DE SCHRIJFSTER EN DE ZEE

ERWIN MORTIER OVER VIRGINIA WOOLF IN HOLLANDS DIEP

"Hollands Diep", het Nederlandse kwaliteitsblad, publiceert in zijn jongste nummer een tekst van Erwin Mortier over leven, werk en dood van Virginia Woolf. Mortier voltooit momenteel zijn vertaling van Woolfs jongste roman "Between the Acts", het enige van Woolfs verhalen dat nog nooit in het Nederlandse werd vertaald. 'Een pijnlijke omissie waaraan straks gelukkig een einde komt,' aldus Mortiers uitgever.
Een uittreksel uit de tekst voor "Hollands Diep" kunt u hier lezen.

Het was een doorregende augustusmaand begin jaren negentig toen ik Monk’s House bezocht, het buitenhuis van Virginia Woolf en haar echtgenoot Leonard, in Lewes, East-Sussex. Het moest er vroeg of laat van komen. Woolfs oeuvre had me sinds ik het rond mijn achttiende leerde kennen nooit meer losgelaten, maar mijn man en ik waren die zomer eerder toevallig in de buurt. Zuid-Engeland ging schuil onder regen en onweerswolken als drijvende burchten. Aan de kust hield de mensheid zich achter tegenspartelende paraplu’s staande tegen gierende wind en regenvlagen. Dus waren we het binnenland ingetrokken, langs de boorden van de rivier de Ouse, en hadden daar een wegwijzer naar Rodmell gezien, het gehucht waar het echtpaar gewoond heeft.

De stroom waarin de schrijfster een halve eeuw eerder haar dood had gezocht, baande zich in een korset van hoge kale dijken een weg naar de kust, omringd door polderland dat een meter of wat lager lag. Het kolkende water had niets idyllisch. Niets van de heldere, gemoedelijk kabbelende stroom die ik me voorgesteld had, met langoureus waaierend wier of schichtige forellen. Zand en leem gaven het ziedende sop een vale, geelgrijze kleur die geen licht doorliet, alsof er stopverf door die bedding stroomde. Het maakte wel duidelijk waarom het zo lang duurde voor men, eind april 1941, het lichaam van de schrijfster terugvond, niet veel verder stroomafwaarts van de plaats waar ze bijna drie weken eerder in het water was ondergegaan, met in haar jaszak een paar stevige keien om te vermijden dat ze zou bovendrijven – wat een dag of twee voordien, toen ze wellicht een eerste poging ondernomen had, vermoedelijk gebeurd was. Leonard had haar toen druipnat, bleek en bibberend het tuinpad naar hun woning zien betreden. Ze had gezegd dat ze uitgegleden was op één van de dijken.

Verdrinking is niet de makkelijkste manier om er een einde aan te maken, al betrapte ik me erop dat ik het een passende dood vond voor een schrijfster die het zich in haar werk ook nooit gemakkelijk heeft gemaakt. Van zodra ik bewust begon te schrijven is ze een voorbeeld en een veeleisende leermeesteres geweest. Mede door haar geschriften besef ik steeds weer dat de tijdsdimensie van de roman de onbegonnen mogelijke tijd is, de eeuwig schrijnende actualiteit van wat had kunnen zijn, een dimensie die verleden, heden en toekomst te boven gaat. Samen met illustere voorgangers als Flaubert of haar tijdgenoot Joyce heeft ze me vooral bewustgemaakt van de ontembare democratie van het woord. ‘Er zijn geen posities en titels in de gemeenschap der woorden,’ zei ze tijdens een lezing zes jaar voor haar dood. ‘Ze haten het om nuttig te zijn, ze haten al wat hen in één betekenis wil opstapelen. Want het ligt in onze natuur om te veranderen en misschien is dat onze opvallendste overeenkomst: hun behoefte aan verandering. Het is omdat de waarheid die de woorden willen vatten veelkantig is, en ze laten die blijken door veelkantig te zijn.’ In de taal sluimert voor Woolf een onbedwingbare kracht die de potentie bezit om doorheen alle sociale en maatschappelijke scheidslijnen heen te breken en alle barrières te slechten. ‘Wetten uitvaardigen voor zulke onverbeterlijke vagebonden is zinloos en waardeloos. Een handvol triviale regels voor spelling of grammatica is al wat we aan greep op ze hebben.’

