L'ALCOOL ET FLAVIE'

''T BOLLEKEN' VAN BUYSSE HERUITGEGEVEN

"Dit is en blijft ijzersterk proza van Europese allure, het dient maar eens klaar en duidelijk gesteld in een land dat zijn beste schrijvers al te vaak met dédain heeft bejegend. Nooit verliest Buysse de keiharde realiteit uit het oog, de granieten ondergrond die hij met zijn sociale tragikomedie wel kan verbloemen maar nimmer zal verraden. '’t Bolleken' biedt een ideale kennismaking met een literator van formaat." (Erwin Mortier - Verschenen in De Standaard der Letteren van 25 mei 2008)


We worden verwend, de laatste tijd, wat Cyriel Buysse betreft. Eerst was er die monumentale biografie van Joris Van Parys, die gerust een juweel in het genre mag heten, en die nergens beter kon verschijnen dan bij Atlas/Houtekiet, dat eerder al romans als “Tantes” en “Zomerleven” uit een onterechte vergetelheid opdiepte, en nu de roman ’t Bolleken een verlaat eeuwfeest bezorgt. Hulde! Een kwieke eeuweling, dat boek, na honderd en twee jaar nog altijd scherp van geest, fris van taal, en bovenal erg geestig, hoe tragisch ook de geschiedenis die er zich in ontvouwt. Maar dan twintig jaar geleden las ik de roman voor het eerst en het laatst, en was ik er toen al bijzonder door gecharmeerd, nu ik het herlezen heb wordt mijn waardering voor de schrijver Buysse, diens talent, vakmanschap en intelligentie, alleen maar groter.

Na de dood van Nonkelken, een rentenier op het platteland, gezapig residerend in een ‘kasteelken’, eigenlijk een herenhuis met kapsones, erft diens neef Vital, een echte stedeling, het hele fortuin, buitengoed incluis. Nonkelken is bezweken aan een combinatie van drank en dames, of in de woorden van de lokale dokter: ‘L’alcool et Flavie,’ die laatste de bevallige huismeid bij wie nonkel in zijn laatste jaren uitbundig seksuele troost vond. Beide ondeugden worden door de gesloten dorpsgemeenschap eerder goedmoedig bezien: ‘Eenieder wist toch dat Nonkelken in de grond van zijn hart een héél vroom mens was en tot publiek schandaal en bepaald ergerend-onstichtelijk voorbeeld was het ook nooit met hem gekomen.’ Zolang een mens de verhoudingen en geplogenheden van een hechte gemeenschap niet openlijk ondermijnt, met andere woorden, gunt men ieder de levensnoodzakelijke deugd der hypocrisie. Wellicht had de ouwe rentenier dan ook rustig de honderd gehaald als hij zijn liefde voor de borrel maar had kunnen temperen. Nonkel gaat dood aan de zachte vernieling die ‘l’alcool’ in zijn ingewanden aanricht, onder meer een slokdarmontsteking die aanvoelt als een balletje in zijn keelgat dat zich niet laat wegslikken.


Erfgenaam Vital neemt zich voor om weliswaar goed te leven van ooms fortuin maar het ook wat rustiger aan te doen, in elk geval wat de drank betreft. De meisjes blijken een verlokking die zich moeilijker laat weerstaan, vooral dan de jongedames van dubieus allooi waar de stad en zijn weldoende anonimiteit hem steeds in ruime mate van voorzien heeft. Neeflief wil dus de gulden middenweg bewandelen, met alle gevolgen van dien: Vitals pogingen om het noodlot van zijn oom te ontlopen laat ze hem, het blijft een klassiek gegeven, juist dubbel en dik herhalen, en brengt daarmee de precaire sociale verhoudingen in het dorp in gevaar. Vitals vaste scharrel in de stad lijkt nu hij een rijk man geworden is zo snel mogelijk met hem het huwelijksbed te willen delen, wat meteen afbreuk doet aan haar charmes. De winters op het platteland blijken erg lang uit te vallen en de weg naar de lokale kroeg en de borrels steeds korter. Een tijdlang zet Vital zijn zinnen op de enige gepaste verloofde die de streek rijk is, ene Mademoiselle de Saint-Valéry, het nichtje van de plaatselijke baron, met een goede naam maar geen noemenswaardig eigen fortuin. In Vitals ogen lijdt de jonkvrouw niet zozeer aan een al te schrale bevalligheid of dito bankrekening, maar ontbeert ze des te meer de sociale afstand die een belangrijke prikkel leek in diens voorbije amourettes met barmeiden, zangeresjes en andere schaduwminnende flora uit de demi-monde van de nabije stad. Wanneer de Mademoiselle al te bot Vitals avances afwijst nog voor hij er goed en wel aan begonnen is, brengt nog meer drank soelaas, alsook de charmes van de cafédochter Eleken, met wie de erfgenaam uiteindelijk trouwt, tot grote consternatie in het dorp: ‘Hoe es ’t meugelijk, veur azeu ne rijke jongen en mee zuk’n educaossie!’


