EEN GEDICHT ZONDER POTEN IS DOOF

VOORPUBLICATIE UIT DE VOLKSVERHEFFING 2007

Al te vaak lijkt het gedicht op een spierwit stresskonijn. In zijn kooitje onder een zacht zoemende neonbak sabbelt het nerveus op reepjes papier en knippert intertekstueel met zijn bloedrode oogjes. Tegen zonlicht is dit pigmentloze ras, hoofdzakelijk bestemd voor laboratoria, allang niet meer bestand. Huppelen doet het al evenmin, voor seks heeft het nog maar weinig belangstelling. En zojuist werd het arme dier ook nog eens het voorwerp van een baanbrekend experiment. Heren in witte jassen sneden het zijn pootjes af en blaften ‘Spring!’ Noteerden vervolgens naarstig: ‘Een gedicht zonder poten is doof.’

Naar aanleiding van het verschijnen van "De Volksverheffing. Jaarboek poêzie 2007" brengt De Standaard der Letteren een voorpublicatie van de daarin opgenomen tekst van Erwin Mortier. Mortier heeft het in zijn tekst onder andere over de verhouding tussen verskunst en proza - aangezien hij naar eigen zeggen "aan beide aandoeningen lijdt."

Het Jaarboek brengt verder ook bijdragen van Anneke Brassinga, Benno Barnard, Astrid Lampe, Maria Barnas, Mark van Tongele en anderen.

EEN GEDICHT ZONDER POTEN IS DOOF

Wat ik over poëzie denk, en bijgevolg over proza, als ik mezelf mag geloven

Onophoudelijk jankt de wereld aan het raam van de taal, en hunkerend drukken de woorden neus en mond tegen hun eigen glas. Het woord wil wereld worden, lichaam zijn. Maar evengoed zet de wereld ons, zijn raarste voortbrengsel, aan de lippen om zich van zijn stomme wezen verlost te horen in de branding van mogelijkheden die onze woorden tussen zijn en niet-zijn laten weerklinken. Geen ruimte opent zich radicaler om het geweld van die honger hoorbaar te maken dan de ruimte van de poëzie.

Als kind al zocht ik veel liever het gezelschap op van de vrouwen, in huis en elders, dan van de mannen, en als ik eerlijk ben dan doe ik dat nog steeds. De vrouwelijke kant van het bestaan, die zich in die jaren veel zichtbaarder onderscheidde van de mannenkant dan tegenwoordig, scheen me complexer toe, boeiender, levendiger, en ook riskanter. Nergens kon je taal zo vitaal en extatisch, zo rauw en exuberant om zich heen horen spatten dan wanneer de vrouwen aan een lange tafel in het late voorjaar erwten dopten, of later in de zomer de bonen.

Er was het spel van hun vingers, de haast seksuele brutaliteit waarmee ze de vruchtomhulsels overlangs openscheurden en er met hun duim de erwten of bonen uit wegritsten. De zieltogende peulen hoopten zich op in manden aan hun voeten en deden me denken aan karkassen, aan ribbenkasten en gapende buikholtes, alsof honderden mensenoffers door hun handen gingen. Ingewanden werden opengereten, harten weggerukt uit hun kooi en verorberd terwijl ze nog klopten. Over de lippen van de vrouwen gutste intussen taal als bloed over tempeltrappen: een taal die nooit genoeg scheen te krijgen van het bijna voyeuristische luisteren naar zichzelf. Op de tong van een vrouw leek het Woord nimmer klaar te komen, de wereld werd in onophoudelijke spasmen onder haar verhemelte door gezogen.

Over alles en iedereen wierpen die schikgodinnen hun virulente cartografieën, hun sleepnetten van taal uit, woelend in de bezinksels van het bestaan. In taboes en geheimenissen, oorlog en vrede, verboden liefdes en mislukte huwelijken. Pastoors werden geëerd voor zover zij zich aan hun rituelen hielden, maar hun preken werden gehekeld, geparodieerd en onderuitgehaald. Notabelen werden belachelijk gemaakt, de adel aan zijn bastaarden herinnerd. Met wapperende oortjes aanhoorde ik de meest intieme geheimen van om het even wie. Lang voor ik me er ook maar iets bij kon voorstellen wist ik wie van mijn verwanten of buren zich tijdens de liefde vastzoog aan de tepels van zijn vrouw, om nooit meer los te laten, of wie zich na het ejaculeren niet terugtrok omdat hij, ik hoor het een buurvrouw nog altijd kirren, ‘zijn wortel het liefst tot ’s ochtends vroeg aan mijn gordijnen afkuist.’