Ze was een van die schrijvers die begreep dat goed schrijven begint bij aandachtig luisteren. Luisteren hoe we, wanneer we spreken, niet alleen bezig zijn met onszelf duidelijk te maken, of liever; hoe we ons alleen duidelijk kunnen maken door bewuste en onbewuste, en bovenal onophoudelijke pogingen om het uitgestrekte, oceanische bewustzijn dat schuilgaat in de woorden in te dammen en te kanaliseren, om de vloed der betekenissen en bijklanken onder bedwang te houden. Taal en woorden zijn het medium waarmee we buiten onze oevers treden. ‘Ik wil een kleine taal zoals minnaars bezigen,’ verzucht een van haar personages aan het einde van "The Waves". ‘Woorden van één lettergreep, zoals kinderen spreken wanneer ze een kamer binnenkomen en hun moeder aan het naaiwerk treffen en een pluk heldere wol oprapen, een veder of een reep stits. Ik wil gejank, een schreeuw. Wanneer de storm over de weilanden komt en over me heen jaagt waar ik in de sloot ongezien lig behoef ik geen woorden. Niets van de resonanties en lieflijke echo’s die losbreken en van zenuw naar zenuw galmen in onze borst, wilde muziek makend, valse frasen. Ik heb het gehad met frasen.’

Er klotst altijd water in Woolfs woorden, haar beeldtaal, haar ritme, wanneer ze het over taal en bewust zijn heeft, dus ik dacht, toen we op weg naar haar huis in Southease de brug over de Ouse namen, de brug waaronder haar lijk teruggevonden werd, dat het een dood was voor in een roman: Woolf en het water, de wieg van haar stijl, haar modderig, kolkend doodsbed. Ik was nog jong, een halve of hele snotneus, ongedocumenteerd genoeg in de feiten der sterfelijkheid om zulke romantische beelden te koesteren zonder ze potsierlijk te vinden. ‘De enige ervaring die ik nooit zal beschrijven,’ schreef ze over haar eigen dood. Michael Cunningham deed dat in haar plaats, aan het begin van The Hours: ‘De steen trekt haar omlaag. Een ogenblik lang, heel even, lijkt het niets te zijn, het lijkt de zoveelste mislukking, gewoon kil water waaruit ze vlot terug kan zwemmen; maar dan slaat de stroming zich rond haar en neemt haar met zo’n plotse, gespierde kracht mee dat het voelt alsof een sterke man van de bodem is opgerezen, haar benen vastgrijpt en aan zijn borst gedrukt houdt. Het voelt persoonlijk aan.’

Ik weet het niet. Ze moet bij haar eerste poging ondervonden hebben hoe sterk de reflex om in te ademen van ons organisme is, sterker en sterker naarmate het gehalte aan koolstofdioxide in het bloed toeneemt, tot de drang om in te ademen niet meer te bedwingen valt. De steen moest ervoor zorgen dat ze geen lucht maar een gulp van het geelgrijze sop naar binnen zoog. Haar stembanden en strottenhoofd zullen in een spasme haar luchtpijp afgesloten hebben zodat het water in haar maag terechtkwam, gulp na gulp, druk uitoefenend op haar longen, en wanneer na een paar minuten haar brein, dat schitterende, vonkende brein, begon uit te doven en ze het bewustzijn verloor, zal ook de kramp in haar keel weggevallen zijn en het water zich door haar luchtpijp een weg naar haar longholten hebben gebaand, waardoor ze stikte. Het moet aanvoelen alsof je een muur van ijskoud glas inademt.

Haar dood staat volkomen haaks op het leven dat ze met haar verbeelding en intelligentie in haar personages legde, die uit een onderstroom van taal komen bovendrijven. Ze heeft het in haar dagboek over de holten die ze al schrijvende in haar karakters uitgroef, ‘want dat brengt me exact wat ik wil; menselijkheid, humor, diepte. De idee is dat die holten zich zullen verbinden, en dat ze aan het licht komen in het moment van nu.’

Als ik aan haar dood denk, denk ik nu vooral aan het gebrom van de bommenwerpers dat in haar laatste, postuum gepubliceerde roman, "Between the Acts", de rust van een zondag op het platteland verstoort, en dat ze in Londen kon horen, voor haar woning daar in de Blitz vernield werd. Ik denk ook aan de doden die haar vooraf zijn gegaan, waaronder veel vrienden in dat eerste oorlogsjaar, die het deden met gas, een kogel of pillen, om aan de terreur te ontsnappen. Ook zij en Leonard hadden bij een eventuele bezetting door de nazi’s zelfmoord overwogen, en ze was zo al vatbaar genoeg voor depressies, hallucinaties en angstaanvallen wanneer ze een roman voltooid had. Misschien kwam daar, door de oorlogsdreiging en het nazisme, ook het besef bovenop dat de taal in zijn ontembare drang om alles te zeggen, met zijn democratische kracht om rangen en standen te overstijgen, in al zijn verzet tegen eenduidigheid, zich uiteindelijk even weerloos tot symfonieën van haat en gruwel leent, als tot humor en menselijkheid en diepte.

Links
Hollands Diep
Monk 's House in Lewes
The Virginia Woolf Society