GERED UIT DE VLAAMSE VERGEETPUT

BIJ DE VERSCHIJNING VAN RICHARD MINNES VERZAMELD WERK

Hoe verzameld kan het Verzameld Werk zijn van een auteur als Richard Minne (1891-1965), die zichzelf qua arbeidsritme zonder blozen typeerde als een slak? ‘Ik maak kladden, lapsussen en andere mooie zaken. Ik begin, her-begin en her-herbegin. De dagen zijn te kort voor mij.’

Zijn "Verzameld Werk", dik driehonderd dertig bladzijden poëzie en proza, biedt desondanks reden genoeg om een stoel te beklimmen en de loftrompet te voorschijn te halen. Vlaanderen kent een kwalijke traditie van vergetelheid als het op zijn literaire helden aankomt. Verzamelde Werken zijn hier haast onvermijdelijk literaire mausolea die een auteur vrij letterlijk bijzetten in de canon, waarna men de kraag dichttrekt en door de motregen huiswaarts treedt. In het geval van Richard Minne zou dat dubbel jammer zijn.

Er is om te beginnen de onmiskenbare kwaliteit van dat werk. Minne was de eerste anarchist in onze letteren: stuurs, rebels en zoals zijn zelfportret als slak laat zien, immer gekweld door twijfel aan zijn eigen kunnen. Of zonder die zelfkwelling zijn verzameld werk lijviger was uitgevallen, valt te bezien.

Minnes gepieker vormt, nu eens spits en geestig, dan weer bitter of melancholisch, een onmisbaar onderdeel van zijn poëtica. Zijn verskunst is doorschoten van een soms mild, niet zelden bijtend scepticisme tegenover de verheven aanspraken der dichtkunst, de zijne incluis. Wie over dichters ‘uit den ouden tijd’ de volgende regels schrijft: ‘Wie er soms nog zulk een mocht vinden/ wordt vriendelijk verzocht/ zorgvuldig hem in stroo te winden/ en te bestellen, onder melding: poëzie,/ aan het museum voor archeologie’, die kan allicht niets ander dan ook de eigen arbeid voortdurend op de korrel nemen.

De invloed van Minnes in omvang zeer bescheiden werk is in de decennia na zijn dood mede daardoor immens gebleken. Na hem komen Boon, de tedere anarchist, en Claus, de meest speelse van onze beeldenstormers, en ik ken weinig vakbroers en –zussen in wier bibliotheek Richard Minne ontbreekt. Geen bloemlezing laat zijn dichtwerk onvermeld, en begin dit jaar nog vergezelde een van zijn verzen Gerard Reve naar zijn laatste rustplaats in Machelen.

Maar in Minnes oeuvre zit nog een ander aspect, even onvervreemdbaar als de artistieke opvattingen die ermee verbonden zijn. Zonder Richard Minne zou Gent, zijn geboortestad en levenslang het ijkpunt van zijn denkwereld, Gent niet zijn, en zonder Gent was Minne Minne niet. Hij belichaamt als weinig andere auteurs die er geboren zijn de paradoxen en spanningsvelden die de stad sinds haar ontstaan meer dan een millennium geleden beheersen, en die altijd een vruchtbare voedingsbodem zijn geweest voor een even dwars als heterogeen cultureel leven. Gent: Frans en Vlaams tegelijk, met nog steeds een toets van Spaanse donkerte en heimelijke passie.

Een stad van verzet en politieke strijd ook, tegen de almacht van vorsten of kapitalisten. Een intellectueel centrum in een korst van arbeiderswijken, waar de nazaten van het proletariaat samenleven met de zich opwerkende sociale onderklasse van vandaag; de nieuwe Gentenaars van vooral mediterrane afkomst en jonge hooggeschoolden die er na hun studies blijven hangen. Een stad ten slotte, aan de onduidelijke monding van twee rivieren. Leie en Schelde strekken er op verschillende plaatsen hun lome armen naar elkaar uit. ‘Ze worden goed verzorgd’, schrijft Minne erover in zijn "Aantekeningen van een Gentenaar". ‘Uitgebaggerd op bepaalde tijdstippen en af en toe een dichter, die ze bezingt.’

