VATICAAN: HUIS VAN ACHTERDOCHT EN MORELE BIJZIENDHEID

Roze lobby in de stad van Petrus?

"De reactie van het instituut op onthullingen over het liefdesleven van geestelijken verschilt weinig van de wijze waarop ze reageert wanneer praktijken van seksueel misbruik aan het licht komen...Het probleem lijkt vooral het roomse onvermogen om een onderscheid te maken tussen het verlangen van vele geestelijken naar een priesterschap zonder celibaat en de criminele feiten die andere geestelijken, vaak vanuit een machtspositie, op minderjarigen hebben gepleegd."(In De Standaard Opinie, 17 juni 2013)

Homoseksualiteit en macht, het blijven favoriete ingrediënten voor wie graag in roomse complottheorieën grossiert. Nu paus Franciscus gewag maakte van het bestaan van een Vaticaanse homolobby doen wilde speculaties de ronde over wat er zich allemaal afspeelt om en rond de Heilige Stoel, waarop de Argentijn sinds kort zijn papale derrière neerlaat. Maar bestaat die ‘lobby’ wel?

Is Gods hoofdkantoor in de greep van gezagdragers die allerlei benoemingen bij voorkeur vergeven aan onderhorigen die bereid zijn om meer dan de zegen te ontvangen? Spelen zich achter de poorten van de stad van Petrus exuberante bacchanalen af, tableaux vivants van mannenschoon zonder vijgenbladeren, of is het slechts onze verbeelding, die maar al te graag veronderstelt dat het altijd de anderen zijn, de machtigen, die ongekende toegang hebben tot een genot zonder enig beletsel?

Het valt moeilijk te zeggen. De Kerk is er niet zo happig op om over haar schaamstreek het Fiat Lux af te roepen. Maar wat naar buiten komt is doorgaans vrij armetierig en haast altijd treurig.

Zo werd, enkele jaren geleden, een onbeduidend monseigneurtje betrapt toen hij op een gay chatbox een knappe kerel aanbood om wat dieptepsychologische conversaties over mannenseks te houden, waarna een verborgen camera hun ontmoeting registreerde.

Er zijn ook de exploten van enkele Romeinse parochiepriesters die door een weekblad werden afgeluisterd en stiekem gefilmd tijdens nachtelijke tochten langs roze stripbars, jongenshoeren of de slaapkamers van geheime minnaars.

Er is ook nog meneer Balducci, kamerheer van de vorige paus, voor wie een zanger in een van de Vaticaanse mannenkoren optrad als pooier. Uit telefoontaps bleek dat meneer Balducci zich geregeld van leuke koorzangers voorzag, alsook seminaristen en illegale immigranten, en verder wat fraaie Cubanen, een rugbyspeler en een Napolitaans fotomodel.

Het gros van wat werd blootgelegd betreft echter vooral gewone geestelijken, geprangd tussen de eisen van de roomse doctrines en de noden van hun lichaam en hun psyche. Ze proberen relaties op te bouwen of te onderhouden, met mannen of met vrouwen – meestal met mannen. Of ze pogen celibatair te leven en zoeken af en toe verlichting van hun noden. De meesten leiden een treurig en gekweld bestaan, zeker in de lagere echelons. Een doorsnee parochiepastoortje blijkt stukken kwetsbaarder voor represailles dan de halfgoden aan de top van de hiërarchie.

In de ijle hoogten van de kerkelijke Olympus behoort het chanteren van andermans vleselijke zwakte namelijk al eeuwen tot het arsenaal van het machtsspel. Verraad, verklikking, angst om wat de een weet van de ander, en de ander van de een, binden het Vaticaanse machtsweefsel meer dan zinnelijke uitspattingen na sluitingstijd. Misschien dienen we ons af te vragen wat voor man je moet zijn om in zulk een omgeving te willen gedijen. Belangrijker lijkt me de vraag waarom die cultuur van geheimenis en chantage kan bestaan.

De reactie van het instituut op onthullingen over het liefdesleven van geestelijken verschilt weinig van de wijze waarop ze reageert wanneer praktijken van seksueel misbruik aan het licht komen. Naar aanleiding van de pandemie van getuigenissen over kindermisbruik door geestelijken liet kardinaal Bertone, tot vandaag Vaticaans staatssecretaris, noteren dat ‘veel psychologen en psychiaters hebben aangetoond dat er geen verband bestaat tussen het celibaat en pedofilie. Maar vele anderen hebben aangetoond dat er een verband bestaat tussen homoseksualiteit en pedofilie. En dat is het probleem.’

Het probleem lijkt vooral het roomse onvermogen om een onderscheid te maken tussen het verlangen van vele geestelijken naar een priesterschap zonder celibaat en de criminele feiten die andere geestelijken, vaak vanuit een machtspositie, op minderjarigen hebben gepleegd. Ook het antwoord van kardinaal Vallini, bevoegd voor het bisdom Rome, op de onthullingen over het nachtleven van zijn pastoors, spreekt boekdelen.

Priesters die een dubbelleven leiden moeten eruit, luidde het kordaat. ‘We wensen hen geen kwaad toe, maar we kunnen niet aanvaarden dat hun gedrag de eer van alle andere priesters door het slijk haalt.’ Los van het feit dat monseigneur Vallini de tent wel mag sluiten wanneer hij zijn voornemen zou uitvoeren, valt op dat zijn bekommernis meer uitgaat naar ‘de eer’ van het ambt dan naar de kwellingen van de betrokkenen. Zoals, helaas, de Kerk maar moeizaam tot consideratie voor de slachtoffers van misbruik kan worden bewogen, en meer begaan lijkt met het intact houden van de façade.

Onderzoekcommissies, geheime rapporten, comités die toezien op benoemingen in de stad van Petrus, kunnen in dit opzicht de cultuur van achterdocht, morele bijziendheid en uitbuiting alleen maar versterken. De Kerk heeft in de eerste plaats nood aan een theologie die de mens, zijn lijf en zijn hunker naar de ander erkent en eert. Dat zal de intriges aan de top wellicht niet meteen doen verstommen, maar het dagelijkse geluk van velen wel verhogen. Het vergt een mentale en intellectuele omslag die alleen een paus in gang kan zetten. Alleen lijkt het niet voor vandaag of morgen te zijn.