Tien jaar nadat "Der Stechlin", Theodor Fontane's laatste roman (1898), in het Nederlands verscheen, onderwierp vertaler Wilfred Oranje zijn werkstuk van toen aan een grondige en verfrissende revisie."Stechlin" verscheen zojuist bij uitgeverij Atlas. "Het zoeken naar het midden, het vluchtige, nooit statische midden, tussen traditie en moderniteit, vastigheid en soepelheid, herinnering en hoop, is wat uiteindelijk deze roman, en wie weet ook de tijd waarin hij speelt, bezielt," meent Erwin Mortier.
(Verschenen in De Volkskrant - Cicero van 26 oktober 2007)
Het lezen van "Der Stechlin", Theodor Fontane's laatste voltooide roman, biedt een vreemde, maar allesbehalve onaangename ervaring. Vreemd, omdat de wereld waarin de schrijver ons onderdompelt, om en rond het mysterieuze Stechlinmeer, in de Mark Brandenburg nabij Berlijn, bij de oude landjonker Dubslav von Stechlin, op het slot dat zijn naam draagt, in het stadje dat ook al zijn naam draagt, vaak meer achttiende-eeuws lijkt dan negentiende-eeuws. Meer Stendhal dan Zola, om in romantermen te spreken. Alle technologische revoluties die zich in de twintigste eeuw aan versneld tempo zullen laten gelden daveren al over het Europese continent. Alle politieke evoluties die een paar decennia later zullen ontsporen zijn al volop aan het ontkiemen. Huisnijverheid maakt plaats voor de grootindustrie. Het paard voor de trein. De sociaal-democratie eist meer en meer zijn plaats op in een politiek spectrum dat nog grotendeels door stijve aristocraten gedomineerd wordt. De eeuw van Wagner en Nietzsche ook, van Marx en Engels, maar daar in Stechlin lijkt voorlopig weinig te bewegen. Op dat mysterieuze Stechlinmeer na. De hele roman lang ligt het op de achtergrond stil en diep te wezen in ijl herfstlicht of een kraakheldere winterzon, maar zoals de streekbewoners graag vertellen blijkt het onderaards in verbinding te staan met de rest van de aardkloot. Van zodra ergens ter wereld iets ernstigs voorvalt roert zich ook het meer.
‘Of het nu in IJsland is of op Java’, wordt ons al meteen op de eerste pagina medegedeeld, ‘of wanneer de asregen van de vulkanen op Hawaï tot ver in de Stille Oceaan wordt uitgestoten. Dan begint het ook hier te bewegen. En een waterstraal springt omhoog, en verzinkt weer in de diepte.’ Gaat het er ergens ter wereld echt om spannen, dan verheft zich naar verluidt op de waterstraal ook nog eens een heftig kraaiende, bloedrode haan.
Het lijkt dus bijna Loch Ness, daar in Brandenburg, op een boogscheut van het kasteel waar de ouwe Dubslav ons op zijn geestige, niet van zelfspot ontdane wijsheden trakteert. Hij is van één die romanfiguren die je al bij de eerste kennismaking moeilijk anders dan onweerstaanbaar charmant kunt vinden, een door en door beminnelijk heerschap, zoals ongeveer alle personages die het boek bevolken. Al meer dan dertig jaar weduwnaar, met een zoon in het leger, zoals zijn stand het verplicht, zit hij in zijn kasteel, bijgestaan door Engelke, zijn trouwe kamerheer, gezapig keuvelend oud te worden. Ietwat vereenzaamd ook. De gasten op zijn slot, goede burgerlui, predikanten en edelen uit de nabije omgeving, zijn hem intussen in al hun grote en kleine kantjes dusdanig vertrouwd dat ze hem niet echt meer kunnen verrassen. Bezoekjes van zijn zoon Woldemar en diens vrienden zorgen voor welkome verstrooiing, en hij beluistert de jeugd met een innemende mengeling van scepsis en ironie.
