstenaars en culturele initiatieven niet door de organisatie van een soort Miss Flanders verkiezing, met genomineerden, met winnaars en verliezers, in een spektakelvertoning die plat op de buik gaat in een trieste en vergeefse verleiding van de televisie. Blijkbaar bestaat niets meer als het niet op het scherm verschijnt. Dan liever oubolligheid, ouderwetse chic, verschoten grandeur. Ik blijf dus thuis. Ik laat mijn natuurlijk mildheid varen, ik neem het risico te kwetsen, of voor hautain, dom of hysterisch versleten te worden er met graagte bij omdat ik deze vertoning symptomatisch vind voor een cultuurbeleid dat de essentie kwijtraakt en zich meer en meer verliest in beuzelarijen en bijkomstigheden.

Met interesse heb ik kennis genomen van de nieuwjaarsrede van onze minister van Cultuur, een paar weken geleden in diezelfde Flagey. De excellentie wenst, we weten het al langer dan vandaag, meer deelname aan kunst en cultuur door alle lagen en geledingen van de bevolking, zowel actief als passief, en de kunstensector mag daartoe haar maatschappelijke verantwoordelijkheid niet ontlopen. De minister riep tevens op tot een Cultureel Pact tussen de Vlaamse Gemeenschap en die sector. Ik juich dat allemaal toe. Ik vind dat zeer nobel. Desalniettemin koester ik het sterke vermoeden dat de minister me gemakshalve tot de criticasters van zijn beleid rekent, wier oprispingen zouden illustreren dat zelfs de kunstensector niet meer immuun is voor de sluipende verzuring in onze samenleving. De minister noemt het 'intellectueel niet eerlijk mij te beschuldigen van een doelbewuste neutralisering van kunst en cultuur.' Hij vindt het 'zwaar onder de gordel mij te betichten van een onaanvaardbaar cynisme onder de vorm van een gezelligheidsfascisme' en 'zeer bedenkelijk om mijn beleid gelijk te stellen met een totalitair regime.' Dat zijn allemaal mijn woorden, en ik neem ze niet terug. Wie in de keuken staat moet tegen de hitte kunnen. Ik koester een literatuur die met bommen en rozenblaadjes kan gooien. Als de Letteren niet kunnen vloeken, zullen ze ook niet zingen.

Maar goed, ik wil het hier gerust anders formuleren; subtieler, verfijnder, maar even scherp. Ik vrees dat deze minister niet wil inzien dat het grootste gevaar dat onze democratie en dus ook het cultuurbeleid bedreigt niet eens uit extreemrechts hoek hoeft te komen, maar dat ten gronde zijn eigen aanpak dat beleid dreigt uit te leveren aan krachten die al evenmin een hoge pet op hebben met fundamentele zaken als gelijkheid of rechtvaardigheid. Het cultuurbeleid van de heer Anciaux heeft, alle knusse retoriekjes ten spijt, geen hart. In haar borstkas schuilt een telraam.

Achter alle hooggestemde woorden van deze excellentie ritselt in alle hoeken en kanten de macht van het getal. Het getal is waarmee de minister wappert om zijn beleid en zijn verdiensten te staven. Getallen zijn wat deze man voortdurend eist van wie van steun wil genieten. Een minister van economie die dezelfde stringente voorwaarden zou eisen van het bedrijfsleven in ruil voor overheidssteun zou geen maand minister zijn. Quota voor allochtonen op de werkvloer? Onbespreekbaar! Positieve discriminatie? Get real. Het cultuurbeleid dient als masker waarachter het politieke bedrijf haar onmacht en onwil verbergt, en ze doet zulks volgens een beproefd en kwalijk recept: noem de kunsten eerst elitair of wereldvreemd en dwing ze vervolgens op straffe van boete binnen de lijntjes.

Het betoog van deze minister verschilt daarin helaas bitter weinig van het nivellerende betoog over 'de allochtoon'. Het gaat in beide gevallen om een oproep tot assimilatie van een als vreemd omschreven lichaam in deze samenleving. Wie als cultuurmaker van staatssteun geniet dient zich daarvoor te verantwoorden, lees: zijn rendement te bewijzen. En dat 'rendement' draait nergens, maar dan ook nergens meer over de vraag wat kunst doet met wat ik welbewust ouderwets, gedateerd en lichtjes sacraal de 'ziel' van een mens noem: die schreeuw van verwondering, verbijstering en ontzetting wanneer wij ons tegenover de onvatbare totaliteit van ons eigen zijn geplaatst zien. In de handen van deze minister en zijn, neem me nu even niet kwalijk, ondermaatse kabinet, de hele industrie van vetbetaalde marktonderzoekers en het vaak extreem middelmatige 'artistieke middenveld' dat er omheen hangt, valt die 'ziel' het lot ten deel dat Nietszche al zag in de wetenschappen van zijn tijd, 'die de ziel zodra ze haar aanraken, meteen ook kwijt zijn.'

