DE WARME EN KOUDE IDEEËN VAN WILLIAM SOUTAR

OVER DIENS 'DAGBOEK VAN EEN STERVENDE'

'In dit dagboek is een man aan het woord die het schrijven in zijn warme bloed had, voor wie proza en verswerk niet alleen maar maaksels zijn. Had de ziekte zijn vingers verlamd, hij had wellicht literatuur getranspireerd. Je hebt schrijvers en je hebt auteurs. Soutar was een schrijver.'
Verschenen in De Volkskrant - Cicero, 9 maart 2007

Dichters moeten dicht bij de aarde blijven’, noteerde de Schot William Soutar in december 1932 in zijn dagboek. ‘De verraderlijkste verleiding waaraan dichters blootstaan is het luchtruim, waarin zij zichzelf verliezen in een ideale wereld.’ Soutars dagboek was toen een jaar oud en zou zich uitstrekken tot een paar uur voor zijn dood, elf jaar later. Fysiek het luchtruim opzoeken was er voor hem, zelf een dichter behorende tot de zogenoemde Schotse Renaissance, toen allang niet meer bij. Tien jaar eerder had zich de ziekte gemanifesteerd die hem rond zijn dertigste voor de rest van zijn leven in toenemende mate aan zijn bed kluisterde, in een tot appartement verbouwde kamer in zijn ouderlijk huis, met uitzicht op de tuin, zijn enige venster op de buitenwereld.
Voor een man met een grote honger naar het leven, naar ideeën, en voorzien van een robuuste seksuele appetijt, moet het een verschrikkelijke kwelling geweest zijn, maar wie in zijn dagboek op zoek gaat naar lamenten of verwerkingsprocessen doet vergeefse moeite.
Soutar blijft altijd nuchter. Het gevolg misschien van zijn academische vorming aan de universiteit van Edinburgh, waar sinds de Schotse Verlichting de empirie ver boven metafysische speculaties werd verkozen. Maar het zat ook in zijn eigen karakter: ‘Soms denk ik dat ik het verlies van de buitenwereld scherper had aangevoeld als ik haar vuriger had liefgehad’.

Het raam in zijn kamer, dagelijkse brieven, lectuur en een constante stroom bezoekers vormden met de jaren de enige contacten met de buitenwereld. Soutar kon er zo intens in opgaan, dat niet alleen hijzelf soms vergat dat hij in wezen onder huisarrest leefde, een situatie die hij met onderkoelde humor kan neerzetten: ‘Eén van mijn kleine arroganties is dat ik praat over huidige films alsof ik ze gezien heb. De volharding waarmee ik dit doe heeft, lijkt me, de absurditeit van mijn opmerkingen zo overwoekerd dat het merendeel van mijn vrienden geen acht meer slaat op het feit dat ik al in meer dan vijftien jaar geen bioscoop heb bezocht.’

Een van de treffende aspecten van dit dagboek is die voortdurende reflectie op de arbeid van de dagboekschrijver. Wat die op het ogenblik zelf als belangwekkend noteert, kan jaren na dato niet méér blijken dan een onbenulligheid. Omgekeerd kan een achteloos op het vel geworpen observatie na verloop van tijd van groot inzicht getuigen. De dagboekschrijver converseert volgens Soutar ‘openlijk en zonder pose, zodat ook trivialiteiten aan bod komen en de intieme kleine bekentenissen en besluiten die moeten worden geuit in een privé-biecht als deze’. We hebben hem, met andere woorden, maar te nemen of te laten.

Het genre van het dagboek zal altijd wel zijn vurige liefhebbers kennen en zijn koele minnaars, het is per definitie brokkelig en onaf, het medium van de inval, het aforisme, de schets. Voor de een waait door zulke geschriften een deugd doende frisheid, anderen ervaren ze als een allegaartje. Ik behoor tot de eerste categorie. Akkoord, in zijn observaties over poëzie kan Soutar behoorlijk drammerig worden, zeker wanneer hij zijn observaties over de dichtkunst verbindt met de Schotse poëzie in het bijzonder, waar hij, door zijn vurige nationalisme, nogal veel, te veel wellicht, van eist. Maar wat hij over de kunsten schrijft stemt nog steeds tot nadenken, en het is altijd scherp verwoord. ‘Een idee kan heet of koud zijn’, noteert hij. ‘Een heet idee komt uit de ervaringswereld – dat wil zeggen dat de geest het beziet met emotie, het koude idee wordt slechts ervaren door het intellect.’

Soutar heeft me alleszins niet koud gelaten. In zijn dagboek is een man aan het woord die het schrijven in zijn warme bloed had, voor wie proza en verswerk niet alleen maar maaksels zijn. Had de ziekte zijn vingers verlamd, hij had wellicht literatuur getranspireerd. Je hebt schrijvers en je hebt auteurs. Soutar was een schrijver.

Wanneer zijn artsen kort voor zijn dood boven op zijn chronische ziekte ook nog eens tuberculose vaststellen, beseft hij dat het einde nabij is. Ook dan slaat zijn dagboek niet aan het klagen of snotteren. Zijn taal gaat zonder omwegen tot op het bot. ‘Gisteren schoot me door het hoofd dat ik niet meer fluit of zing. Dit wijst niet op een depressie. Ik heb gewoon geen lucht meer.’ Hij stierf een jaar later. De enige rechtvaardiging voor het leven, stelde hij aan het begin van zijn dagboek, ligt in het feit dat we ons met anderen op een aarde bevinden die dagelijks een antwoord van ons verlangt. William Soutar heeft de wereld op indrukwekkende wijze van repliek gediend.

Erwin Mortier

William Soutar, Dagboek van een stervende (vertaling van Diary of a Dying Man), vertaald, ingeleid en geannoteerd door Harry van Oltheten. Uitgeverij Vorroux, 310 pagina’s.

Links
Een heerlijk uitgebreide bespreking, bij Achille van den Branden
Een fragment, bij de Prins van Denemarken
Voor wie het boek wil kopen