LIEVER GEEN 'SPANNEND BOEK' DEZE ZOMER?

NIEUWE VERTALINGEN UIT HET OEUVRE VAN COLETTE

Uitgeverij Atlas brengt deze zomer nieuwe vertalingen van de Franse schrijster Colette (1873 - 1954). Na het eerder verschenen 'Het Ochtendgloren', komen nu 'Sido','Het huis van mijn moeder' en 'Cheri' uit. Ter gelegenheid van de verschijning van Judith Thurmans monumentale biografie in 1999 schetste Erwin Mortier voor Zeno, de zaterdagbijlage van De Morgen, een portret van de roemruchte schrijfster. U kunt het hier herlezen.

COLETTE: BOERENDOCHTER, THEATERDIVA, SCHRIJFSTER VAN EROTISCHE ROMANS EN BEJUBELDE PARISIENNE IN ÉÉN PERSOON

(In 'De Morgen' van 27 november 1999)

Colette is één van die literaire roepnamen in ons collectieve geheugen die veeleer beelden dan romantitels oproept. Colette, dat is 'la garçonne', de jongensachtige vrouwenfiguur in mannenkleren, de scandaleuze actrice die rond de eeuwwisseling halfnaakt op de planken verscheen. Er is ook Colette de gigolo, de zigeunerin, de faun of de Egyptische mummie die uit de dood verrees in een met juwelen bezette beha.

Maar bovenal was Colette schrijfster. Colette de auteur heeft in haar boeken Colette het fenomeen eerst uitgevonden en daarna verder verfijnd. Op de woelige baren van de Parijse society, waar opium, ether en laaiende passies talloze slachtoffers eisten, hield Colette zich kranig overeind aan haar pen, waarmee ze altijd weer een natuurlijke onschuld bedacht. Tachtig fictiewerken, een berg memoires, journalistiek en drama van de bovenste plank vormen de literaire erfenis die ze bij haar overlijden in 1954 naliet. Haar correspondentie alleen al beslaat zeven dikke banden, en minstens drie andere brievencollecties wachten nog op publicatie.

Colettes kunst was die van de leugen als beste uitdrukking van de waarheid. Een onderzoek van haar leven komt neer op pulken aan ontelbare maskers, tussen talloze regels lezen en vooral: nuchter proberen te blijven onder de bekoorlijke schaduwspelen van een ziel die uit haar botsende verlangens een essentie trachtte te puren; de onmogelijke verzoening van al haar uitersten.

Gabrielle Sidonie Colette werd geboren op 28 januari 1873 in het Bourgondische plattelandsdorp Saint-Sauveur. Ze was het vierde kind van Sidonie Landoy, een excentrieke vrouw met een koppig karakter die vond dat ze driehonderd jaar voor haar tijd geboren was. Sido, zoals men haar kende, had turbulente meisjesjaren meegemaakt in het teken van revolutionaire idealen, een bijna normale geesteshouding in een land waar sinds 1789 het ene oproer op het andere volgde.

In het kielzog van maatschappelijke hervormers en utopisten had de jonge Sido gedroomd van een nieuwe sociale en erotische orde, met man en vrouw als gelijken. Ze zag haar verzuchtingen nooit bewaarheid worden en hield er een dodelijk gevoel voor ironie aan over. Huwelijken waren gevangenissen waar je als vrouw niet buiten kon, wilde je tenminste niet verkommeren, en echtgenoten een noodzakelijk kwaad. "God, wat zijn ze stom!" moet ze ooit hebben uitgeroepen.

