ONMOGELIJKE LIEFDES ZIJN DE TROUWSTE

EDITH WHARTONS "JAREN VAN ONSCHULD" VERTAALD

De sterkte van de roman schuilt in de dubbelzinnige schriftuur. Wharton schetst de leefwereld van de New Yorkse happy few tot in detail maar ondermijnt hem tegelijk ongenadig: een aristocratie van bankiers en entrepreneurs die de obscene copulaties van geld met geld verbloemt door zich een onkreukbare moraal en een aura van fatsoen aan te meten.
(Verschenen in De Volkskrant - Cicero, 30 november 2007)

Edith Whartons “De jaren van onschuld” is één van die vlaggenschepen van de Engelstalige romankunst die op de waterscheiding tussen de negentiende en twintigste eeuw laveren. Het verhaal vangt aan rond 1870, in de gegoede milieus van New York, ‘een kleine en glibberige piramide,’ met aan de top een kleine groep van rijken. Daar treffen we Newland Archer aan, een succesvolle advocaat die zich zojuist verloofd heeft met de naïeve May Welland, voorzien van goede familiebanden, middelen en de onbevlekte reputatie om een waardige eega te worden. Alles gaat goed tot Newland gravin Olenska leert kennen, een nicht van May, een gescheiden vrouw die door de goegemeente met de nek wordt aangekeken. Haar intelligentie en onafhankelijke geest blijken onweerstaanbaar voor Newland. Zijn verliefdheid op de gravin doet hem de mores van zijn milieu steeds grondiger in vraag stellen, in zoverre dat hij uiteindelijk bereid is om haar naar Europa te volgen. Maar wanneer de gravin verneemt dat Newlands vrouw zwanger is, verbreekt ze de verhouding. Pas vele jaren later krijgt Newland, intussen weduwnaar en vader van een volwassen zoon, de kans om zijn oude geliefde in Parijs weer te zien.

De motor van deze roman is het aloude gegeven van de onmogelijke liefde, de trouwste die er is, de meest vernietigende ook, en daarom uiterst geschikt als brandstof voor een verhaal. Maar er staat veel meer op het spel. Edith Wharton is een te intelligent auteur om zich te beperken tot het torment van haar personages. Zij zijn de werktuigen waarmee ze een diepere werkelijkheid blootlegt. De sterkte van de roman schuilt in de dubbelzinnige schriftuur. Wharton schetst de leefwereld van de New Yorkse happy few tot in detail maar ondermijnt hem tegelijk ongenadig. ‘New York is altijd een handelsgemeenschap geweest,’ observeert Newlands moeder: een aristocratie van bankiers en entrepreneurs die de obscene copulaties van geld met geld verbloemt door zich een onkreukbare moraal en een aura van fatsoen aan te meten.

De prijs daarvoor is bekend: hypocrisie als overlevingsstrategie, een dubbele moraal die vrouwen alleen de rol van maagd, moeder of hoer toestaat, en heel veel levens die onder de immense sociale druk worden fijngemalen. Haar held is geen Emma Bovary of Anna Karenina, die hun ellende ontvluchten in de dood. Newland buigt uiteindelijk voor de conventies. Wanneer hij na een kwarteeuw de kans krijgt om zijn geliefde te ontmoeten, beseft hij dat zijn passie voor de gravin een zaak is van het verleden. Een nieuwe generatie is aangetreden, ‘die alle oude markeringen omver had geworpen, en daarmee ook de wegwijzers en de waarschuwingsbordjes.’ Newland laat zijn zoon alleen aanbellen en keert zelf op zijn schreden terug.

Dat doet ook deze roman, die halt houdt op de drempel van de moderniteit. Het boek verscheen in 1920. Virginia Woolf had toen al twee romans gepubliceerd en Joyce was druk in de weer met “Ulysses”, dat twee jaar later van de persen zou rollen en het ijkpunt van het modernisme zou worden. Wharton intussen, schenkt ons een indrukwekkend adieu aan de romankunst die aan hen voorafgaat. “De Jaren van Onschuld” is een pracht van een galjoen, maar danig aangevreten door de memel van de tijd. De schijfster houdt het nog heel even voor ons intact, zij het steeds luider knierend en knarsend. De werkelijke ontknoping van deze roman bevindt zich daarom, allicht niet toevallig, net voorbij de horizon van het verhaal. Wat hebben Newlands zoon en gravin Olenska elkaar te vertellen? Hoe kijken verleden en toekomst elkaar via hen in de ogen? Een antwoord krijgen we niet, maar de vraag blijft jeuken, lang nadat je deze grote roman heb dichtgeslagen.

Erwin Mortier

Edith Wharton, “De jaren van onschuld”, vertaald door Christien Jonkheer, Uitgeverij Veen, 293 pagina’s.

Links
The Mount, Whartons luxueuze landgoed
The Edit Wharton Society
Het boek te koop