TAXONOOM VAN DE TIET EN DE TIJDGEEST

OVER BOONS ERO- EN PORNOPROZA, EN DE 'VIEZE PRENTJES'

"Als iets van de feminatheek echt weet te beroeren, dan wel de titanische poging van deze man, om aan de fata morgana's van de lust een classificatiesysteem op te leggen dat, vermoed ik, niet alleen moest verklaren en ordenen, maar evenzeer het inherent ongebreidelde van de begeerte en haar fascinaties wilde temmen in een alomvattende representatie." (Erwin Mortier over het erotische/pornografische proza van Boon, en diens fenomenale feminatheek - verschenen in De Morgen - Uitgelezen van 30 april 2008)

Er gebeurde iets wat ik niet meteen had verwacht toen ik de afgelopen dagen het kloeke boekwerk doorploegde, bijna duizend pagina's dik, dat Boons erotische en pornografische werk bundelt, en gezien het onderwerp bedoel ik een en ander niet dubbelzinniger dan nodig is. Het boek heeft me zowaar ontroerd, het heeft me ook van deernis vervuld, me met een milde wrangheid achtergelaten, en niet bepaald zuinig volgeklotst met de gelaten tristesse die me geregeld overvalt wanneer ik bij de gedachte verwijl dat de mens weliswaar een dier is als een ander, dat vroeg of laat moet copuleren, maar in tegenstelling tot de rest van de haploïde natuur eerst en vooral met zichzelf klaar dient te komen. "Waarom zijn we in seks gekruisigd?", dixit D.H. Lawrence. "Waarom niet afgerond gelaten in onszelf, voltooid?"

Herbarium van vrouwenvormen

Meer nog dan het erotische/pornografische proza dat in dit kloeke boekdeel opgenomen is, doopte de selectie uit de intussen om tal van verkeerde redenen berucht geworden Fenomenale Feminatheek me in de grote retorische vragen onder. Om en bij de zeshonderd pagina's krijgt dit herbarium van vrouwenvormen toebedeeld. Op het eerste gezicht een gulle greep, om niet te zeggen overdadig; zeshonderd bladzijden tieten, kutten, de occasionele ejaculerende piel, in schaamhaar verzinkende vibrators, dubbele penetraties, godinnen in jarretelles, exotische parels, doordeweekse huisvrouwen in diverse stadia van ontkleding, blonde nimfijnen op het randje van de seksuele volwassenheid en het wettelijk toegestane, alleen of in groep, langoureus mijmerend in deuropeningen en venstergaten, of vingerend en beffend of neukend, te paard of in de weer met de onvermijdelijke loodgieters, cowboys, pastoors, dokters en pizzajongens die de hapklare fantasieën van de blootindustrie bevolken - het volstaat ruimschoots om zelfs de gulzigste carnivoor een tijdlang tot het vegetarisme te bekeren.

Maar als je de bijgevoegde 'kataloog' bestudeert, die in Boons aandoenlijk ambtelijke handschrift het aantal prenten in diens collectie uiteindelijk op een paar tienduizend schat, opgetast in honderd zesenzestig blankhouten, door hemzelf hoogstpersoonlijk leeggesnoepte bonbondozen, dringt de enormiteit, in alle opzichten, van diens verzameldrift pas echt tot je door.

Als iets van de feminatheek echt weet te beroeren, dan wel de titanische poging van deze man, om aan de fata morgana's van de lust een classificatiesysteem op te leggen dat, vermoed ik, niet alleen moest verklaren en ordenen, maar evenzeer het inherent ongebreidelde van de begeerte en haar fascinaties wilde temmen in een alomvattende representatie. Het is een exuberante en tegelijk armetierige opzet, even groots als grotesk, tot droefenis stemmend en ontroerend, ambitieus en hopeloos, en geestig en bijtend, en dat alles in het kwadraat. Het is, met andere woorden, Boon ten voeten uit: al dat bloot, uitgeknipt, ingeplakt, becommentarieerd, geannoteerd, geklasseerd en gekoesterd, om te vermijden dat de man zelf al te naakt tegenover de ongebreidelde wereld en onze mateloze honger zou komen te staan.

