EEN ENKELING

OVER NORBERT GSTREINS DEBUUT "EINER" (1988)

Naar aanleiding van het verschijnen van de Nederlandse vertaling van de roman "Einer" van de Oostenrijkse auteur Norbert Gstrein vroeg de redactie van de Standaard der Letteren Erwin Mortier om een artikel te schrijven over deze auteur en zijn intussen twintig jaar oude debuut. Beide schrijvers ontmoetten elkaar in het Brussels literatuurhuis Passa Porta, voor een gesprek gemodereerd door Gstreins vertaalster Els Snick.

Waar mijn boek over gaat? Over taal natuurlijk, waarover anders?’ lacht Norbert Gstrein, nadat zijn vertaalster, tot ons beider opluchting voor de grap, voorstelt om het gesprek dat we straks onder haar leiding zullen voeren, met die vraag, de nachtmerrie van elke schrijver, in te zetten. We zitten geprangd rond een tafeltje in een schaars verlichte Brusselse kroeg, het soort etablissement waar in de grauwe uurtjes, stel ik me voor, dure eden worden gezworen, revoluties beraamd en liefdes verklaard, op een straathoek van Passa Porta, het literatuurhuis waar later op de avond de Nederlandse vertaling van Gstreins debuutroman, bijna twintig jaar oud intussen, met het nodige ceremonieel boven de doopvont wordt gehouden.

Wanneer iemand aan een belendende tafel laat vallen dat het café tijdens de bezetting de favoriete hangplek van de in Brussel gelegerde SS-ers was, kan de sfeer niet meer stuk. Vlaanderen en Oostenrijk, elk met hun verbeten en verzwegen, verbloemde en vervalste geschiedenissen. Het ene een land van Alpen en sneeuw, het ander een hoop bezinksel, een tweedehands gebergte door een paar lamme rivieren horizontaal afgezet nabij de zee, waarboven wolkenhemels en volksmenners het ene luchtkasteel in het andere laten vergaan.

‘Ik ga maar twee glaasjes drinken,’ zegt Gstrein. ‘Als ik drink word ik al snel melancholisch, en dan vind ik mezelf en mijn boeken waardeloos.’ Ik verzwijg dat ik mens en wereld, mezelf incluis, doorgaans in nuchtere toestand aldus beschouw. Het is herfst, de aarde warmt op, maar de dagen blijven korten.

Hoe goedlachs Gstreins kwinkslag over het ‘werkelijke’ onderwerp van zijn boeken ook klinkt, hij is niet zonder grond. Geen honderd dertig bladzijden telt zijn debuut, maar de gecondenseerde, strak geritmeerde taal legt er een veelheid aan dimensies in bloot. Einer luidt de titel in de oorspronkelijke versie, hier nogal bizar vertaald als De dag dat ze Jakob kwamen halen. Niet de keuze van de vertaalster overigens, die een juweel van een tekst heeft afgeleverd. ‘Een enkeling’ ware misschien een betere titel geweest, want als we dan toch moeten ophoesten waar Gstreins debuut ‘over gaat’; de roman evoceert de gestage verenkeling, om een heideggeriaans germanisme niet te schuwen, van een jongeman tot een in alle opzichten verdachte buitenstaander. Hij groeit op in een onooglijke dorpsgemeenschap in een uithoek van een Alpendal. Vrijwel iedereen leeft er van het toerisme. Jakobs familie baat er één van de hotels uit die ’s winters vooral door Duitse skitoeristen bevolkt worden. De zomers zijn er een slepende opeenvolging van lege kamers.
Erg geschikt om mee te helpen in de heksenketel die het skiseizoen jaarlijks in de plaatselijke horeca ontketent, lijkt Jakob nooit geweest te zijn: ‘Vader sprak hem weldra vrij van elke plicht en stond hoofdschuddend achter de toog, zei geen woord of begon al te foeteren als Jakob zelfs maar in de buurt kwam; hij keek hem bij het kleinste werkje op de vingers en liet hem ten slotte zelfs dat niet meer uitvoeren, of het bevestigde hem in zijn oordeel wanneer hij een bord liet vallen, een kan melk omgooide of anderszins stuntelde – na verloop van tijd wellicht met opzet – tot hij hem ten slotte alleen nog maar linkerpoot noemde.’

Hiermee is de eerste stap in Jakobs uitdrijving uit zijn familie en gemeenschap ingezet. Hij trekt een wereld van boeken rond zich op, gaat op zijn vijftiende op kostschool in de stad, maar wordt er door zijn medeleerlingen vernederd en ronduit mishandeld. Het zal geen toeval zijn dat juist Jakobs taal, zijn ruige bergdialect, het mikpunt vormt van de kwellingen die hij in het schoolmilieu moet ondergaan. Jakob wordt er het slachtoffer van de verschrikkelijke identificatie van een individu met de eigenaardigheden van zijn moedertaal, een taal die in wezen anoniem is, die met al zijn perspectieven en beperkingen tot ons komt, te nemen of te laten, maar eigenlijk zelfs niet eens te laten. Hoogstens kunnen we proberen om de minimale speelruimte die een taal ons biedt zo maximaal mogelijk te exploiteren. Dat heet dan allicht proza of poëzie, een immer precaire vorm van verzet waartoe Jakob niet in staat blijkt. Vervuld van schaamte keert hij uit de stad naar zijn geboortedorp terug. In de ogen van de kleine gemeenschap is hij nu een mislukkeling die zich steeds verder afzondert, een rare kwast die veel drinkt en vooral veel zwijgt, te aangeslagen om over zijn martelgang te praten. Alleen bij een oude jeugdliefde lijkt hij heel even rust te vinden, maar zij blijkt niet in staat om de dynamiek van uitsluiting en zelfgekozen afzondering te stuiten. De betekenissen die het woordenboek onder het woord ‘liefde’ opsomt, lijken hem uit de taal zelf te verbannen: “Omdat het in het dialect niet bestond, leek het geschreven woord op zichzelf te staan en niet bij de andere te horen; hij bekeek het verwonderd van alle kanten en had het liefst zijn vlakke hand onder de zwarte tekst geschoven, onder de inkt om het los te maken van het papier waaraan het vastzat en het om te draaien, tot het geen enkel geheim meer had… ‘Jakobs verdrijving uit tal van contexten dringt dus ook door tot op het niveau van de taal, het vehikel bij uitstek van het zelfbewustzijn. Een onbetrouwbaar voertuig, maar het enige wat we hebben.