Colette was het tweede wettige kind dat Sido had bij 'kapitein' Jules Colette, een knapperd uit de Provence die zich als belastingontvanger in Saint-Sauveur had gevestigd en al op zijn dertigste een (deels gefantaseerde) reputatie achter zich aan sleepte waar het dorp het zijne van dacht. Sido moet al snel voor zijn onorthodoxe charmes bezweken zijn. Een oudere broer van Colette, Achilles, officieel een halfbroer uit een vorig huwelijk van haar moeder, was waarschijnlijk een volle broer. Toen Sido's eerste echtgenoot plotseling overleed, stond niets een huwelijk met kapitein Colette in de weg. Haar rouw om echtgenoot één, onfatsoenlijk kort in de ogen van het dorp, omschreef Sido snedig als "een zwarte sluier, en daaronder de grijnslach van een aap". Sido zou haar rebelse geest nooit verliezen en hoopte, zoals zoveel moeders, stiekem dat haar kroost op een dag haar eigen gefrustreerde idealen alsnog zou waarmaken, wat natuurlijk niet het geval was. "Er is niemand die me kan begrijpen, zelfs mijn eigen kinderen niet", zuchtte ze regelmatig.

Ondanks haar grote dromen over vrouwelijke zelfstandigheid was Sido ook een klassieke moederkloek die haar kuikens graag onder haar vleugels hield en de minste verwijdering beschouwde als een vorm van verraad. Zelfs voor Colette, het kind met wie ze zich waarschijnlijk het nauwst verwant heeft gevoeld, was het geen gemakkelijke situatie. Colettes kijk op de liefde zou haar hele leven bepaald worden door een fundamenteel onvermogen om intimiteit als iets anders te begrijpen dan een verscheurende keuze tussen onderwerping of dominantie. Haar oeuvre, is een bijzonder intelligent, wijs en bijwijlen revolutionair onderzoek van de liefde in al haar gestalten, op één na: de wederzijdse.

De familie van Colette mocht het dan al niet te nauw nemen met de heersende moraal en met haar bizarre opvattingen, altijd goed voor een dorpse roddel, in een hechte boerengemeenschap wordt onderhuids ook veel gedoogd. Moraal is één zaak, de realiteit en de kriebels van het bloed een andere. Colette heeft haar kinderjaren onveranderlijk beschreven als een besloten paradijs. Ze werd niet door de goegemeente uitgespuwd of geïsoleerd. In de dorpsschool kreeg ze een onderwijzeres (met de verrukkelijke naam Olympe Terrain) die ondanks haar ijzeren tucht ook oog had voor het grote taalgevoel van haar pupil en het verder stimuleerde.

Colette smeedde intussen hechte meisjesvriendschappen en raakte zoals elke puber, in een wereld waarin voorlichting een eufemisme was voor heimelijke toespelingen, danig in de war van haar eigen ontluikende seksualiteit. De aanblik van haar zwangere oudere zus vervulde haar van walging en schaamte. Romans van Zola, nooit te beroerd om man en paard te noemen, lieten haar achter "in terreur en bedreigd in mijn ontwakende vrouwelijkheid". Het helverlichte raam van een kamer waar een pasgetrouwd stel de huwelijksnacht zou doorbrengen, maakte haar angstig: "Tussen hen zal die obscure ontmoeting worden opgevoerd waarover mijn moeders uitgesproken eenvoud en het leven van de dieren in mijn omgeving me zowel te veel als te weinig hebben geleerd. En daarna? Ik ben bang van de kamer, van het bed..."

Haar meisjesjaren zouden de basis vormen voor Colettes eerste literaire werk, enkele jaren later, wanneer ze getrouwd was met de Parijse bon-vivant en duivel-doet-al Henry Gauthier-Villars, bijgenaamd Willy. Hij was een telg uit een immens rijke, heftig antisemitische, oerkatholieke en ultravaderlandslievende uitgeversfamilie. Ze gaven de wetenschappelijke tijdschriften uit waar Colettes vader, zelf een bizarre amateur-onderzoeker, zo dol op was. Bij een ontmoeting sloeg tussen dochter Colette en zoon Villars een vonk van verliefdheid over.

Voor Willy was het zeker niet de eerste vonk. Zijn voorkeur voor jonge meisjes was notoir. Sinds hij als knaap in een bordeel gratis met de jongste lichtekooien mocht stoeien, terwijl door piepgaatjes voyeurs tegen betaling zijn exploten begluurden, had hij zijn smaken steeds verder verfijnd. Colette moet voor hem een boerse, nog onbedorven schoonheid zijn geweest.