Alleen al daarom is het niet alleen terecht, maar ook volkomen gerechtvaardigd dat deze kant van zijn artistieke, en wellicht ook existentiële, preoccupaties in het Verzameld werk een onderkomen vindt. Het is makkelijk, al te makkelijk, om daar meewarig over te doen, al was het maar omdat de man, met zijn kenschetsende ironie, genoeg afstand van zijn obsessies kon nemen om er zelf de mistroostige kant van in te zien. Het is minstens even gemakzuchtig om in een morele kramp te schieten en de hele feminatheek, de groteske pornoverhalen incluis, van tafel te vegen als het ridicule excuus van een ouwe snoeper die zijn geilheid van een vernislaagje eerbaarheid wil voorzien. Wanneer het op moraliseren aankomt is niemand zo beslagen, complex, dubbelzinnig en gespleten als Meneerke Boin zelf: botanicus van de venusvliegenvanger in al zijn gedaanten, taxonoom van de tiet, zelfbenoemd etnograaf en ontdekkingsreiziger door de deltagebieden van Freuds duistere continent, salongeleerde in sexualibus, tevens hoofdbibliothecaris van wat qua omvang de genitale tegenhanger lijkt van Borges' bibliotheek van Babel, met dien verstande dat het in de librije van Erembodegem niet eens bij wijze van spreken voor een clitoris volstaat dat hij mogelijk is om te bestaan. Boons blootcollectie kon weinig anders dan onvoltooid blijven, en elke poging haar te systematiseren ontoereikend.

Geile predikant

Er is ook, niet het minst in zijn parodistische prikkelproza, Boon als zedenpreker, als geile predikant in de maar al te vertrouwde pose van een dorpsherder die geregeld de kansel beklimt om te waarschuwen voor de zonden des vlezes, maar deze zonden dusdanig dik in de verf zet dat de helft van zijn kudde in de kerkbank zit te soppen dat het een aard heeft. En natuurlijk maakt de Eerwaarde zelf er geen geheim van dat de uitgebreide vakliteratuur waaruit hij voor zijn sermoenen inspiratie put meer dan alleen zijn wijsvinger overeind weet te krijgen. Dan laat Boon zich kennen als de seculiere variant van een verschijnsel dat in de jaren van acné en natte dromen maar al te vaak mijn pad heeft gekruist: de moderne pater-die-begrip-heeft-voor-de-jeugd, niet te beroerd om een pik een penis te noemen en zich wonderlijk coulant op te stellen inzake zelfbevlekking en andere genitale vrijetijdsbesteding. Ten minste zolang het ideaal maar gehandhaafd blijft en het pragmatisme waar bij uitstek de kerk in grossiert, niet al te expliciet verwoord wordt. Deze houding blijft, à propos, tot vandaag de essentie van de katholieke psyche uitmaken inzake leven en sterven, liefhebben en begeren. Officieel kan haast niets, officieus mag eigenlijk alles, maar hou het stil. De norm blijft de norm, ook voor Boon, die de seksuele revolutie een warm welkom heet, en in zijn hele oeuvre een ontroerend ruimhartige interesse betoont voor het hele spectrum van onze seksualiteit, zonder daarom blind te blijven voor haar onbehaaglijker uitingen, zijn eigen fascinatie voor meisjes op de drempel van de rijpheid allesbehalve uitgesloten. Boons uitgesproken pornografische proza vormt daar in bepaalde opzichten de pendant van, het zet het potentieel excessieve karakter van het begeren op zich dusdanig excessief aan dat het zich bezwaarlijk als zinnenprikkelend laat lezen, veeleer als een dwarse catechismus die door parodie en overdrijving tot matigheid wil aanzetten. Vandaar allicht zijn merkwaardige afkeer van de markies de Sade, wiens geschriften hij als weinig anders lijkt te beschouwen dan de ziekelijke vruchten van een sadistische natuur. Dat Sade als een van de eersten het traject van de drift tot in haar ultieme consequenties doordenkt, voorbij elke morele barrière, en ten slotte ook voorbij het genot, tot in de finale verzadiging van de dood, gaat grotendeels aan de zelfverklaarde Professor in de Seks voorbij. Juist het doodse en desolate dat evengoed door de overdaad van Boons papieren feminarium als door de strapatsen van Mieke Maaike of de halfzachte Sadeaanse escapades in het niet eerder gepubliceerde Eens op een mooie avond heen schemert, maakte in toenemende mate de troosteloze pracht uit van Boons seksuele universum, naarmate ik er langer in verbleef. Het is dezelfde doodstille agonie die ook de wurgende schoonheid van uiterst sterk proza als Eros en de eenzame man of Menuet belichaamt. Tegelijk viel me op hoezeer vooral de feminatheek al doordrongen is van voorbijheid. Dertig jaar geleden is het, sinds de dood van Boon de verzameling noodzakelijkerwijze voltooide, maar zelfs over de felgekleurde prenten uit die toch vrij recente jaren zeventig begint al hetzelfde sepia van het verleden te hangen als over de erotica uit de negentiende of het begin van de twintigste eeuw.

