HEMELPOST VOOR JOZEF VERDRU

JONGSTE DODE VAN DEN GROOTEN OORLOG

In de eindejaarsperiode vroeg de boekenbijlage van de krant "De Morgen" aan een aantal auteurs om een brief te schrijven aan een persoon die overleden is. Erwin Mortier richt zich tot Jozef Verdru: "U had een vuurtje gestookt. Daar was het de tijd van het jaar voor. Eind oktober. Aardappeltijd. Ik kan me uit mijn kindertijd nog altijd de geur van brandend aardappelloof voor de geest halen die in blauwwitte rookslierten over de kale akkers dreef nadat de boeren de oogst hadden gepoot. Maar in de streek waar u leefde en stierf is het seizoen der knollen ook dat der projectielen."
Meer "hemelpost" valt te lezen in "De Morgen - Uitgelezen" van 26 december. Afzenders zijn, onder anderen, Yves Petry, Geert van Istendael, Gerda Dendooven, Annelis Verbeke, Peter Terrin en Geert Buelens. Op 2 januari volgt een tweede lading post voor de doden.

Beste Jozef Verdru,

Uw naam las ik in de krant, ergens onderaan, verloren in het niemandsland tussen feit en fait divers, een dag of twee na uw dood, eind oktober. En later zag ik u op televisie. Althans niet uzelf, maar buren van u: boeren in de Westhoek, op de flanken van de Kemmelberg. Ze hadden een harde knal gehoord op uw erf. Toen ze kwamen kijken wat er aan de hand was, vonden ze uw lichaam, doorzeefd van metaalscherven, zo bleek later, nadat de politie erbij geroepen was. Die vond ook scherven in het koetswerk van een vrachtwagen die verderop geparkeerd stond. De conclusie lag voor de hand.

U had een vuurtje gestookt. Daar was het de tijd van het jaar voor. Eind oktober. Aardappeltijd. Ik kan me uit mijn kindertijd nog altijd de geur van brandend aardappelloof voor de geest halen die in blauwwitte rookslierten over de kale akkers dreef nadat de boeren de oogst hadden gepoot. Maar in de streek waar u leefde en stierf is het seizoen der knollen ook dat der projectielen. U was wellicht vergeten dat u er een paar uit de grond had gehaald. Misschien had u ze klaargelegd op een stapeltje, om dan, zoals gewoonlijk, de kerels van de ontmijningsdienst te bellen. Dat er weer een paar van die rakkers voor ze klaarlagen.

Het is dagelijkse kost, waar u woonde. Van wandelingen uit mijn kindertijd herinner ik me de holle wegen in de hellingen van de Kemmelberg, en de hoopjes roestbruin springtuig in de berm aan de voet van de lantaarnpaal. Drieduizend keer per jaar rukken de jongens van de ontmijningsdienst uit naar verluidt, om de oogst aan dodelijke knollen in te halen. Dat is algauw tien keer per dag, met allicht piekmomenten in de herfst, bij het rooien, of in het voorjaar, wanneer de ploeg van stal wordt gehaald. Als iedereen zou bellen telkens wanneer er weer zo’n onding uit de bodem komt, zouden ze van DOVO misschien wel tienduizend keer op pad moeten per jaar.
Maar u vergat dat ze er lagen, en in het laatste weekend van oktober wilde u wat rommel verbranden. Toen u met de riek in het vuur koterde ging één van die dingen af, per ongeluk mee in de vlammen gesukkeld, en u werd de jongste dode in een oorlog die al bijna een eeuw voorbij is.

Ik moest aan mijn verre familieleden denken. Zonen van de zus van een overgrootmoeder die kort voor de Eerste Wereldoorlog naar Dranouter verhuisde om er op de goede grond daar, hoopte ze, beter te boeren dan in het grijze stof van Zandig Vlaanderen. Haar kinderen hebben nooit bieten of aardappels gerooid. Toen eind 1918 de vrede uitbrak en zich onder hun zolen de grootste schroothoop ter wereld uitstrekte, besloten ze aaseters van de geschiedenis te worden. Ik herinner me hun achterkeuken. Donker, wegens steeds half neergelaten rolluiken. Daarachter akkers, houtkanten, in de diepte de torens van Belle. En binnen, op de schoorsteenmantel, obussen. Schoongespoeld, leeggehaald, opgeblonken. Obussen die dienstdeden als vaas, als Mariabeeld, als asbak, als cache pot voor de geraniums, of van klein naar groot opgesteld links en rechts van de pendule op het schouwtablet, boven de zingende kachel. En in de tuin, onder een afdak tussen de krieken en de amandelboom, obussen als op hun kant gelegde bijenkorven, de kop nog intact, met vastgekoekte kluiten aarde. We speelden er argeloos tussen het gevaar, tussen het meer dan manshoog opgehoopte koperschroot dat mijn verwanten overal gingen opdelven om het voor grof geld te verpatsen.

Ik moest ook denken aan het kleine soldatenkerkhof dat je vanaf de haag en het afdak waaronder die bommen rustten kon zien liggen. Het was niet groot. Een bakstenen krat voor een stapel menselijke resten onder zerken van de Commonwealth. Wie weet hadden de helmen die rondslingerden tussen het schroot in de achtertuin van mijn verwanten ooit op het hoofd van die dode jongens gestaan. Ze sloegen rood uit door roest intussen, maar ze vertoonden allemaal kogelgaten.

Ik moest ook denken aan een beeld op de televisie, dik tien jaar geleden, tijdens de jongste Balkanoorlog. De Navo had vanuit de lucht Servische doelen bestookt. Eén van de raketten was zonder te exploderen in het hoenderpark van een lokale boerin geland. De vrouw had het wapen met wat kippengaas afgedekt, misschien om te vermijden dat een al te nieuwsgierig hoen een calamiteit had ontketend. Het beeld stemde me treurig. Ik weet nog dat ik dacht: We wuiven de twintigste eeuw uit met hetzelfde bebloede laken waarin ze geboren werd.

En nu is er Irak, en Afghanistan, en Midden-Afrika, en elders. En overal wapens. En overal wacht de ondergrond geduldig en vol mijnen. Men lijdt overal honger, maar aan kogels heerst nergens gebrek.

Dus ik dacht ook aan uw geliefden. Er zal vast wel iemand zijn die u heeft bemind en die nu met een gapend gat in de ziel zit. Ik hoop dat het slijt, dat de leegte niet al te erg schrijnt rond deze tijd van het jaar. En dat uzelf in vrede rust, meneer Verdru, in een bodem zonder scherven.

Erwin Mortier

Links
De heel, heel erg breed opgevatte literatuurpagina\'s op de site van De Morgen
Kort bericht over de dood van Jozef Verdru, bij Het Nieuwsblad
In Flanders Fields