Hij op zijn beurt moet haar zinnelijke nieuwsgierigheid hebben gewekt. Al op zijn dertigste meer dan mollig, zeker wanneer hij in badpak poseerde zag hij eruit als een beer op sokken, had hij volgens tijdgenoten een onmiskenbaar sex-appeal. Maar het lijkt waarschijnlijk dat Colette in hem vooral een intellectuele vaderfiguur herkende, een behoefte waaraan haar eigen vader nooit had kunnen voldoen. Kapitein Colette mocht dan wel pochen dat hij in stilte werkte aan een allesomvattend oeuvre, na zijn dood bleken de ontelbare lederen banden met fraaie titels in bladgoud alleen lege vellen te bevatten.

Colette heeft later, toen ze alweer van Willy gescheiden was, alles gedaan om haar ex af te schilderen als een mislukkeling, een man van vele stielen en nog veel meer ongelukken. Onterecht. Willy's imago was zijn handelsmerk, dat hij via zijn talrijke connecties in de pers, de salons, de roddelcircuits en het theater zorgvuldig en met een subtiel gevoel voor het pikante detail in de hand hield.

"Op de been kort na het ochtendgloren", schreef een bevriende journalist (die het zich liet dicteren), "vlooit hij de kranten na, bestudeert de recensies, doorploegt de diepten van de meest hermetische poëzie, leest artikels over filosofie en wetenschap, leidt een uitgeverij, verstuurt telegrammen, schrijft twintig brieven aan vrienden, vrouwen, wetenschappers, theaterdirecteurs, ministers, cabaretiers of professoren van het Collège de France. Hij luncht, dineert, vindt de tijd om zich te wijden aan zijn vrienden, om vijanden te beschimpen en de vloer aan te vegen met wie hem ergert. Te midden van deze koortsachtige chaos bewaart hij genoeg energie om geestig en onverslagen te blijven, bloemen en theatertickets te verzenden, indien nodig duels aan te gaan, eens per maand een artillerie-eenheid aan te voeren, jaarlijks op pelgrimstocht te gaan naar Bayreuth en veel vaker nog naar Venusberg." Wat dat laatste betreft, was geen helling hem te steil.

Hij was het prototype van de impresario, een spin in vele webben, overal een vinger in de pap. Van zijn eigen romans, niet zelden aan de ranzige kant, bedacht hij uitsluitend het concept, het schrijven liet hij aan anderen over. Een Warhol avant la lettre was hij. Wat hij aanraakte, veranderde prompt in goud. Ook de eerste romans van Colette, waar hij zijn eigen naam onder zette.

Ze trouwden in 1893. Het plattelandskind verruilde het pastorale Bourgondië voor het hectische Parijs. Colette was veertien jaar jonger dan haar bruidegom. Een zoon, door haar kersverse echtgenoot kort voordien bij een scharrel verwekt, werd begripvol opgevangen door de schoonfamilie en met de mantel der liefde bedekt.

Het Parijs waar Colette als prille twintiger arriveerde, was volkomen in de ban van het fin de siècle, een wereld die even wanhopig als frivool danste op de puinen van het verleden, om de onzekere toekomst zo lang mogelijk uit te stellen. Opeenvolgende revoluties, staatkundige, sociale en intellectuele, hadden steeds verder aan de traditionele verbanden geknaagd. De maatschappij was volop in beweging en stelde almaar luider oude zekerheden in vraag. De cartesiaanse scheiding tussen objectieve rede en subjectief gevoel werd te kunstmatig gevonden. De impressionisten bevochten de neutrale blik, Freud het objectieve bewustzijn. Nog een paar jaar en Proust zou zijn magistrale romancyclus grondvesten op de onvoorspelbaarheid van het geheugen. In een Zwitsers kantoor ondermijnde Einstein, gebogen over zijn formules, het absolute karakter van materie en energie, tijd en ruimte.