Dubslav is een conservatief uit gewoonte, maar daarom niet blind voor de tekenen des tijd, in tegenstelling tot de meeste andere leden van zijn kaste, onder wie zijn zuster Adelheid. Als abdis van een sjofel protestants klooster zwaait zij de scepter over een handvol verschoten maagden. In haar haat jegens katholieken en de moderne gewoontes vertoont ze alle kenmerken van een levend fossiel. Fontane zet haar en de andere personages met zichtbaar plezier voor ons neer terwijl ze hun onderlinge gesprekken voeren tijdens talloze diners en uitjes. Hij doet dat met het ongelooflijk scherpe oor voor het soort van pittige dialogen die ook al opvielen in zijn vroegere romans, maar die hier volop mogen spelen, met een voor de Duitse Letteren bepaald atypische lichtvoetigheid. Er sprankelt om de regel wel een bon mot, een pakkend beeld, een satirisch terzijde, levendig genoeg om knagende vragen als ‘Waar gaat dit heen? Waar gaat dit in godsnaam over?’ zowel te voeden als te sussen.
Die onzekerheid zorgt vreemd genoeg juist voor de spankracht waarop deze roman zichzelf drijvende houdt. Want veel ‘gebeurt’ er niet, qua plot, intrige, of psychologische ontwikkeling in Stechlin en omgeving. Dubslav verliest een verkiezing, zoon Woldemar verlooft zich en neemt met zijn gade zijn intrek in het kasteel nadat zijn vader even laconiek en onopvallend gestorven is als hij geleefd heeft. En daarmee is weinig verklapt. Het draait vooral om de conversaties, en die gaan over ongeveer letterlijk alles. Leven en dood zeg maar, en alle gemodder en verlangen en stommiteiten en illusies en zegeningen daartussenin.
Soms lijkt het wel alsof je door Fontane's schriftuur het Reviaanse adagium hoort galmen, dat er niets tegen ouwehoeren is zolang Gods zegen erop rust – en vooral zolang je van genoeg talent blijkt heeft om ergens onder alle gepalaver voor een zwaartepunt te zorgen, iets dat de hele zaak toch min of meer bij elkaar houdt. Het duurt een tijd voor Fontane ons laat zien wat zich roert onder het oppervlak van zijn gemoedelijk klotsende woordenzee. Na een tochtje naar het Stechlinmeer mijmert Woldemars toekomstige schoonzus Melusine tegenover de lokale predikant: ‘Ik respecteer al het gegevene. Daarnaast al het wordende, want juist dat wordende zal vroeg of laat wederom iets gegevens zijn. Al het oude moeten we liefhebben, maar voor het nieuwe moeten we echt leven. En vooral moeten we, zoals ons het Stechlinmeer leert, de grote samenhang van de dingen nooit vergeten.’ En daarmee grijpen, bijna terloops, ook alle elementen van deze meesterlijke vertelling mooi op elkaar in.
Het zoeken naar het midden, het vluchtige, nooit statische midden, tussen traditie en moderniteit, vastigheid en soepelheid, herinnering en hoop, is wat uiteindelijk deze roman, en wie weet ook de tijd waarin hij speelt, bezielt. Honderd jaar nadien weten we waar die zoektocht op uitgedraaid is. Stechlin verscheen in 1898. Precies twintig jaar later werd in Compiègne een wankele vrede ondertekend met een verslagen Duitsland dat de wereld in het bloedigste en grootschaligste oorlogsconflict ooit gestort had. Het moeten drukke tijden geweest zijn voor het Stechlinmeer, ongetwijfeld met veel waterstralen en gespat. De rode haan zal luidkeels gekraaid hebben. Eigenlijk is zijn noodkreet sindsdien nooit meer verstomd.
Erwin Mortier
Links
› Het Boek, bij Uitgeverij Atlas
› Biografische informatie en werken on line (Projekt Gutenberg)