SCHRIJVEN ALS EEN KOKMEEUW

DE BRIEVEN VAN KEATS VERTAALD

Ter gelegenheid van de vertaling van de brieven van John Keats verzocht de boekenredactie van De Volkskrant Erwin Mortier om de uitgave te lezen. Gerlof Janzen leverde een wondermooie vertaling af, aldus Mortier. De man is dan ook niet aan zijn proefstuk toe. Stilaan vormt Janzen een eenmans-luchtbrug tussen de Britse Romantiek en de Nederlandse Letteren. Eerder al bracht hij - onder meer - een selectie uit de correspondentie van Oscar Wilde en grasduinde hij uitbundig in de lichtelijk geweldige dagboeken van William Beckford. Naar verluidt staalt Heer Janzen momenteel de spieren voor een nieuwe vertaling van Keats' "Hyperion." Mogen de muzen hem genadig zijn.

‘Als ik lange brieven neerpen moet ik mijn grillen kunnen botvieren’, schrijft de Britse dichter John Keats (1795-1821) in één van zijn langere brieven. ‘Ik moet te zwaar op de hand kunnen zijn of te luchthartig, bladzijden lang, ik moet grillig kunnen zijn en vrij in al mijn tropen en metaforen. Ik moet mijn damspel kunnen spelen zoals ik dat wil, en voor mijn eigen bestwil en jouw eruditie, een witte steen met een zwarte bekronen, of een zwarte met een witte en naar zwart of wit bewegen, precies zo veraf en dichtbij als het mij uitkomt.’

Hiermee vat de dichter zelf beknopt samen wat het lezen van zijn correspondentie tot zo’n adembenemende ervaring maakt. De brieven, die de neerslag vormen van een al te kort leven, behoren tot het mooiste wat de Engelse letteren hebben voortgebracht: zinnen van een kwikzilverachtige souplesse, aangevuurd door een geest die alle aspecten van het bestaan in zich op wil zuigen, en met zichtbaar, leesbaar plezier over de bladzijden buitelt: ‘Heb je geen kokmeeuw gezien, of een zwaardwalvis, of een stormmeeuw, of wat dan ook, om deze regel fatsoenlijk op lengte te brengen en dit open gedeelte op te vullen, zodat ik, net als de meeuw een duikvlucht kan maken (niet uit het beeld, hoop ik), en ook, als een meeuw, zo gelukkig zal zijn een flinke vis te vangen.’

De lezer kan wat dat betreft volle fuiken inhalen, op elke bladzijde van deze collectie valt wel iets te vangen. Keats mokt met stijl, geilt met stijl, hunkert en wanhoopt met stijl en denkt met stijl.

Dik vijfhonderd bladzijden beslaat deze zeer welkome en wondermooie vertaling van dit vitale onderdeel van Keats’ literaire productie, en dan gaat het nog om een selectie, en dan nog werd omwille van de leesbaarheid hier en daar een vers weggelaten. Als men daarbij bedenkt dat alles geschreven werd in de laatste vijf jaar van zijn leven, dringt zich de niet geheel rechtvaardige bedenking op dat Keats’ dichtwerk bijna een voetnoot bij het epistolaire oeuvre vormt.

Niet helemaal rechtvaardig, maar ook niet ongerechtvaardigd. Het is duidelijk dat de dichter zich bewust was van de waarde van de epistels die hij op familieleden, illustere vrienden en zijn verloofde Fanny Brawne losliet. Geregeld laat hij zich uit over de aard van het schrijven, van wat een briefschrijver vermag, en door welke beperkingen hij bespookt wordt:

‘Schrijven heeft dit nadeel ten opzichte van spreken: je kunt een knipoog niet opschrijven, of een knikje, of een grijns, of het samenknijpen van de lippen, of een glimlach – o wetmatigheid. Ik kan terwijl ik schrijf niet mijn vinger naar mijn neus brengen, of je in de ribben porren, of je bij een knoop vastgrijpen, maar je moet je in alle levendigste en meest hilarische gedeeltes van mijn brief steeds, zoals de epische dichter zegt, voorstellen dat ik nu eens hier dan weer daar zit, nu eens met ene voet naar het plafond wijzend, dan weer met de andere, nu met mijn pen op mijn oor, dan weer met mijn elleboog in mijn mond.’ De passage is geestig en genereus, maar laat ook blijken dat de afzender zijn geschriften niet als vluchtige akkefietjes bezag.