Colette zou op haar beurt die slopende twijfel laten doordringen tot het ogenschijnlijk eenvoudigste onderscheid dat men tussen twee mensen kan maken: man of vrouw. Ze had als adolescent zelf ondervonden hoe ze gevoelens koesterde die niet beantwoordden aan wat 'men' van een toekomstige vrouw en moeder verwachtte.

Haar vroege werk zou een samenleving schetsen die haar leden een ondraaglijke conformiteit oplegt en gruwelijk blind blijft voor alle individuele verlangens die niet in het plaatje passen. Inspiratiebron vormden daarbij de talrijke bizarre figuren die opereerden in de kieren en kelders van het Parijse society-gebeuren. Het manwijf, de verwijfde man, de dandy, de femme fatale, de jood beangstigden de gegoede burger en fascineerden hem tegelijk. Homofobie was bon ton in het Frankrijk van rond de eeuwwisseling, net als vrouwenhaat en antisemitisme. Al deze groepen waren in de ogen van de goegemeente een bedreiging voor oude denkbeelden over ras, verlangen of identiteit. Maar er ging ook een gevaarlijke bekoring van uit. De outcast permitteerde zich vrijheden waaraan de brave burger zich enkel in zijn wildste dromen overgaf. Colette zou gebruikmaken van die burgerlijke fascinatie voor 'moreel gedegenereerden', maar keerde de redenering om. Ze zou hen beschrijven als mensen die onmogelijk aan de verwachtingen konden voldoen zonder daarbij een deel van zichzelf te verraden en daarom van 'onduidelijkheid' een kwaliteit hadden gemaakt.

De sfeer van de Parijse demi-monde mocht het nog groene meisje van de buiten vooralsnog maar af en toe opsnuiven. De eerste jaren sloot haar papa-mari zijn kindvrouwtje zoveel mogelijk in een satijnen doosje op. Hij was duidelijk niet van plan zijn Bourgondische snoepje door de Parijse lucht te laten bederven, ook al stelde hij haar geregeld triootjes voor met zijn maîtresses (waarvoor Colette ziedend bedankte).

Tijdens de uithuizigheden van haar man, amoureuze en andere, begon ze te schrijven. Uit verveling, vertelde ze later. In goedkope schoolschriftjes pende ze het verhaal neer van het plattelandskind Claudine, dat uit nieuwsgierigheid en verlangen naar een vader trouwt met een vijfentwintig jaar oudere man die haar verwaarloost en haar niet begrijpt, misschien omdat ze zichzelf amper begrijpt: "Ja, ik ben een kind. Niets anders dan je kind. Een dochter die al te zeer verwend wordt en wie je moet weigeren wat ze vraagt. Je moet me leren dat sommige vormen van gulzigheid verboden zijn. Het schenkt me plezier van je af te hangen, je te vrezen."

