EEN PEST ONDER DE MENSEN - NORMALITEIT IS EEN DEBAT

in De Morgen - Boeken & Wetenschap 30/04/2013

"Er waart een verschrikkelijke pest onder de mensen", schreef de goede oude Seigneur de Montaigne bijna vijfhonderd jaar geleden, "ze denken dat ze iets weten." Er is geen domein waarover we zo vaak denken dat we zoveel weten als onze hersenen en ons bewustzijn. Zeker, we weten veel meer dan pakweg twee en een halve eeuw geleden, maar we weten nog steeds niet op welke wijze ons brein, dat prachtige orgaan waarin miljarden cellen voortdurend elektrochemisch met elkaar in verbinding staan, ons bewustzijn voortbrengt. Welke tussenstappen, welke principes of mechanismen maken de transitie mogelijk van blinde en anonieme hersenprocessen naar een bewustzijn dat kan denken, verliefd kan worden, sudoku's oplossen, gedichten schrijven, atoombommen bedenken, zich van zichzelf bewust is, maar ook waanbeelden kan koesteren of door hallucinaties geplaagd kan worden? We weten het niet. We behelpen ons met soms intrigerende speculaties, interessante hypotheses of modellen waarin we, vaak al te gezwind, over tal van hiaten in onze kennis heen springen. Nogal wat van de 'kennis' die enthousiaste psychiaters, psychologen en neurowetenschappers en juichende wetenschapsjournalisten over ons uitstorten, bestaat uit veronderstellingen die mogelijk plausibel zijn, maar waarvan niemand weet of ze echt wel kloppen.

Het is een constante in de fascinerende, intens boeiende, niet zelden ook bedroevende geschiedenis van het psychiatrische denken. Toen de grote filosoof Descartes opperde dat een kleine klier diep in onze hersenen de plek was waar onze van god gegeven ziel in ons mechanische lichaam was verankerd, reageerde zijn tijdgenoot Niels Stens, Deens wetenschapper en bisschop, ironisch. "Na jaren van studie, mijne heren, moet ik besluiten dat we helemaal niets weten", sprak hij een bijeenkomst van geleerden toe. Bijna tweehonderd jaar later zou de Franse anatoom Paul Broca, die het spraakcentrum in onze hersenen had ontdekt, min of meer hetzelfde vaststellen: "Wat betreft onze kennis van de werking van de hersenen lijken we heel sterk op de straatdiefjes in Parijs. We kennen iedere straat en steeg, maar we weten amper wat er zich achter die gevels afspeelt."

Dat is vandaag in wezen niet anders. De neurologie heeft sinds Broca immens veel boeiende ontdekkingen gedaan, ze kan hersenchirurgie verrichten die voorheen ondenkbaar was, maar ze slaagt er nog steeds niet in om achter de gevels te gluren. We kunnen het brein onder scanners leggen; door ons ontworpen computers maken daarmee door ons gecreƫerde berekeningen die ze voor ons omzetten in intrigerende plaatjes waarin actieve hersendelen oplichten. Maar we hebben ons brein nog nooit zien denken of voelen. Achter iedere gevel die we denken te doorbreken lijkt steeds weer een andere gevel schuil te gaan. Geen enkele ontdekking of aanwijzing over de processen in onze hersenen slaagt er tot nu toe in te verklaren waarom dat bewustzijn van ons zich ook van zichzelf bewust moet zijn.

Als iets me steeds heeft gefascineerd in de complexe, troebele en intens menselijke geschiedenis van de psychiatrie, de psychologie en de neurowetenschappen , dan wel dat er altijd plaats is geweest voor wat ik 'wild' of riskant denken noem. Broca bijvoorbeeld, woonde graag bijeenkomsten bij van de in zijn tijd erg populaire frenologen: lui die meenden dat de vorm van onze schedel de vorm van onze hersendelen weerspiegelde. Door iemands schedel af te tasten, meenden frenologen, kon men iets zeggen over iemands geest, want de verschillende hersendelen 'produceren' onze verschillende eigenschappen of kwaliteiten. Volgens de frenologie zit ons taalvermogen net onder ons oog. Broca vond die hele schedelastrologie maar onzin, maar tegelijk vond hij het principe dat verschillende hersendelen verschillende functies uitoefenen, nog zo kwaad niet. De rest is geschiedenis. Heel veel klassieke wetenschappelijke denkbeelden worden in rare wiegjes geboren.

Het siert Allen Frances dat hij - rijkelijk laat - de reductie waartoe 'zijn' DSM aanleiding heeft gegeven betreurt en bekritiseert. Ik weet alleen niet of hij ver genoeg gaat. Normaal en abnormaal, geestelijk ziek of geestelijk gezond, zijn altijd voorwerp geweest van debat. We hebben nood aan een geestelijke gezondheidszorg die al haar kaarten op tafel gooit, niet alleen de troeven, maar ook haar onzekerheden, die talrijk zijn. Met dogma's en a priori's springen we niet ver. Het herstel van een debat dat altijd complex is geweest kan voor ons allemaal alleen maar vruchtbaar zijn. Het is belangrijk dat we niet te snel denken dat we iets weten, om te weten wat we nog willen weten, en hoe we dat hopen te bereiken, en niet het minst: waarom.

Erwin Mortier is schrijver. In de jaren 90 was hij als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Dr. Guislain Museum, waar hij onderzoek deed naar de geschiedenis van de psychiatrie.

(c) ERWIN MORTIER