Op den duur had ik het gevoel dat ik omringd was door een kolonie roofmieren op strooptocht, insecten van een superieure orde die niet alleen op alle eetbaars joegen maar met hun knisperende kaaksegmenten ook het bestaan zelf afknaagden. Alles werd vermalen, verwoord, verpulverd. Niet het minst de mannen, toevallig mijn eigen sekse. Ik wist niet of ik nu beschouwd werd als kroost, een larvaal wezen, door zijn verweksters even beschermend op handen gedragen als de poppen die de werkmieren ijlings naar veilig oorden torsten, wanneer je ’s zomers in de tuin een tegel oplichtte en daaronder een labyrint van kraamkamers en voorraadkelders blootlegde. Maar evengoed kon ik buit zijn of brandschatting, een boon of een erwt, een toekomstig offerdier dat nog aan moest vetten.

De taal die ik op de schoolbanken aangeleerd kreeg, droeg tegenover die morsige taal rond tuin- of keukentafel het karakter van een beteugeling. Op school werd het woord een purgatorium binnengeleid, in de koele ruimte van de norm werd het van zijn texturen en onregelmatigheden ontdaan – een dubbelzinnige bevrijding. Ik kon een weidser taaluniversum betreden, gekenmerkt door een helderheid die de onveranderlijkheid van Newtons natuurwetten benaderde. Er heersten regels die houvast boden, die het woord voorzagen van een traditie, maar tegelijk hun beknellende invloed nooit helemaal konden verhullen. Als de ‘vrouwentaal’ die me van in de wieg tekende en betekende een soort zang of kreet vertegenwoordigde, dan lag in de ordentelijke, beschaafde en beschavende taal die me op school verwelkomde en aan banden legde onvermijdelijk de galm van het dictaat besloten. Dat geldt ook voor het schrift, dat enerzijds het denken vastlegde, tot rust bracht, maar het tegelijk ook bevroor in een onafwendbaar teken. Ongeveer zoals Nietschze in Voorbij goed en kwaad, het apodictische van zijn ideeën betreurt van zodra ze opgeschreven staan: ‘Ik vrees dat er enkele staan te trappelen om waarheden te worden. Nu al lijken jullie zo onsterfelijk, zo ziekmakend verstandig, zo verschrikkelijk vervelend!’

Nietschzes woorden typeren voor mij de ‘mannenkant’ van de taal, die naast het vrouwelijke gekrioel, de hitsige anarchie van woorden en tentakels en vingers, in een grote stilte baadde. Daar heerste de ijzige naam van de Vader, de gestrengheid van de wet, het dictaat van de codex, het machtsvertoon van de grammatica en de imperiale orde die ze afdwong op de horden aan de voet van haar Chinese muren. Als ik mijn grootvader ooit meer dan vijftig woorden achter elkaar heb horen uitspreken, zal het veel zijn. Meestal verschanste hij zich op zijn sofa naast de kachel en zat daar klankloos te filosoferen met ingebeelde medestanders die schijnbaar in de ijlte boven de dressoirkast hingen. Geregeld schoot zijn wijsvinger de hoogte in of kruiste hij verongelijkt de armen wanneer één van zijn schimmige metgezellen hem zijn gelijk niet gunde. Er viel zelden meer te beluisteren dan het klakken van zijn kunstgebit, dat hij met de punt van zijn tong van zijn bovenkaak lostrok en telkens weer terug liet slaan. Aan tafel, op het bed na de enige plaats in huis waar de beide werelden elkaar ontmoetten, hield hij zijn inzichten wijselijk voor zich, tenzij hij zwaar gedronken had, en altijd weer trof hem dan de spot van de vrouwen om hem eraan te herinneren dat hij slechts op de wereld geworpen was om in zijn hemd gezet te worden: figuurlijk aan tafel, of letterlijk, ’s avonds, tussen de lakens.