Buysse spant zijn roman op tussen polariteiten die ook zijn overige werk beheersen. De erotische en andere spanningsvelden tussen hogere heren en lagere dames, tussen voorrecht en onrecht, tussen de leefwerelden van het platteland en de stad, tussen drift en sociale dwang, leveren de brandstof voor haast al zijn geschriften, net als Vitals fysieke en mentale aftakeling in velerlei gedaanten in de rest van het oeuvre terugkeert. In zijn rijpere werk, met hoogtepunten als “’t Bolleken”, slaagt hij erin om het donkere naturalisme van zijn vroege jaren, dat vaak een al te plichtmatige indruk wekt, naar zijn hand te zetten en komt hij tot een register dat vermoedelijk meer overeenstemming vertoont met wat ik gemakshalve zijn ‘schrijversziel’ noem. Dan laat Buysse zich kennen als een auteur met een groot en genereus hart, dat zich het best naar proza laat transponeren via milde satire en een barmhartige ironie.
Dat maakt “’t Bolleken” overigens niet tot het monkelende geschrift van een ouder wordende bon-vivant met de rui in de wilde haren. Dit is en blijft ijzersterk proza van Europese allure, het dient maar eens klaar en duidelijk gesteld in een land dat zijn beste schrijvers al te vaak met dédain heeft bejegend. Nooit verliest Buysse de keiharde realiteit uit het oog, de granieten ondergrond die hij met zijn sociale tragikomedie wel kan verbloemen maar nimmer zal verraden.Nergens verslapt Buysses greep op het verhaal, nimmer wordt de focus onscherp. ' Vitals keuze voor de gewone, om niet te zeggen vulgaire cafédochter Eleken, en vooral de verbijsterde reacties bij de lokale gemeenschap, leggen een leefwereld bloot waarin iedereen, hoog of laag, rijk of arm, worstelt met zeer rigide zeden. Iedereen betreurt of vervloekt de sociale barriëres, maar houdt ze wanneer het erop aankomt ook in stand. Stabiliteit voor alles.
Vital intussen, begint in te zien dat Eleken nooit de elegantie van een burgervrouw zal vertonen, laat staan de tafelmanieren of een vlotte beheersing van het Frans. Wat haar in hem aantrok blijkt nu een bron van irritatie en ontgoocheling. De echtelieden worden dik en leiden een leven dat van evenveel kommer als fut gespeend lijkt, waarbij Vitals nood aan berusting onder de vorm van jenever steeds bodemlozer uitvalt, tot het levenseinde van zijn oom ten slotte ook het zijne wordt, met ontstoken slokdarm en al. Het verhaal van deze neergang vormt één van Buysses gaafste teksten. Wie zijn werk niet kent mist iets. Wie hem afdoet als gedateerd of oubollig heeft ongelijk. “’t Bolleken” biedt een ideale kennismaking met een literator van formaat. Voor deze roman geldt evenzeer wat één van de personages zegt over de tomatensoep die ten huize Vital ter tafel komt: ‘Ca procurait une sensation agréable et ça vous collait un fond.” Lezen maar.


Erwin Mortier



Links
› Het eerbiedwaardige Cyriel Buysse Genootschap
› 'Tantes', nog een klassieker van Buysse
› De schitterende biografie, door Joris van Parijs