Lezing van zijn brieven stelt alleszins het imago bij dat na zijn voortijdige dood rond de dichter werd opgebouwd, door vriend en vijand. Keats als het archetype van het Romantische Genie; een begaafd, ziekelijk, overgevoelig, seksueel ambigu, hypersubjectief geval. Het type artistiekeling dat gedurig aan diep in de roerselen van eigen ziel of een kopje koffie blikt en bij voorkeur jong sterft.

Uit de correspondentie komt daarentegen een robuuste twintiger naar voren, zelfverzekerd, humeurig, libidineus, nu eens bedachtzaam dan weer uitgelaten, en zeker niet vrij van twijfels: ‘Ik ben drieëntwintig jaar, met weinig kennis en een middelmatig verstand. Er zijn me weliswaar in mijn opperste vervoering een paar mooie regels ontfutseld maar dat heeft niets te betekenen.’

Zijn eerste bundel, "Endymion, or a Poetical Romance" (1817), was toen al uit, en die was, om het zacht uit te drukken, nogal koeltjes ontvangen. ‘Een jochie met snoezige vermogens die hij met al zijn krachten heeft verknald’, luidde het oordeel van de prestigieuze Quarterly Review.

Toegegeven, Endymion is een onevenwichtige bundel, maar je moet al blind zijn om er niet ook de grote kwaliteiten van te zien. Wellicht speelden andere motieven mee. Keats was een atypische debutant. Geen gentleman, dat wil zeggen afkomstig uit de hogere burgerij of de aristocratie. Hij was de zoon van een stalhouder, al heel jong wees geworden, en min of meer uit noodzaak een opleiding tot chirurgijn-apotheker ingeduwd.

Niet de meest hippe professie in die tijd, en hij leerde het vak al evenmin aan die instellingen waar zowat alle letterkundigen en hun recensenten onderwijs genoten hadden; de dure kostscholen en universiteiten, met hun grote aandacht voor de klassieke auteurs en de oude talen.

Keats heeft dit steeds als een gebrek ervaren, maar de vraag is of zijn talent in dat rigide milieu wel had kunnen gedijen. Na zijn studie geneeskunde gooide hij zich vol overgave op de poëzie en scherpte zijn talent aan dat van illustere groten als Shakespeare, Milton en Spenser, of tijdgenoten als Wordsworth en Coleridge, de eerste generatie der Romantische poëten.

Dat hij zijn ambities niet bepaald onder stoelen of banken stak, ook niet in het voorwoord tot zijn debuut, zal zeker mee de vijandige reacties hebben uitgelokt, maar evenzeer was de afwijzing bedoeld om een sociale buitenstaander terug te meppen naar waar hij vandaan kwam. Gelukkig vond de jongeman ook medestanders en sympathisanten in artistieke kringen, onder meer bij de excentrieke schilder Benjamin Haydon en de dichter John Hamilton Reynolds.

Keats brieven aan zijn vrienden behoren tot de boeiendste in de hele correspondentie. Ze trekken een veilig onderkomen op rond de dichter, waar hij in alle vrijheid over zijn kunst kan speculeren en zijn talent tot rijping brengt, ver van het gekonkel en getater van de literaire wereld met zijn kliekjes en stammentwisten. Keats legt er de grondslag voor een kijk op het kunstenaarschap dat tot vandaag van grote invloed blijft. ‘Wat betreft het Poëtische Personage zelf (ik bedoel de soort waarvan ik, zo ik al iets ben, lid ben…) het is zichzelf niet – het heeft geen zelf – het is alles en niets – het heeft geen karakter – het geniet van licht en schaduw; het leeft in genot, of dat nu grof of fatsoenlijk is, hoog of laag, rijk of arm, laag bij de gronds of verheven. Wat de deugdzame filosoof choqueert, behaagt de kameleontische dichter. Het doet niet meer kwaad door het behagen dat het schept in de duistere zijde van de dingen dan door zijn voorkeur voor de lichtere, omdat ze beide tot bespiegeling leiden. Een dichter is het meest onpoëtische van alles wat er bestaat, omdat hij geen Identiteit heeft – hij is bij voortduring bezig iets anders vorm en inhoud te geven… ’ De woorden lijken een voorafschaduwing van Flauberts beroemde stelling, dertig jaar later, dat in de literatuur geen mooie of lelijke onderwerpen bestaan, en dat je vanuit het oogpunt van de ‘Zuivere Kunst als axioma zou kunnen stellen dat er niet één is, omdat de stijl op zichzelf al een absolute manier is om de dingen te beschouwen,’ een denken op zich.