Angst voor degeneratie

Dat geldt in wezen ook voor Boons pessimisme over de toekomst van een samenleving die in zijn ogen elke zin voor maat en evenwicht dreigde te verliezen. Doemdenkers hebben het voordeel dat onze fundamentele ambivalentie, het feit dat het mensdom genoodzaakt is om steeds weer zichzelf te kalibreren, vroeg of laat tot calamiteiten zal leiden die aan hun angstdromen het karakter van profetieën verlenen. Boons angst voor een potentiële ontsporing van de seksueel bevrijde massa's en de totale ontwrichting die ze kon veroorzaken, vertoont daarin overeenkomsten met de negentiende-eeuwse angst van de middenklassen voor de zogeheten erfelijke degeneratie, die vooral bij het uiterst libidineuze proletariaat zorgwekkend om zich heen greep, al zorgde net dat proletariaat voor de productiviteit waaraan de middenklasse haar welstand ontleende.

Daarmee zet een gespletenheid die zo oud is als de moderniteit zelf zich in zijn werk en psyche onverdroten voort, en we koesteren wellicht huizenhoge illusies als we ervan uitgaan dat in onze tijd, en onze geest, de breuk dan eindelijk gedicht zou zijn. Hoe zou hij naar onze wereld kijken, bijna dertig jaar na zijn verscheiden? De vraag is even onzinnig als verleidelijk. Het valt me op dat de mensheid in zijn tijd nog schaamhaar had. Zelf moet ik een genetisch atavisme vertonen, als ik mijn kapper mag geloven, volgens wie kale kut of ballen tegenwoordig de rigueur zijn. Een beetje vent is ook niet langer vies van een botoxje hier en daar. Wil hij zich niet te pletter fitnessen dan bieden biceps in siliconen uitkomst, en er gaat geen dag voorbij of de mailbox raakt geconstipeerd door spam-advertenties voor generische viagra en penisvergrotingen per strekkende meter.

Daarmee dringt zich, nu ik Boons vieze plaatjes op het schap zet en dringend aan een stevige borrel toe ben, steeds nijpender de vraag op wie eigenlijk het blootst van al tegenover de ongrijpbare wereld staat: onze tedere anarchist met zijn uitgeknipte tieten, kutten, godinnen en nimfen of wij, die steeds vaker, maar met veel minder schroom, laat staan met Boons zelfspot, steeds dieper in echte lijven snijden?

Erwin Mortier

Louis Paul Boon, Het erotische/pornografische werk. De Arbeiderspers, Amsterdam, 972 p.

Links
Meer info over het boek, bij uitgeverij Arbeiderspers
Anne Provoost over de Feminatheek, naar aanleiding van de recente heisa
Het Louis Paul Boon - documentatiecentrum