Grote delen van de culturele instellingen van dit land worden inmiddels bevolkt door lui die als jonge snaken riepen dat de verbeelding aan de macht moest komen, maar van zodra ze zelf aan de macht kwamen de statistiek tot afgod hebben uitgeroepen. Dit beleid is daarmee ook het failliet van een generatie die de ongrijpbaarheid van de verbeelding heeft ingeruild voor de zichtbaarheid van het cijfer. Willen of niet, kunst en kunstenaars zullen zich vertonen. Een overheid die zelf steeds meer bij de gratie van het gezien worden bestaat, dringt haar logica in toenemende mate op aan steeds meer geledingen van deze samenleving, ook de kunsten. Weg met de boerka van het solitaire artistieke scheppen, dat niet op voorhand weet of het wel vruchten afwerpt. Ik noem dat gruwelijk cynisch. Ik blijf die aanspraken totalitair noemen en ik verwerp ze. In een dergelijke visie op cultuur pleegt de politiek, plegen onze vertegenwoordigers, onze dienaren, onze ministers, vaandelvlucht.

Decennia lang heeft onze parlementaire democratie daadwerkelijke en prangende maatschappelijke problemen genegeerd. Ze heeft ons gerecht laten inslapen en de rechtvaardigheid verraden. Ze heeft de democratisering van ons onderwijs in de praktijk laten verworden tot een democratisering die zogoed als uitsluitend geldt voor mensen met een bleke huid, en een halve democratie is geen democratie. Ze heeft de achterstelling en de discriminatie op onze werkvloeren zien toenemen en de andere kant op gekeken, keuvelend in de praal van haar ivoren toren, wegsoezend in de behaaglijke canapé van de macht, ver van de straten en buurten waar 's ministers gedroomde interculturele samenleving met veel meer pijn, angst en frustraties dan nodig is tot stand komt, omdat de politiek haar bestaansrecht eigenhandig uit het raam heeft gekieperd. En dan zou nu onze kunstensector à volonté biertenten in theaters moeten installeren, koffie schenken in bibliotheken, dansfeestjes organiseren in musea en wafels bakken in concertzalen, in naam der alles oplossende gezelligheid? Wat een zelfverblinding, wat een idiotie, en wat een opgeblazen eigendunk om de enkelingen die de euforische tekstballonnen van dit beleid durven doorprikken gefrustreerd, ontgoocheld of verzuurd te noemen.

Dus laat me duidelijk zijn: Ik bedank ervoor om mijn werk en mijn talent als een rubberen glimlach over het kille gelaat van een demagogie als de actieve welvaartsstaat te leggen. Ik voel me in alle opzichten veel te goed voor een beleid dat mijn allerpersoonlijkste betrachting wil herleiden tot schaamlap en stoflap. Ik wens mezelf niet te verlagen tot de rol van maatschappelijke poetsvrouw, die slechts in zoverre verschilt van het legertje Slavische dames dat talloze Vlaamse trappenzalen schrobt, dat men de zakken van haar schortje met een vuistvol legale bankbiljetten vult, maar die zich voor het overige evengoed dient te bukken en te laten naaien door lui wier visies, eenmaal ontdaan van hun klatergoud, wraakroepend armoedig blijken en ronduit gevaarlijk. De kunst dient volgens dit kabinet een mediagenieke zinsbegoocheling als de verzuurde Vlaming slechts op de juiste plaatsen af te zuigen opdat hem een verzaligde glimlach op het gelaat zou verschijnen. Het is knikken en slikken, het is pijpen en zwijgen, volgens de massagemethoden van Dokter Trillip.