De visie dat de letteren, de poëzie, de kunst in het algemeen, er niet noodzakelijk zijn om de inzichten van de wijsbegeerte te illustreren, de analyses van de sociologie te bevestigen, of de fabrikanten van de actualiteitenindustrie van een artistiek fiat te voorzien, blijft tot vandaag een punt van discussie en polemiek, waarmee op zijn minst haar grote vruchtbaarheid bewezen wordt.

Voor Keats zelf ging het om meer dan dat: ‘Het is een vreselijk iets om op te biechten maar het is waarachtig een feit dat geen enkel woord dat ik uitkraam kan worden aangenomen als een mening die uit mijn eigen karakter voortkomt – hoe zou het kunnen als ik geen karakter heb. Als ik een kamer met mensen ben, dan komt mijn eigen zelf niet bij mezelf binnen, maar dan begint de identiteit van iedereen in de kamer zich zo aan mij op te dringen dat ik in zeer korte tijd geheel in het niets opga.’

Het doet sterk denken aan de observatie van Czeslaw Milosz dat de dichtkunst er ons aan herinnert hoe moeilijk het is om slechts één persoon te blijven, ‘want ons huis staat altijd open, er zitten geen sleutels in de deur en onzichtbare gasten komen en gaan naar goeddunken.’ Op haar best is de poëzie een immens bewustzijn dat alles gulhartig omarmt, niets of niemand uitsluit, maar ook van niets of niemand de dienstmaagd wil zijn.

Het zou oneerlijk zijn om het belang van Keats’ brieven te herleiden tot zulke passages, hoe boeiend en wijs ze ook zijn. Ik doe de dichter oneer aan als ik niet de tederheid vermeld in zijn brieven aan zijn broers en zussen, zijn speelse toon en de woordgrappen voor zijn zus Fanny, de bezorgdheid en het verdriet om zijn doodzieke broer Tom. Bespiegelingen over de kunst en het Schone wisselen af met schunnigheden, jongensachtige branie en lichtvoetige anekdotes: ‘Het nieuwtje van de dag is een machine genaamd de velocipède. Het is een karretje op wieltjes dat je als een hobbelpaard moet berijden, terwijl je er schrijlings op zit en het met je tenen voortduwt, een roer in de hand. Ze gaan wel zeven mijl per uur.’

Bovenal vormen de laatste brieven van de aan tering stervende dichter aan zijn verloofde Fanny het naar de strot grijpende sluitstuk van een indrukwekkend oeuvre dat getuigenis aflegt van de vraag of de kwestie – en de zegen of de vloek – van wat het betekent een mens te moeten zijn. ‘Ik had haar moeten bezitten toen ik nog jong was, en dan was ik gezond gebleven,’ schrijft hij in zijn voorlaatste brief vanuit Rome. ‘Ik kan het wel verdragen te sterven, maar ik kan het niet verdragen haar te moeten achterlaten. O God! O God! O God!’

Enkele weken later was hij dood, het grootste deel van zijn werk verscheen postuum.

Na het lezen van zijn laatste woorden kun je je moeilijk niet afvragen: wat als hij ouder had mogen worden? Hoeveel volumes had hij ons nog nagelaten, aan verzen en schitterede brieven? Welke verrassingen had ons een pen geboden die zulke gebeitelde zinnen kon schrijven over onze zo volatiele geest:

‘We zijn als de relikwiegewaden van een heilige: dezelfde en niet meer dezelfde, want de zorgvuldige monniken knappen het keer op keer op, tot er geen draad van het oorspronkelijke gewaad over is en toch tonen ze het nog als het hemd van Sint-Antonius.’

John Keats Brieven. Uit het Engels vertaald door Gerlof Janzen. Athenaeum-Polak & Van Gennep. 520 pagina'

Links
John Keats, korte schets van een kort leven (wikipedia)
Hampstead Heath, heden Londens buurtreservaat voor de rijken, ooit een literaire pleisterplek, ook voor Keats
William Beckford? Que?