Als ik eerlijk ben dan denk ik dat mijn opvattingen over taal en schrijven tot op heden tussen die beide werelden heen en weer pendelen, al neig ik ten gronde meer naar het onstuitbare en amorele taaluniversum van de vrouwelijkheid, dat het dichtst bij het poëtische staat. Het liefste zou ik over gedichten spreken in termen van verval of erosie, en niet of niet alleen in termen van opbouw of constructie. Een vers is evengoed een afkalving als een ophoping van betekenis. Op zijn best vertoont het de onbedoelde schoonheid van natuurwonderen als de Grand Canyon. Drommen toeristen vergapen er zich aan wat grootschalig ontbreekt. Zover het oog reikt strekken zich schitterende texturen van gemis uit, een door de eeuwen en elementen per toeval uitgespoelde megagotiek van kloven en spitsbooggewelven, sacrale vormen zonder een god. Dan denk ik: konden mijn sterfelijke botten maar zoveel geduld huisvesten om al schrijvende te wachten tot de vormen versleten genoeg zijn om volmaakt te heten.

De poëzie is een open graf, een oude bruinkoolmijn, een natuurlijk asfaltmeer. In haar groeven en bodemlagen vindt de compostering der connotaties plaats. De taal sterft er in zijn betekenissen weg en kan er uit zijn eigen restanten opstaan, tegelijk piepjong en millennia oud. Poëzie speelt met de jeugd en het ouderdom van het woord, om ons te herinneren aan wat komen gaat en ons voor te bereiden op wat geweest is. Ze is geen graat in de keel of een kerf in een elandbot, alleen maar schrift of tekst. Ze is levende en stervende taal, verbijstering en extase, een monsterlijk veelstemmige windhoos. Ze is de galm van naamloze adem, ons collectieve strottenhoofd, het schuren van lucht door longblaas en slijmvlies, metabolisme van klank en betekenis, immer precair en met een zucht van vergeefsheid in de twijfelachtige zeggingskracht van haar woordenschatten. Ze is ook de grammofoonplaat van onze voorouders, die allang tot stof vergaan zijn, maar aan wier eindeloos rondjes draaiende lettergrepen homeopathische restfracties van hun bestaan vastkleven, waarvan we ons nooit helemaal zullen ontdoen.

Al te vaak lijkt het gedicht op een spierwit stresskonijn. In zijn kooitje onder een zacht zoemende neonbak sabbelt het nerveus op reepjes papier en knippert intertekstueel met zijn bloedrode oogjes. Tegen zonlicht is dit pigmentloze ras, hoofdzakelijk bestemd voor laboratoria, allang niet meer bestand. Huppelen doet het al evenmin, voor seks heeft het nog maar weinig belangstelling. En zojuist werd het arme dier ook nog eens het voorwerp van een baanbrekend experiment. Heren in witte jassen sneden het zijn pootjes af en blaften ‘Spring!’ Noteerden vervolgens naarstig: ‘Een gedicht zonder poten is doof.’ Terwijl het er nu, als nooit tevoren, op aan komt om de poëzie uitbundig te laten luisteren.

We leven niet langer in een tijd die het vers, het epos of de roman als de ultieme ‘tekstuele belichaming’ van onze existentie beschouwt, we leven in de tijd van het formulier en de microfoon. Antwoord met ja of nee. Schrap wat niet past. We zijn getuige van een ontstellende ‘Culturele Revolutie’ tegen de taal, een even wraakroepende als hilarische poging ons toe te schrijven aan de illusie dat we het woord ooit zouden kunnen kooien in eenduidigheid. We moeten er ons van bewust zijn dat de Parnassus niet langer de vluchtheuvel der muzen is, half tempel half bordeel, maar een liefst omheind en hermetisch afgesloten detentiekamp ergens in het Siberië van het woord, waarheen het schrikbewind van de ultieme definitie zijn dissidenten verbant.