Ik wil deze excellentie pas als cultuurminister en staatsman erkennen en respecteren wanneer een volgende beleidsbrief een schaamteloos pleidooi houdt voor nutteloosheid, voor het schandaal dat elk kunstwerk belichaamt: het schandaal van zijn loutere bestaan. Ik wil de heer Anciaux wanneer hij het over 'leren waarderen van het vreemde heeft' horen zeggen, en meer zelfs, horen loven en prijzen, en horen verdedigen dat het Vreemde eerst en vooral het kunstwerk zelf is. Ik wil hem het ontregelende gefluister van de literatuur horen roemen, de pracht van Nabokovs Lolita, de schittering van Reve's Op Weg naar het Einde. Ik wil hem extatisch horen worden over het werk van de delinquent Jean Genet, de moordenaar Caravaggio, de antisemiet Wagner en zoveel andere kunstenaars die de meest verwerpelijke daden hebben gesteld, en de meest verwerpelijke gedachten hebben gekoesterd (waarnaast mijn columnpjes, excellentie, eerlijk gezegd maar zeer klein bier zijn), maar die een kunst hebben voortgebracht die ons nog steeds op onze grondvesten kan doen daveren. Ik wil dit ministerieel verschijnsel nooit meer horen leuteren dat boeken de ideale achtergrond vormen voor een fijne babbel met de medemens. Ik wel hem nooit meer horen zeggen dat deze of gene culturele instelling ook voor niet-intellectuelen toegankelijk is omdat je er een croque-monsieur kunt bestellen. Ik wil dat hij het werkwoord 'ontmoeten' de komende jaren uit zijn beperkte vocabulaire schrapt, alsook alles wat riekt naar verzuring. Men kan in dit land geen fles azijn meer openschroeven of Bert slaat nationaal alarm. Ik wil dat hij afstapt van zo'n betoog, omdat het de lucht van ontsmettingsproducten en de echo van een sanatorium verspreidt. Het laat op de kunsten een kille en steriele medisch-hygiënische visie los, het kent ze een zuiverende functie toe, die ze niet kunnen waarmaken en ze herleidt tot een soort geestelijk rioolstelsel dat de maatschappelijke onvrede afvoert - de vraag blijft: waarheen?

Ik ben daarom, bij wijze van uitsmijter, zo vrij de minister een bondig voorontwerp aan te bieden van dat Cultureel Pact dat hij, blijkens zijn nieuwjaarsbrief, tussen de overheid en de kunstensector wil afsluiten:

Regel Eén zal luiden: Stinken is toegestaan. Geen stank, geen dank. Correcte kunst is dode kunst.

Regel twee zal luiden: Zonder schilders geen musea, zonder schrijvers geen boeken, bibliotheken, theaters of festivals en zonder componisten geen concerten. Zij zijn het hart van het cultuurbeleid, geen detail of een voetnoot in een toespraak.

Regel drie zal luiden: Alle boek.be's, cultuurnetten, cultuurwebben, Stichtingen Lezen, Horen, Zien of Spreken, alle theaterinstituten, Instellingen voor Beeldenden Kunsten, elk participatiebevorderend fabriekje, ook het geringste, en ieder sociaal-artistiek vzw'tje, zal zichzelf beschouwen als wat het moet zijn: niet het alfa en omega van het kunstenbeleid, maar personeel: onzichtbaar, onhoorbaar en bovenal bijzonder onderdanig. De kunst krijgt daarbij het voorrecht om elitair te zijn, aristocratisch, egocentrisch als het moet en radicaal solipsistisch. De kunstenaar zal asociaal zijn, of hij zal niet zijn.

Regel vier zal luiden: Wie bij de markt slaapt, krijgt last van zijn vlooien. Elk niche-denken zal uit alle culturele instellingen worden gebannen. Meer dan twee eeuwen heeft onze democratie erover gedaan om te worden wat ze moet zijn: dat wat het installeren van ongelijkheid en willekeur tussen mensen wil voorkomen. Meer dan twee eeuwen sociale strijd, politieke ontvoogding, ijveren voor gelijke rechtsbedeling, stemrecht voor iedereen, taalrechten, recht op onderwijs en dies meer, waar mensen letterlijk hun leven voor gegeven hebben, gooien we niet te grabbel voor een marktideologie die ons als Meerwaardezoekers, Actieve of Passieve Genieters, of cultuurconsument tout court, opnieuw van elkaar wil onderscheiden en ons herleidt tot grove, vernederende en ontmenselijkende etiketten. Een dergelijk denken toelaten tot steeds meer domeinen van ons bestaan, niet in het minst het politieke, holt deze democratie steeds verder uit, van binnenuit. We hebben er Het Vlaams Belang niet eens voor nodig.

Het staat iedereen vrij om deze vier regels, in onvervalst Anciaux-taaltje wil ik ze zelfs het Klavertjevier der Kunsten noemen als het moet, verder aan te vullen of te verfijnen, en er alles mee te doen, behalve ze nuanceren.

Ik dank u.

Erwin Mortier

Links
De Nieuwjaarsrede van de minister van cultuur, gegeven in de Flagey op 25 januari 2006, ten overstaan van talloze bobo's
De Reve-rel, weet je nog? Bert en de kunst van het Brokken Maken