Gent zelf is met de nagedachtenis van zijn stadsdichter par excellence helaas niet zo zorgzaam omgesprongen. Literaire bedevaarders die de plaatsen willen bezoeken waar hij opgroeide, moeten tegen veel kaalslag bestand zijn. Zelfs zijn laatste woning te Latem, in het idyllische maar tegenwoordig nogal artificieel lieflijk gehouden Leieland net buiten de stad, werd een kleine tien jaar geleden ongenadig tegen de vlakte gegooid. Valt zulks alleen maar te betreuren, erger zou het zijn indien Minnes pennevruchten die buiten het bestek van dit "Verzameld Werk" vallen in de Vlaamse vergeetput terechtkomen. Selecties daaruit zijn ooit, in soms zeer beperkte oplagen, her en der verschenen, maar men moet al een doorgewinterde ontdekkingsreiziger in antiquariaten zijn om ze op het spoor te komen.

En wat met die ‘lapsussen en andere mooie zaken’? Zelfs in onvoltooide teksten blijft Minne boeiend. Zou het verzamelde verswerk en proza niet vergezeld moeten gaan van een soort schaduwcorpus, het "Herbegonnen Werk"? En wat met Minnes journalistiek? Met de opstellen over het werk van voorgangers en tijdgenoten, de cursiefjes die hij schreef voor het socialistische dagblad Vooruit? Wat met zijn onvolprezen "Aantekeningen van een Gentenaar?" En ik zou het waarschijnlijk allerbelangrijkste nog vergeten: Minne die samen met kunstschilder Frits Van den Berghe de zeer Gentse "Brieven van Pierken" in het leven riep, en op slag een immens populaire satiricus werd.

Vlaanderen en satire, dat wil maar niet boteren, maar Minne vormt op die trieste regel de stralende uitzondering. Met name in die geschriften, en ook in de brieven (waarvan op termijn wel een uitgave te verwachten valt), laat Minne, die naar eigen zeggen na twee dichtbundels ‘uitgepoëzijd’ was, zich niettemin als een rasdichter kennen. Iemand die de volkstaal als een waardevol erts beziet, er speels op in hamert, en hem omtovert tot een vitaal onderdeel van zijn eigen idioom.

Veel meer dan een slak was Richard Minne dus eigenlijk een noodgedwongen literaire duizendpoot, die alle kanten op kronkelde. Hij stierf in het jaar dat ik geboren werd, hij was van de generatie van mijn overgrootouders, getekend en gevormd door twee oorlogen en een land in de overgang naar de moderniteit.

Waar mijn biologische voorgeslacht intussen vervaagd is tot wat bleke foto’s en losse anekdotes hoef ik Minne maar open te slaan om hem springlevend te horen lachen en grienen en vloeken. In de boekenkast maak ik dus met veel ontroering en bewondering plaats voor hem, en wat nog komen mag zal ik met dankbaarheid aanvaarden.

Intussen kijk ik vanuit zijn oeuvre naar een Vlaanderen en een Gent dat er zonder zijn werk stukken schraler zou uitzien. En ik verzucht daarbij niet zelden met hem: ‘We spreken reeds beschaafd (in afwachting dat we het zijn).’

Erwin Mortier
(Verschenen in De Volkskrant-Cicero, 8 december 2006).

Richard Minne, "Verzameld Werk." Bezorgd door Yves T’Sjoen. Uitgever: Van Oorschot. 364 pagina's

Links
De boekensectie van de webstek van De Volkskrant
Richard Wie? Lees meer op de stek van Minne-biograaf Marco Daane
Minne, Gents stadsdichter par excellence: lees de tekst van Yves T\'Sjoen op de steengoeie site Literair Gent