ONAFHANKELIJK, DWARS EN STRIJDLUSTIG

Bij het overlijden van Gerard Mortier

"In een week tijd hebben we in Gerard Mortier en Jan Hoet twee vaders verloren. Ze hebben een creatieve storm over dit land gejaagd. Ze hebben de kracht van verandering belichaamd, lang voor dat een cynische slogan werd. Ze konden roekeloos zijn, op het excessieve af, en ze maakten niet altijd vrienden, maar ze waren wars van cynisme."
(in De Standaard van 10 maart 2014)

**

Gerard Mortier heb ik bijna dertig jaar geleden voor het eerst ontmoet, in Brugge, ik was nog student. Hij zat met Jan Hoet in een debat over Europa, over de kunst en de drastische besparingsrondes die onderwijs en cultuur in ons land in die tijd moesten ondergaan.
Ik herinner me van die avond het vuur van Hoet, zijn ogenschijnlijke impulsiviteit, de gebalde vuisten, de gloed in de blik, en daarnaast Gerards snedige standpunten, gedragen door een grote eruditie, met een beheersing die minstens even bedrieglijk was.

Hoet liet zijn intellect altijd op de achtergrond, Gerard zijn passie. Het typeert hen dat ze na het debat lang bleven hangen om met ons, een groepje bleke twintigers, na te praten. Hoet maakte zich druk over parvenu’s die werk van Cézanne boven hun dressoir konden hangen alsof het onschuldige genretafereeltjes waren. Gerard had het over Verdi, die in zijn opera’s de ruimte opende voor de politieke spanningen van zijn tijd, zoals hijzelf dat als intendant van de Munt en ook in zijn publieke stellingnames betrachtte. Hij wilde overtuigen, het debat openbreken en hij kon, net als Jan Hoet, incasseren. What doesn’t kill you makes you stronger.

We leerden elkaar pas later persoonlijk kennen, nadat ik gedebuteerd had, via gemeenschappelijke vrienden. Van toen af aan liet hij geregeld van zich horen: een korte groet over de telefoon wanneer hij in Gent of Brussel was, of geschreven levenstekens: ‘Ik hoop dat het goed gaat met jullie, ondanks de draaikolkbeweging van deze tijden, waarbij de BHV-problemen in België als een surrealistische farce op me overkomen.’

Hij verloor zijn vaderland nooit uit het oog. Zijn ergernis over de politieke inertie van de afgelopen jaren maakte hem een tijdlang gevoelig voor de retoriek van de N-VA, wat in zijn ruimere vriendenkring menig wenkbrauw deed fronsen, maar het kenmerkte zijn onafhankelijke geest, net als de openhartigheid waarmee hij naderhand op zijn analyse terugkeerde en zijn ontgoocheling over de karikaturale vertekening van het communautaire debat scherp liet blijken. ‘Commentaar krijg je altijd’, schreef hij daarover, en ook over het geneuzel dat hier en daar te noteren viel na de Claus-lezing die hij vorig jaar rond deze tijd in Antwerpen gaf. ‘Gelukkig heb ik geleerd die niet meer te lezen, de goede noch de slechte.’

Hij had me, beschroomd, bijna verlegen, gevraagd of ik zijn tekst wilde nalezen en hij trok een dag uit om mijn suggesties met hem te bespreken. Nadien gingen we eten in de stad. Hij was nog altijd de nieuwsgierige man, fris en krachtig van geest, die ik als twintiger voor het eerst hoorde spreken. Maar zijn toekomst baarde hem zorgen en maakte hem, wat hij ook niet verborg, onzeker. ‘Hoe lang zal ik nog kunnen doorgaan op dit elan?’ vroeg hij zich af. ‘In mijn wereld kun je het niet rustiger aan doen, je moet op topniveau blijven presteren. En straks word ik zeventig, weet ge dat?’

Hij voelde dat er een kantelmoment aankwam. Ik suggereerde, in het besef hoe onrealistisch zulks was, dat hij naar Gent zou kunnen terugkeren, maar hij schudde het hoofd. Hij had zijn flat aan de Leie verkocht. ‘Brussel is mijn stek’, zei hij. ‘Brussel is waar het gebeurt.’

Een korte, hevige ziekte heeft nu aan zijn onzekerheid een einde gemaakt. Hij moest nog meemaken hoe de opera van Madrid hem brutaal opzijschoof, maar hij liet zich zijn strijdbaarheid niet ontnemen. ‘Alles hangt nu af van de therapie. Ik heb nog een goede moraal, maar het is wel nodig dat ik intellectueel bezig ben. Ik hoop met voordrachten, artikels en interviews verder te ijveren tegen het nationalisme, voor Europa, het belang van de culturele opvoeding. Ik volg je ontwikkeling en dank je daarvoor.’ Ook dat typeert hem. Ik heb duizend keer meer reden om hem dankbaar te zijn.

In een week tijd hebben we in Gerard Mortier en Jan Hoet twee vaders verloren. Ze hebben een creatieve storm over dit land gejaagd. Ze hebben de kracht van verandering belichaamd, lang voor dat een cynische slogan werd. Ze konden roekeloos zijn, op het excessieve af, en ze maakten niet altijd vrienden, maar ze waren wars van cynisme.

De lente hangt lam in de bomen vandaag. Ik zal Gerard missen. Het is nu aan ons.

(c) Erwin Mortier