Lofrede voor Robbert Ammerlaan

ter gelegenheid van zijn afscheidsviering, Stedelijk Museum Amsterdam, 27 september 2013

"De Bezige Bij is altijd zoveel meer geweest dan de plek waar schrijvers hun werk onderbrengen. Het is ook een thuishaven, de plek waar ze hun lief en leed kunnen delen, hun hart kunnen uitstorten, hun vragen, hun twijfels, waar ze hun raad kunnen laten horen. Een plek waar hard gewerkt wordt maar ook goed geleefd, een plek waar men op tijd en stond de werktafels opzijschuift om de feestdis te dekken. Dat is de ziel van De Bij, die jij, lieve Robbert, uit haar sluimer hebt gewekt. Net zoals je, in de schaduw van de grijze eminenties, voor jongere aanplanting ruimte en tijd en zuurstof hebt gecreëerd."

Dames en heren,
Lieve Lyvia,
en natuurlijk lieve Robbert,

Toen ik de vraag kreeg of ik jou hier vandaag zou willen toespreken, heb ik niet lang moeten nadenken alvorens ja te zeggen. Ik heb zelfs helemaal niet moeten nadenken, mijn ja sprak voor zich. Maar ik heb me wel lang afgevraagd hoe je feestelijk met lof en luister te overladen, en tezelfdertijd te beseffen dat dit voor jou en voor mij, en voor vele anderen, zonder twijfel ook een Moeilijk Moment is – ik hoop dat ik deze woorden hoorbaar met een hoofdletter uitspreek.

‘Ik heb het er verdomd moeilijk mee,’ zei je me een hele tijd geleden al, over een glas witte wijn, in de Antwerpse Bourla, waar we de afgelopen tien jaar meer dan één glas hebben gedronken, en plannen gemaakt, en gedroomd, en gelachen, en soms ook onze tranen hebben weggeslikt. We hebben er afscheid genomen van Hugo. Ik heb je er vaak de eerste bladzijden van nieuw werk laten lezen. We hebben er ons hart en onze ziel op tafel gelegd, gemijmerd over het leven, de liefde, de kunst, de sterfelijkheid.

Toen je me tien jaar geleden verwelkomde in het huis waar mijn werk en ikzelf zo sterk thuishoren, het goede, veilige, en warme huis dat De Bezige Bij is, waren de grote jongens nog bijna allemaal onder ons. Intussen zijn Gerard, Hugo, Harry en al te veel anderen in het plamuur en de stenen van het pand aan de Van Miereveldstraat opgegaan. En wanneer zelfs jonge snaken als Gerrit zich voortijdig op de Parnassus vestigen, gaat het wel heel erg hard, ineens.

Tegelijk is het een troost om op de roemruchte zomer- en winterborrels van de uitgeverij allerlei jong gebroed, even baldadig uitgelaten als de lente en de zwaluwen, in het huis zijn eigen thuis te zien vinden, en het te zien feesten met ledematen die nog kwiek genoeg zijn om in het holst van de nacht op de tafels te dansen en de wijkagent te alarmeren.

Zo hoort het. De Bezige Bij is altijd zoveel meer geweest dan de plek waar schrijvers hun werk onderbrengen. Het is ook een thuishaven, de plek waar ze hun lief en leed kunnen delen, hun hart kunnen uitstorten, hun vragen, hun twijfels, waar ze hun raad kunnen laten horen. Een plek waar hard gewerkt wordt maar ook goed geleefd, een plek waar men op tijd en stond de werktafels opzijschuift om de feestdis te dekken. Dat is de ziel van De Bij, die jij, lieve Robbert, uit haar sluimer hebt gewekt. Net zoals je, in de schaduw van de grijze eminenties, voor jongere aanplanting ruimte en tijd en zuurstof hebt gecreëerd.