Toen Willy het verhaal onder ogen kreeg, wuifde hij het in eerste instantie weg als het pathetische schrijfsel van een naïeve ziel. Vervolgens krabde hij in zijn baard, bekeek de tekst nog eens en besefte dat hij mogelijk een goudmijn had aangeboord. Colette heeft er haar man later van beschuldigd dat hij haar manuscript op bepaalde punten vulgairder heeft gemaakt. Onderzoek van de originele handschriften, niet van het vervalste originele manuscript dat Colette later in elkaar heeft gestoken, leert dat hij het oorspronkelijke verhaal hier en daar juist heeft verfijnd. Hij heeft de nageltjes van de nuchtere boerendochter Claudine bijgevijld zodat ze nog venijniger konden klauwen. Tegelijk besloot hij het werk onder zijn eigen naam uit te brengen, vooral uit commerciële overwegingen, maar ook om de maskerade compleet te maken. Claudine werd aldus de schepping van een man die zich verplaatst in een pubermeisje dat een oudere man als echtgenoot kiest en later een vrouwelijke maîtresse neemt tegenover wie ze de viriele rol aanneemt. Claudine op School sloeg in als een bom. Het verhaal was schokkend genoeg om het conservatieve deel van de recensenten de gordijnen in te jagen, maar gaf van genoeg talent blijk om de andere helft tot onwennige loftuitingen te verlokken. Ze stonden tegenover een literair personage dat voorheen onbekend was. Colette had de archetypische adolescente geschapen, een Lolita-achtig wezen in de gevaarlijke maar o zo bekoorlijke schemerzone tussen meisje en vrouw, te oud voor het hinkelspel en aarzelend op de drempel van de volwassenheid. De scherpe en onopgesmukte stijl waarmee dat kindvrouwtje de grote mensenwereld observeert en de rauwe onbevangenheid waarmee ze de hypocrisie ervan registreert, zetten de toon voor talloze ontwikkelingsromans, al dan niet met vrouwelijke hoofdpersonen. Het boek werd een seller, net als de vervolgdelen.

Willy zette de grove middelen in en begon het product 'Claudine' massaal te merchandisen. Er kwamen Claudine-lotions, hemdsboorden, roomijs, hoeden, sigaretten, parfums, snoepgoed, rijstpoeder en postkaarten op het randje van het liederlijke. Colette zelf zou later haar eigen lijn van schoonheidsproducten beginnen, inclusief schoonheidssalons waar je naar verluidt lelijker uit tevoorschijn kwam dan je er was binnengegaan. Ze heeft in elk geval meer van haar man opgestoken dan ze zelf ooit toegaf.

Het commerciële succes van het boek luidde ook het einde in van haar eerste huwelijk. De scheiding, aanvankelijk met beider instemming, ontaardde dra in een uitputtingsslag, niet het minst omdat Willy de auteursrechten op Colettes boeken bezat. Zijn vrouw zou uiteindelijk haar slag thuishalen. De Claudines werden haar eigendom en ze nam afscheid van haar vaderlijke echtgenoot. Later zou ze nog twee keer hertrouwen, minstens evenveel minnaars hebben en zelfs moeder worden, maar voorlopig had Colette even genoeg van de mannen. Ze scheepte in voor een opwindende cruise naar Lesbos.

Colettes eerste betekenisvolle lesbische relatie, ze had al een paar oefenvluchten achter de rug, was die met Sophie Mathilde Adèle Denise de Morny, markiezin van Belboeuf, Missy voor de vrienden (wellicht ook voor het gemak), voor de intimi heette ze Oom Max. Ze was een lesbische travestiet, daarbij royaal geholpen door haar bonkige uiterlijk. Haar eigen moeder noemde haar de tapir, en het was niet flatterend bedoeld.

Tijdgenoten omschreven de markiezin als een pathetisch misbaksel, een erotische altruïste, een groot zondaar, een decadent, klassenverrader, een bevrijder en pionier of een gruwel, al naargelang hun persoonlijke voorkeur. Missy galoppeerde in elk geval door het volle leven met een zwier die alleen de ware aristocrate gegund is. Haar stamboom boog zwaar door onder een weelde aan onwettige vruchten uit geruchtmakende affaires met hoogheden als de Bonapartes, maar zelf was ze frigide.

Voor Colette moet ze een onderdompeling in een bad van seksuele onschuld betekend hebben. Maar Missy was ook een vrouwelijke vaderfiguur in mannenkleren. Gepokt en gemazeld in het theater van het leven stoomde ze Colette klaar voor een leven in het theater. Aan haar hebben we in grote mate de Colette te danken zoals ze tot vandaag in het collectieve netvlies gegrift staat: de androgyne vrouw, la gamine, taai, pezig en flexibel als een kat. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Colette al tijdens haar huwelijk met Willy aan het fitnessen was geslagen. Ze had in haar atelier haar eigen gymtoestellen. "Alle passie heeft een ascetisch gezicht", placht ze te zeggen, en de overgave waarmee aan de rekstokken hing, verried een immense hartstocht. Maar het was Missy die haar zou kneden tot het icoon dat tot vandaag in de beeldcultuur voortleeft.