Maar tegelijk levert dat regime daarmee het bewijs voor zijn eigen doodsangst, en de erkenning van de futiliteit van zijn aanspraken. Daar in dat Siberië bevinden we ons wie weet vlakbij de poolcirkel, nabij de oevers van ‘de rivieren ten noorden van de toekomst’ waarin Celan zijn net uitwerpt.

Terwijl we achter het net van morgen vissen, zijn we tegelijk doortrokken van nostalgie. Of we nu vertrouwen stellen in de blijvende vitaliteit van de oude vormen, of frenetiek het nieuwe zoeken en het oude dood verklaren, we rommelen in oude dozen. We smukken ons op met geruststellend weten. We schijnen het verleden volledig te doorgronden of verlangen van het nieuwe dat het heel precies aan onze verwachtingen beantwoordt. In beide gevallen staan we stijf van het heimwee. We schrijven romans die romans herdenken, proza dat zich als grafgift wegschenkt aan zichzelf: Meville-maquettes en Tolstoj-maquettes, Mann- en Musil-maquettes, Dostojevski-maquettes en Cervantes-maquettes, Sterne-spielereien en Joyce-bouwdozen en legpuzzels van Boon. Aan onze vingers ontspruiten breekbare bordkartonnen mastodonten of kwinkelerende mechanische kolibries. Het proza overkomt daarmee wat in de natuur voorvalt met diersoorten die in afgelegen valleien of op verre eilanden geïsoleerd raken: schildpadden zwellen er op tot kruipende caravans terwijl olifanten krimpen. In de periferie van de evolutie ontstaat een fascinerende biologische fantastiek, maar we kunnen onmogelijk zeggen welke schepselen uiteindelijk levensvatbaar zullen blijken. De toekomst is niet aan ons, maar aan zij die komen gaan.

De poëzie is daarbij voor mij de wachtplaats bij uitstek. In de gispende en gutsende taal van het vrouwelijke heb ik met de jaren steeds vaker de echo beluisterd van een andere taal, een taal ‘onder’, ‘achter’, of ‘voor’ de taal die we dagdagelijks bezigen. Een taal die niet de idyllische koelte verspreidt van een soort platonische ‘ideale’ taal, helder en consistent, de droom van Leibniz. Ik stel me die ‘volledige’ taal veeleer voor als het oppervlak van de zon, een voortdurend levensschenkend, potentieel moordend inferno. Een ‘Al-taal’ die gedurig aan uitbarst in nog onbeproefde semantieken, fumerolen van grammatica’s uitspuwt, in haar kern ontelbare nucleaire explosies tegelijk orchestreert en protuberansen vol bijklanken tot lichtjaren ver de woordruimte in slingert, die onze kompasnaalden doen sidderen.

Mij zijn deze teksten dierbaar waarin die onbereikbare oorspronkelijkheid de woorden, de zinnen, het genot en de orde van het woord en zijn regels doet trillen als serviesgoed tijdens een aardschok. Onze existentiële positie mag er dan sinds Beckett één van wachten zijn, niets weerhoudt ons ervan haar om te zetten in een poëtica die gestoeld is op een lijdzame alertheid, waakzaam voor de mogelijke manifestatie van het gans andere. De generaties voor ons hebben het ons niet onmogelijk gemaakt om het nieuwe te zoeken, ze hebben ons in wezen vrijgemaakt om er te zijn wanneer het nieuwe ons zoekt. We moeten dus blijven luisteren, ongebreideld luisteren, alles besnuffelen, ook wat zogezegd allang achter ons ligt. De taal waarin de oorsprong spreekt, is essentieel profetisch, schrijft Maurice Blanchot. Ik weet dus niet in welke woorden de betekenis zal aanbreken, maar ik weet wel dat alleen gedichten met poten ze zullen horen.

Erwin Mortier

Deze tekst is een ingekorte versie van een essay dat binnenkort verschijnt in Yves T’Sjoen en Koen Vergeer (redactie) ‘De Volksverheffing. Jaarboek voor poëzie 2007,’ Uitgeverij Atlas, 176 pagina’s

Links
Het boek, op de stek van Uitgeverij Atlas
De Standaard op het web