ELKE DAG BETER EN BETER

DE KLEINE NEURASTHENICUS HERUITGEGEVEN

"Pogingen om Reves denken over religie en verbeelding ernstig te nemen lopen steeds het gevaar dikdoenerij te worden aangewreven. Kennelijk wil men Reve alleen als clown gedogen. Literaire critici zijn doorgaans ook beroepsatheïsten. Op zich geen probleem, maar weinigen zijn daardoor vertrouwd met de levensbeschouwelijke bronnen waaraan Reve zich heeft gelaafd. 'De Kleine Neurasthenicus' mag op zich een akkefietje zijn, als toegangspoort tot juist die ideeënwerelden blijft het onderbelicht."
Verschenen in De Standaard der Letteren - 14 december 2007)

Op het eerste gezicht louter een aardigheidje, die heruitgave van ‘De Kleine Neurasthenicus’, bij de zestigste verjaardag van Gerard Reves klassieker ‘De Avonden’. Verstokte Revianen zullen het boek graag onder de kerstboom aantreffen en kunnen meteen naspeuren hoe vaak Reve op die “beknopte handleiding tot een ordentelijk leven” van dokter Herman Gerard De Cock zinspeelt in zijn roman. Maar allicht hebben zij allang ‘Jezus Maria! Van het Reve, van het Violet en van de Dood’ gelezen, het boekje van Wim Wennekes, die zulk speurwerk dik tien jaar geleden al eens uitputtend heeft verricht.

Amusante lectuur blijft dit zelfhulpboekje uit 1922 zeker. Die dokter De Cock is een geneesmens van het oude stempel, een handlanger van God. Waste meneer pastoor middels de biecht de ziel schoon, dan zette de heer dokter recht wat qua zenuwen was scheefgegroeid. De toon waarmee De Cock de hulpzoekende neuroot aanspreekt heeft iets priesterlijks: autoritair, om niet te zeggen paternalistisch, en doorspekt met melige grapjes die zijn gestrenge adviezen moeten verzachten. Dat het een kwestie van willen is, als je van je gepieker, angsten en dadenloosheid af wilt, daar komt het, niet eens onrechtvaardig kort samengevat, op neer.

De Cock steunt daarbij zwaar op de ideeën van de Franse psychiater Pierre Janet en de bizarre apotheker en halve wonderdokter Emile Coué. Beiden maakten de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw mee maar zijn in het vergeetboek van de medische geschiedenis terechtgekomen. Janet meende dat voor de behandeling van neuroten de zenuwarts constant op de patiënt moest inpraten, een vorm van hypnose. Coué vond dat de patiënt die rol ook voor zichzelf kon spelen, en dus zelfhypnose kon toepassen, bijvoorbeeld door dagelijks mantra-achtige zinnen te herhalen als “Iedere dag, in alle opzichten, gaat het mij beter en beter.” De methode Coué werd, wat niet moet verbazen, immens populair na de gruwel van de Eerste Wereldoorlog. Dokter De Cock pikte daar in 1922 graag een graantje van mee.

Toch is ‘De Kleine Neurasthenicus’ meer dan een curiosum. De kracht van de wil valt voor een dieper begrip van de persoon Reve en diens oeuvre moeilijk te onderschatten. Dat geldt nog meer voor die specifieke uiting van de wilskracht, die voor elke kunstenaar onontbeerlijk is; de verbeelding, en al helemaal voor het ultieme menselijke fantasme dat we religie noemen. Janet roemde godsdiensten als hulpmiddel voor neuroten omdat ze een systeem, een kader aanbieden. Coué observeert zelfs dat wie zich de Godheid met behulp van de verbeelding steeds levendiger voorstelt, Hem ook daadwerkelijk ontmoet: “Wat wij denken, wordt waar voor ons.” Een beschouwing die direct afkomstig is van de Duitse mysticus Jacob Böhme. Ook De Cock citeert met overvloed uit de mystieke en filosofische traditie.

Pogingen om Revs denken over religie en verbeelding ernstig te nemen lopen steeds het gevaar dikdoenerij te worden aangewreven. Kennelijk wil men Reve alleen als clown gedogen. Literaire critici zijn doorgaans ook beroepsatheïsten. Op zich geen probleem, maar weinigen zijn daardoor vertrouwd met de levensbeschouwelijke bronnen waaraan Reve zich heeft gelaafd. De Cocks boekje mag op zich een akkefietje zijn, als toegangspoort tot juist die ideeënwerelden blijft het onderbelicht.

Vanuit De Cocks wilskracht kun je een directe lijn leggen met Reves bewondering voor de filosoof Arthur Shopenhauer, wiens hoofdwerk, ‘De wereld als wil en voorstelling’, de volksschrijver naar eigen zeggen elk jaar tussen Kerst en Nieuw herlas. Zonder het vermogen van de verbeelding om ‘werkelijkheid’ te scheppen, begrijpen we ook niets van Reves eigenzinnige religiositeit als ‘waarheid dragende verbeelding’. En we zullen ook weinig snappen van diens pleidooien voor de rechtbank, waarmee hij zichzelf in 1966 tegen de aanklacht van godslastering verdedigde, en gelijk kreeg. Reve had in geschrifte Christus als ezel voorgesteld en er de liefde mee bedreven. Schandelijk, oordeelde fatsoenlijk Nederland. ‘Ik heb al vaker gezegd, dat ik niemands Godsbeeld misgun, maar erop blijf staan, desgewenst uitbeelding te geven aan het mijne,’ antwoordde de schrijver. Een uitspraak die in tijden van multiculturele debacles alleen maar aan relevantie wint.

Bovenal moeten we de kracht van wil en verbeelding ook doortrekken naar Reves schriftuur. De angsten en obsessies die zijn personages met allerlei middelen trachten te beheersen én de superbe stilistiek waarmee de meester ze beschrijft, vertonen allebei een sterk geritualiseerd karakter. Onder zijn pen vloeien bezwering en betovering samen. Wie bereid is ‘De Kleine Neurasthenicus’ in dit licht te lezen, kan zich dus niet alleen ernstig amuseren met de amusante ernst van dokter De Cock. Of het boek ook een sleutel tot de ‘ziel’ van Gerard Reve biedt, hangt af van onze wil om die sleutel in het slot te keren.

Erwin Mortier

Links
Pierre Janet, in zijn eigen woorden
De methode Coué vandaag
Het boek te koop