In de zomer van 1997 nodigde Gerard Reve de toen nog niet gedebuteerde schrijver en zijn partner uit voor een verblijf op het welhaast mythische Geheime Landgoed, Reve's schrijfplek in Frankrijk.
Het betekende een soms schrijnende confrontatie met de obsessies en demonen van de grote volksschrijver. Het dagboek dat hij tijdens die dagen bijhield, brengt Erwin Mortier nu, bijna tien jaar later in de openbaarheid: "Het leek me belangrijk om aan te tonen uit welke existentiële en psychische gronden dat prachtige oeuvre tevoorschijn is gekomen," zegt Mortier tijdens een gespek met Christophe Vekeman, in De Morgen.
In zijn nawoord geeft Erwin Mortier verder te kennen dat hij hoopt dat zijn dagboek mag bijdragen aan een meer genuanceerde visie op het oeuvre en de figuur van Gerard Reve. Een paar uittreksels:
"Wanneer men zegt dat Reve moeilijk een intellectuele schrijver genoemd kan worden, bedoelt men wellicht dat zijn schriftuur wars is van intellectualisme – een niet onbelangrijke nuance. Bij Reve vormt het werk de ruimte bij uitstek waarbinnen de paradoxen van zijn levensopvatting mogen spelen en verkend kunnen worden. Ik begon me af te vragen of de reviaanse ironie niet eerdereen ‘geveinsd veinzen’ betrof dan een geveinsde oprechtheid; een speelsheid die de waarachtigheid van Gerards religieuze ervaringswereld moest verlichten,in meerdere betekenissen van het woord. Ik begon Gerards ironie met andere woorden te bezien als een vehikel waarmee hij poogde om toch te spreken over die zaken waarover men volgens Wittgenstein dient te zwijgen omdat ze zich buiten het voor de rede vatbare bevinden. Ironie als een manier om ‘een weten zonder weten’ uit te drukken en tegelijk duidelijk te maken dat elke verwoording van dat weten een hoge mate van betrekkelijkheid bezit."
....
"Van de Grote Drie is Gerard diegene die op rationele gronden heeft besloten dat hij, wilde hij zichzelf redden, zijn angsten en obsessies
van een cultuurhistorisch referentiekader moest voorzien, dat de ratio niet verwerpt maar haar met een gezond voorbehoud benadert. Gerard heeft als het ware in een nuchtere analyse van zijn eigen gesteldheid besloten dat voor hem het antwoord schuilde in de cultivering van zijn eigen irrationaliteit,door haar te verknopen met tradities als die van de religie en wat hij de romanties-dekadente kunst noemde, waarin het buitenredelijke altijd een plaats heeft gehad. Hij heeft zijn eigen antwoord gegeven op dezelfde kwesties die ook het oeuvre van Hermans en Mulisch bespoken."
In het gesprek met Christophe Vekeman wijst Mortier verder op het belang van Reve's afstand tot de actualiteit en het zogenaamde geëngageerde schrijven:
"Je moet ons, schrijvers, niet lastigvallen met dat soort kwesties, vind ik. In deze tijd, waarin de kerk afgeschaft is, waarin de politiek elke geloofwaardigheid verloren heeft en waarin de vraag kan worden gesteld in hoeverre de media ons de wereld tonen zoals zij is, is er vanzelf een behoefte ontstaan aan een betekenisvolle realiteit. Maar de taak om aan die behoefte tegemoet te komen, lijkt nu bijna geheel te rusten op de schouders van de schrijvers, van wie verwacht wordt dat zij haast Pavloviaans reageren op elke gebeurtenis in de maatschappij. Ik sta daar heel huiverig tegenover. Vandaar ook mijn heftige uitvallen naar het heersende cultuurbeleid. Trouwens, ook de literatuurbeschouwing, die hoe langer hoe meer neigt naar een voorliefde voor het journalistieke, draagt in dit verband schuld."
Links
› Het Interview over 'Avonden op het Langdoed', op de webstek van De Morgen
› Het boek te koop
› Reve spreekt: "Kunst heeft geen nut, is niet maatschappelijk, en is evenals haar tweelingzuster de religie, in maatschappelijk opzicht a-moreel."