Ik herinner me met diepe ontroering de dag dat je bij mij in Gent op de stoep stond. België deed heel erg zijn best om er op zijn druilerigst bij te liggen: van vocht doortrokken gevels, natte straatstenen, mist op de daken. Maar wat een licht bracht die eerste ontmoeting. We zaten allebei behoedzaam, zelfs enigszins verlegen, in de kamer met het raam op de snipverkouden tuin. Maar het gesprek ging meteen, in alle opzichten, recht naar het hart, de essentie: het werk, niets dan het werk. Het leven, niets dan het leven.

En toen Lieven en ik door jou en de andere mensen aan de Van Miereveldstraat werden verwelkomd, was dat noch min noch meer een van de gelukkigste momenten die ik me kan herinneren: eindelijk thuis. Ik heb moeten aanzien hoe mijn eerste uitgeefhuis, waar ik debuteerde, uit elkaar spatte nadat allerlei sujetten er meenden hun abstracties, hun anonieme calculaties op los te kunnen laten.
Het mag een vingerwijzing zijn voor wie zich vandaag in het land der letteren aan zulke avonturen zou willen wagen. Het vitale kapitaal van een uitgeefhuis blijven de schrijvers en hun werk. Wanneer het allerpersoonlijkste dat een schrijver kan geven, zijn werk, op onpersoonlijke lieden en onpersoonlijke methoden stuit, dan wringt het, en het wringt fataal. Schrijvers schrijven met hun handen, maar ze stemmen met hun voeten.

Ik kan me niet voorstellen dat ik de boeken die ik sindsdien heb geschreven elders zou hebben kunnen schrijven dan bij De Bezige Bij, gebed in dezelfde rust en sereniteit en kunde die jij en de geweldige mensen die jou omringden me daarbij hebben geboden – en ik kan me niet voorstellen dat ik de boeken die trappelen van ongeduld in mijn hoofd ergens anders ter wereld zou brengen.

Ik ben je voor zoveel dankbaar, lieve Robbert. Voor je luisterend oor, voor de beschutting waarmee je mijn werkt omringd hebt, voor de vriendschap, de wijn, de lach, de stiltes, de tranen, de blijdschap. Niet het minst overigens, voor het feit dat ik eindelijk eens een toespraak mag houden waarbij de bejubelde nog springlevend aanwezig is. We hebben wel heel veel uitvaarten bijgewoond.

Ik dank je ook voor de kloeke staat waarin je het huis in handen van Henk hebt overgelaten. Met de gulheid en het vertrouwen dat wij, mijn kunstbroeders en-zusters, en ikzelf, steeds van onze redacteuren en ook van jou hebben ondervonden, hebben hem we opgenomen in ons huis, dat ook altijd, vergis je niet, jouw huis zal zijn.

Weemoed is mijn deel, lieve Robbert. Al van bij onze eerste ontmoeting dacht ik, godverdomme, dat is dus ook de man die ik op een dag zal moeten uitwuiven. En nu is het zover.

‘Ik heb het er verdomd moeilijk mee,’ zei je die middag in Antwerpen. Weggaan, bedoelde je. ‘Ik hoop niet dat ik zo’n uitgever wordt bij wie men op een dag discreet een bedankbriefje onder de deur komt schuiven,’ zei je toen ook.

Ik sluit niet uit dat ik je, in de niet eens zo verre toekomst, alsnog een briefje toeschuif. Daar zal dan in staan: ‘Kom feesten, schavuit! Je hangt hier nog altijd in de spanten. Leg het juk af, kranige krijger. Drink met ons mee. Dans op de tafels als je wilt, ik vertel het niet verder.’

Ik herinner me tijdens een van onze vele gesprekken, dat we het er op een middag over eens waren: een goede uitgever moet verstand hebben van kantklossen, euclidische meetkunde, handlezen, economie, sterrenwichelen, kunst en toegepaste struikroverij.

Witte wijn werkt metaforisch zeer inspirerend, maar het vat het allemaal mooi samen.

Het was magisch. Ik dank je voor die magische tijd, voor die magische jaren, voor alles.

Erwin