In de eerste decennia van deze eeuw was het theater nog niet de chronisch kwijnende kunstvorm van vandaag die alleen mits overheidssteun of sponsoring in leven blijft. Het theater was de literatuur van het gewone volk, in de woorden van Edmond de Goncourt. Dik de helft van de drie miljoen Parisiens ging eens per maand naar het theater, ruim een kwart meermaals per week. De Parijse theaterhuizen brachten een vandaag ongeziene variëteit aan spektakel op de planken, van de platste kluchten tot avantgardistische stukken, die tot groot jolijt van de pers door het publiek werden uitgejouwd. Het was de ideale biotoop voor Colette om in te schitteren, te choqueren, de voorpagina te halen en roem te vergaren.

In haar literaire arbeid intussen verdween de boerse Claudine stilaan naar de achtergrond om plaats te maken voor alter ego's die net als hun geestelijke moeder een zwerversleven leidden. Altijd weer scherpte de literatuur zich aan de werkelijkheid en bracht figuren voort waar hun schepper zich aan spiegelde of mee mat.

De Eerste Wereldoorlog plaatste een andere gestalte van Colette op de voorgrond: de journaliste. De onconventionele nachtvlinder van Parijs ontpopte zich aan het front tot een reporter die haar pen getrouw liet lenen tot een manhaftig en propagandistisch gewenst patriottisme

"Ik zie nergens een spoor van droefenis", schrijft ze. "De meerderheid van deze jonge Fransen, die aan de dood ontsnapten ten koste van een arm of been, worden weer beter en bloeien als een gesnoeide boom." Ze bevond zich toen in Verdun. Elders noemt ze het kanonnengebulder even gevarieerd als het geraas van een storm.

Slechts hier en daar, in private brieven, breken afschuw en mededogen door. "Die processie van huilende moeders, van vaders die vragen naar het lichaam van hun zoon en aan wie we die lichamen niet kunnen geven, de brieven van vluchtelingen die smeken naar hun dorp terug te keren, al is het kapot geschoten, en die ik niet mag helpen: het zorgt voor een verschrikkelijke atmosfeer."

Ze was intussen de dertig voorbij. Het klatergoud van haar jeugd begon af te schilferen, ook al kon ze gerust een jaar of tien liegen. Van een schandaalfiguur was ze stilaan respectabel aan het worden. Iemand naast wie politici en andere leidende figuren zich ook bij daglicht durfden vertonen. Wat niet wegnam dat ze nog altijd haar eigen gang ging, affaires had en verbrak, minnaars en minnaressen versleet, boeken schreef die het bloed uit de kwetsuren moesten wassen, waarin alweer nieuwe gestalten van onschuld uit de as van de vorige opstonden. Ze verleidde de etherische zoon van haar tweede echtgenoot, de zestienjarige Bertrand de Jouvenel, vlak voor ze vijftig werd, en ook steeds molliger.

"Het was de opwinding van het incestueuze", herinnert het slachtoffer in kwestie zich later. "De kick van het verbodene. En ook het genoegen van de wraak op een ontrouwe echtgenoot. Je moet ook weten dat Colette altijd wilde provoceren. Ze behoorde tot de eerste generatie der seksuele revolutionairen. Hoe groter een taboe, des te sterker de verleiding het te doorbreken." Hij noemde zijn stiefma voor haar leeftijd nog altijd extreem begeerlijk. "Wat haar overigens niet tot een echte vrouw maakte. Een echte vrouw is goed. Colette was niet goed. Een echte vrouw vergeeft. Colette heeft nooit vergeven."

