"Deze grote schrijver hoopt op een zorgeloze oude dag, vaak de levensperiode waarin de muze een kunstenaar tot zijn beste werk weet te verlokken, zonder nog langer op zijn knieën te moeten gaan bedelen bij het Fonds voor de Letteren. Hij had gehoopt dat de Prijs der Nederlandse Letteren hem in één klap van alle gemodder en geploeter zou verlossen. Dat is niet het geval. Jeroen Brouwers vindt dat beschamend. Hij heeft gelijk."
Met de weigering door Jeroen Brouwers om de Prijs der Nederlandse Letteren te aanvaarden gaat deze prestigieuze onderscheiding voor de tweede keer in korte tijd de mist in. Dat is jammer, maar het werpt andermaal licht op hoe deze samenleving omspringt met haar schrijvers. Onder het klatergoud van ons cultuurbeleid gaat wat dat betreft vaak doffe ellende schuil. Bij gebrek aan een fiscaal regime en een sociaal statuut dat oog heeft voor de bijzonderheid van hun arbeid, aan de leenrechtvergoeding en een rechtvaardige uitkering der auteursrechten, om maar een paar voorbeelden te geven, dienen vele van mijn kunstbroers- en zussen aan te kloppen bij het Letterenfonds om de eindjes aan mekaar te knopen. Anderen houden zich met kunst- en vliegwerk overeind zonder die steun. Ieder van ons zoekt zekerheid; de sereniteit waarin wij mogen piekeren over ons literaire werk, en niet over de gasrekening, dokterskosten of de volgende voorafbetaling voor de fiscus.
Jeroen Brouwers trekt deze week aan de alarmbel. Hij doet dat zoals hij het altijd gedaan heeft: met een scherpte van tong en pen die het Nederlands laat vonken en spetteren. Deze grote schrijver hoopt op een zorgeloze oude dag, vaak de levensperiode waarin de muze een kunstenaar tot zijn beste werk weet te verlokken, zonder nog langer op zijn knieën te moeten gaan bedelen bij het Fonds voor de Letteren. Hij had gehoopt dat de Prijs der Nederlandse Letteren hem in één klap van alle gemodder en geploeter zou verlossen. Dat is niet het geval. Jeroen Brouwers vindt dat beschamend. Hij heeft gelijk, en het is zijn recht, als burger én laureaat, om zijn stem te verheffen. Zijn situatie is tekenend voor die van heel veel oudere schrijvers. Deze samenleving verwaarloost haar grootste literaire talenten in hun al te begrijpelijke en al te menselijke bezorgdheid om de oude dag en zijn kwalen.
Jeroen Brouwers aanmanen om zijn bek te houden over het magere bedrag van onze meest prestigieuze Letterenprijs, zoals in "De Morgen" gebeurd is, omdat hij van de overheid een subsidie ontvangt is dus onaanvaardbaar. Het komt neer op de vraag om het woord te spreken van degene wiens brood men eet. Het herleidt bovendien de minister tot een middeleeuwse mecenas die de kunsten uit zijn persoonlijke schatkist financiert, terwijl hij in een democratie slechts de beheerder is van publieke middelen. Om het even wie mag hem daar om het even waar en wanneer over op de korrel nemen. Bij deze doe ik het ook.
Jaarlijks schenkt de Taalunie aan de auteur van één theatertekst de Toneelschrijfprijs, goed voor tienduizend euro. Om de drie jaar heeft diezelfde Taalunie slechts zesduizend euro meer veil voor de bekroning van een volledig literair oeuvre dat meestal meerdere decennia overspant.
Hoelang moeten de voor de Taalunie bevoegde ministers nadenken over de vraag of het bedrag voor de Prijs der Nederlandse Letteren nog wel in overeenstemming is met het prestige van die onderscheiding? Hoelang gaan ze wachten om de onrechtvaardigheid waarvan Jeroen Brouwers nu al het slachtoffer is te herstellen? En wat gaan ze doen om voor Jeroen persoonlijk die onrechtvaardigheid ongedaan te maken? Vriend en vijand zijn het met elkaar eens dat het oeuvre van Brouwers ver boven veel andere uitsteekt. Deze man nu afschepen met de mededeling dat ‘het reglement het niet toelaat’ is pas echt beschamend.
Ik vraag de ministers in Noord en Zuid om onze allerbeste schrijvers, zij die hun sporen al meer dan verdiend hebben, in hun levensherfst de middelen te schenken waarmee ze kunnen bestaan zonder te moeten hopen op een vette onderscheiding of een dikke commerciële prijs. Ik vraag ook dat die mensen kunnen schrijven zonder zich nog langer te moeten onderwerpen aan de betutteling van Fondsen en Commissies. Geef hen godverdomme een schaamteloos royaal staatspensioen of jaargeld, en verberg je niet achter de vraag wie wel en wie niet in aanmerking komen, of hoe je dat dan praktisch moet gaan regelen.
Ik vraag verder aan de bevoegde excellenties dat ze alle auteurs eindelijk de fiscale, sociale en andere instrumenten aanreiken waarmee zij zo onafhankelijk mogelijk kunnen werken. Alleen zo kan een cultuurbeleid echt gewicht bieden tegen het gekrijs der Gouden Uilen, de glitter der Ako’s of het circus der Librissen. Men schrijft geen literatuur met de bedelstaf, maar met een soevereine pen, en dus met geduld dat tijd kost en geld. Een cultuurminister, in gelijk welk land, die deze roep om elementaire rechtvaardigheid alleen met het toverwoord “subsidie” kan beantwoorden, is zijn ambt niet waard.
Erwin Mortier
Drongen, 24 oktober 2007