Het is een cruciale passage in deze roman, die overduidelijk knipoogt naar de zeer Oostenrijkse traditie van de anti-heimatliteratuur en haar frontale aanvallen op de historisch zwaarbeladen bejubeling van de eigen bodem, maar Gstreins verhaal overstijgt zeer bewust de conventies van het genre en begeeft zich op een universeler plan. Als een op dag het lijk van een vrouw wordt aangetroffen groeit bij de lezer het vermoeden dat Jakob ook zijn oude geliefde uit zijn wereld heeft gebannen, en wel op de meest drastische wijze denkbaar. Overigens vertel ik een en ander hier op een veel rechtlijniger wijze dan in het boek gebeurt. De roman vangt aan op het ogenblik dat de politiediensten bij Jakobs moeder aankloppen en haar in de keuken van het hotel ondervragen, net als Jakobs broers en een handvol kennissen. Nergens verlaat het verhaal die piepkleine ruimte, maar de monologen van de verschillende ‘getuigen’ voeren ons in steeds bredere ellipsen door ruimte en tijd. Jakob zelf komt daarbij nooit direct aan het woord. Hij is in wezen niet meer dan een silhouet dat wordt opgevuld door de vertelsels van de anderen. Het verhaal laat je achter met veel vermoedens, het dwingt je in de huid van de verschillende karakters, met hun veronderstellingen, vooroordelen en rancunes, en leidt je indirect naar een zeer cruciale, maar heikele vraag: wat is waarheid?

Het is een kwestie die Gstrein in de boeken die op zijn debuut volgden vanuit de benauwde Oostenrijkse Alpen steeds verder naar de rest van Europa laten kijken. Zijn traject als schrijver gaat van de kleine geschiedenis naar de grote. Zijn werk laat zien hoe we ons door het bestaan bewegen omgeven door een persoonlijk dampkring van taal. Verhalen, anekdotes, herinneringen, onuitgesproken veronderstellingen en oordelen over onszelf en de wereld, klonteren erin samen zoals in de ruimte gasnevels zich verdichten tot sterrenstelsels, interstellair gruis en planeten. Die voortdurende ‘uitstoot’ van narratief materiaal voorziet ons als het ware van een hemel vol lichtpunten, aan de hand waarvan we ons oriënteren, min of meer als zeevaarders zonder kompas, maar vaak lezen we er patronen in die even mythisch zijn als de sterrenbeelden van de Antieken. Gstreins oeuvre laat zich aldus nog het rechtvaardigst samenvatten als een blootleggen van die voortdurende ‘verdichting’ van onszelf. Wat speelt daar bewust en onbewust in mee? Hoe vertellen we onze geschiedenissen, het individuele evengoed als het collectieve verleden, of de actualiteit die dag na dag, uur na uur, uit brokstukken van andere verhalen en veronderstellingen samengesmolten wordt?

In zijn debuut ontvouwt Gstgrein een vertelling die met honderd paar oren zichzelf beluistert en zijn lezers ertoe noopt hetzelfde te doen. Ieder woord dat erin valt, is even relevant als ontoereikend. Toen ik een paar dagen voor de voorstelling van zijn roman met de auteur en zijn vertaalster door de zalen van het Gentse Guislainmuseum liep, vertelde ik hem het verhaal van een psychiatrische patiënt die een dusdanige afkeer van zijn moedertaal ontwikkelde dat hij, in een poging om aan de beknelling ervan te ontsnappen, op eigen houtje een volledige nieuwe taal ontwierp. De spellingsregels, grammatica en woordenschat ervan legde hij neer in een immens dik boek.

‘Dat is pas een schrijver,’ grapte ik. ‘Wij wantrouwen de woorden maar we blijven ze ondertussen wel gebruiken.’

‘Ja, dat is waar,’ lachte hij. En we zwegen. Zoals Jakob zwijgt. Zoals de taal zelf zwijgend verklapt hoe weinigzeggend hij in wezen uitvalt. De dag dat ze Jakob kwamen halen is eigenlijk een boek vol stilte. De stilte van een bergdal in de sneeuw. De stilte van vers gevallen vlokken die zo zinnelijk onder je zolen kunnen knerpen, zo tastbaar, maar o zo onvast.

Erwin Mortier

Links
De Standaard on line
Uitgeverij Cossee, Gstreins Nederlandse uitgever