Herbert grijpt de tragische geschiedenis van Edwin Dyett aan om in Harry Penrose een jonge soldaat te scheppen die aanvankelijk met jeugdige overmoed, irritant plichtsbesef en een aandoenlijke zucht naar heroïsme het slagveld betreedt, en beetje bij beetje zijn blindheid voor de ware ellende verliest.
De Volkskrant-Cicero, 2 juni 2006
Telkens wanneer ik vanuit het zuiden naar Nederland kom, overvalt me niet alleen het gevoel dat Vlamen en Nederlanders, zoals het cliché wil, gescheiden worden door dezelfde taal. We zitten ook met een verschillend oorlogsverleden. De oorlog van 1914-1918 geldt boven de Moerdijk als een wat abstract onderdeel van de geschiedenis, terwijl in het zuiden die oorlog een van de ingrijpendste collectieve ervaringen in ons nationale verleden is geweest.
Zelf behoor ik tot de laatste generaties voor wie in de lessen geschiedenis de veteranen van toen werden uitgenodigd als levende historische documenten. In ieder dorp in Vlaanderen woonden wel een paar bejaarde boeren die als knaap in de loopgraven van het westelijk front hadden gediend. De Grote Oorlog noemden zij, hoorbaar in kapitalen uitgesproken, wat in onze leerboeken inmiddels de Eerste Wereldoorlog heette, omdat uit die eerste nog een tweede wereldbrand was voortgekomen, al leek die op de oud-strijders van het IJzerfront niet diezelfde impact te hebben gehad.
Het was alsof zij de mentale klap die het eerste mondiale conflict in de geschiedenis betekend moet hebben frontaal hadden opgevangen en daar nooit meer van hersteld waren. Ik ben er zeker van dat ze ons tijdens die lessen nooit de volle omvang van de gruwel verteld hebben. Ik weet dat, omdat in veel gevallen pas na hun dood dagboeknotities, brieven of memoriegeschriften aan het licht kwamen, verzameld door lokale historici en opgeslagen in heemkundige archieven.
Iets van de totale ontreddering van die eerste wereldoorlog ligt daar met een ongekende directheid in opgeslagen, juist door de onbeholpen schriftuur van die jongens van toen, die meer vertrouwd waren met de ploegschaar dan met de pen. Oorlog komt uit hun bladzijden naar voren als een oerkracht die ontelbare levens verstrooit en ze als lucifers in een vingerknip knakt.
Een van die lucifers is Harry Penrose, de tragische held, en 'lafaard' tegelijk, in A.P. Herberts 'De verborgen strijd', een klassieker onder oorlogsromans, in 1919 verschenen als 'The Secret Battle' en nu, rijkelijk laat, in het Nederlands vertaald. Een fictieve held, die Penrose, en ook weer niet, want Herbert liet zich voor zijn roman inspireren door de desertie en uiteindelijke executie van ene Edwin Dyett, een van de weinige officieren die in oorlogstijd tot de dood met de kogel werden veroordeeld.
Dyett werd wellicht gefusilleerd omdat zijn misdaad, weigeren om ten strijde te trekken in een zoveelste uitzichtloos offensief, voor een officier zo mogelijk nog onvergeeflijker werd geacht dan voor een gewoon soldaat. Zijn dood moest een voorbeeld stellen. Voor Dyett was het militaire debacle aan de Somme de gebeurtenis die zijn moraal definitief ondermijnde. Herbert had dan weer met eigen ogen een slachting gezien in een van die andere moordkuilen van de Eerste Wereldoorlog, het Turkse schiereiland Gallipoli, dat de Britten tussen de lente en winter van 1915 vergeefs en ten koste van duizenden levens wilden bezetten om de Turken, bondgenoten van de Duitsers, te verzwakken door het openen van een nieuw front.
In de figuur van Harry Penrose verwerkt Herbert zowel zijn eigen lotgevallen als die van Edwin Dyett, maar de roman is daarmee geen historisch verslag van twee veldslagen. Herbert grijpt de tragische geschiedenis van Dyett aan om in Harry Penrose een jonge soldaat te scheppen die aanvankelijk met jeugdige overmoed, irritant plichtsbesef en een aandoenlijke zucht naar heroïsme het slagveld betreedt, en beetje bij beetje zijn blindheid voor de ware ellende verliest.
Pakkend in al hun gruwel zijn de talloze doden, de verhakkelde lichamen der gesneuvelden die in het geweld niet begraven kunnen worden en waarmee Penrose en hun strijdmakkers hun dagen delen. Meer nog dan de gevechten en de trauma's van het strijdgewoel wegen deze zwijgende ontbindende lijken steeds zwaarder op Penrose's geweten, temeer daar sommige van zijn strijdmakkers sneuvelend onder zijn bevel hem al zijn illusies doen verliezen, tot hij er uiteindelijk genoeg van heeft, een zoveelste bevel tot optrekken negeert en zijn lot bezegelt.
Herbert noemde zijn roman geen aanklacht tegen de doodstraf op zich. De verborgen strijd is een verhaal over onmogelijkheden, over de oorlog in onszelf, die wordt opgeroepen door de oorlog daarbuiten; een van de extreemste omstandigheden waarin een mens terecht kan komen. Het is een verhaal over de onmogelijkheid om op zich nobele doelstellingen en idealen met elkaar te verzoenen: kameraadschap en gehoorzaamheid, loyaliteit en lijfsbehoud, en wat dies meer zij.
Maar ten gronde is de meest verkillende en onbehaaglijkste betekenis van dit boek de onmogelijkheid om, zoals Harry Penrose's proces voor de krijgsraad die hem ter dood zal veroordelen duidelijk maakt, ooit de waarheid over iemands handelen en motieven te achterhalen, over onze eigen onmogelijkheid om te oordelen over wat we niet zelf ervaren hebben, en dus over de radicale onmogelijkheid van het recht om echt rechtvaardig te kunnen zijn.
Herbert werpt deze vragen op in een tekst die zich nergens uitspreekt over het morele gehalte van de personages en die in zekere zin even sprekend zwijgzaam is als de veteranen van '14-'18 die ik nog heb gekend. Zij waren even gegrepen en getekend door een geschiedenis waarover elk oordeel te licht of te zwaar uitviel, en beperkten zich daarom tot getuigen.
Erwin Mortier
Links
› Meer info op wereldoorlog1418.nl
› AP Herbert op Wikipedia
› Herberts 'Misleading Cases', satire op het Britse recht in de legendarische T.V. adaptie door de BBC