In een van haar boeken die, hoe kan het ook anders, de subtielere kanten van de liaison exploreren, geeft ze haar eigen kijk: "Arme, overgeliefde zonen, grijnzend onder feminiene blikken, wellustig besnuffeld door de vrouwen die je droegen, favorieten uit de diepe nacht van de baarmoeder, mooie gekoesterde jongemannen, wat je ook doet, je kan niets anders dan verraad plegen wanneer je van de ene moeder naar de andere gaat." En elders: "Een vrouw die een knaap verleidt, geeft zich nooit. Ze helpt hem hoogstens haar te nemen."

Echt schokken deed deze literatuur niet meer. Hij wordt ook gedragen door de loutering der jaren en een psychologische diepte die in het jeugdwerk ontbraken. De zeden waren intussen ook veranderd. Op haar oude dag werd de infame Colette van vroeger waardig genoeg bevonden om lid te worden van de prestigieuze Académie Goncourt, ook al had de stichter, Edmond de Goncourt, bij testament bepaald dat er geen vrouwen, joden of dichters zitting mochten nemen. Colette vormde de tweede uitzondering op de regel.

Ze hield van de bijeenkomsten van de Académie, niet alleen omwille van het privilege maar ook omdat ze er mensen aantrof die haar nog hadden gekend als de straatkat en zigeuner van weleer. Ze liep stilaan tegen de zeventig aan. Het woelige, frivole, gevaarlijke Parijs van rond de eeuwwisseling was voorgoed verdwenen. Frankrijk beleefde de naweeën van de Tweede Wereldoorlog en vervolgde zijn collaborateurs, maar Colette had het verleden al vereeuwigd.

In Le Pure et L’impure, geschreven in de jaren voor de oorlog, was ze teruggekeerd naar de wereld die Willy en Missy haar leerden kennen. Het is haar meesterwerk, een afdaling in een erotische onderwereld die ons met een Danteske monumentaliteit wordt afgeschilderd. Haar blik bezit nog altijd de rauwheid en scherpte van de boerse Claudine, maar verrijkt met de duizelingwekkende ervaring van een leven dat er honderd in één is geweest. Nog één keer neemt Colette de figuren die deze onderwereld bevolken onder ogen. De travestieten, de verslaafde hoeren, de schandknapen, de bohémiens en de homo's, ooit haar lievelingen wegens hun moed, hun geflirt met het gevaar, "de onleesbare cryptogrammen van de punt van een mes op hun keel".

Nu zijn ze allemaal gelijk, de moraalridders en de verworpenen, de zuiveren en de onzuiveren. "Wat wij allen gemeen hebben, is een zekere schroom. We durven nooit toegeven dat we elkaar nodig hebben. Een dergelijke reserve doet dienst als een gedragscode en vestigt wat ik een 'etiquette van overlevenden noem'. Zouden wij, overlevenden van de schipbreuk, op de klippen geworpen door hun gebroken vaartuig, niet de meest zorgzame scheepsmaten moeten zijn?"

Jonglerend met beeldspraak en alle registers van de taal geeft Colette, de geboren actrice, het levende masker, zich eindelijk bloot, door met al haar vroegere gestalten tegelijk te goochelen. Een voor een laat ze de schimmen uit het verleden hun geheimen van het vlees opbiechten, hun honger naar vervulling van de eeuwige leegte in hun wezen.

Het jongensachtige meisje van weleer was intussen volledig opgelost in de voluptueuze rondingen van een echte matrone. Bij haar benoeming tot voorzitster van de Académie (Edmond de Goncourt keerde zich om in zijn graf) moest ze zich door krukken laten stutten. De jaren hadden haar herschapen in een gebergte van vlees dat bij de minste beweging sidderde alsof het door ontelbare spoken werd bewoond. "Al die rusteloze geesten, nooit hersteld van de wonden opgelopen in het verleden, toen ze frontaal of in hun volle breedte te pletter liepen op dat koraalrif, het mysterieuze en onbegrijpelijke mensenlijf."

Erwin Mortier

Links
Voor nieuwsgierigen/kooplustigen
Meer biografische info bij ROSA
Interview met biografe Judith Thurman