Brief van priester-leraar De Kei aan Louis Seynaeve. Een hommage aan Hugo Claus

Zoals voorgedragen op Saint Amour 2013 en na te lezen in De Morgen Magazine van 9 maart 2013

Op de literaire tournee Saint Amour 'Omtrent Hugo Claus' kroop Erwin Mortier in de huid van De Kei, jezuïet, leraar godsdienst en verzetsman, met wie Louis Seynaeve, de hoofdpersoon in 'Het Verdriet van België' een ambigue, niet van onderhuidse homo-erotiek verstoken verstandhouding onderhield. Zo knoopt in de roman Seynaeve op een dag in de sacristie zijn gulp los en laat hij een merkteken achter in de soutane van de geestelijke. Tijdens de Duitse bezetting wordt De Kei opgepakt en verdwijnt hij in een kamp. Heeft Louis Seynaeve daarin een rol gespeeld? Dat blijft in het vage. Na de oorlog schrijft de geestelijke vanuit een verpleegtehuis zijn voormalige pupil een brief, waarin hij op hun verhouding terugblikt.

Beste Louis,

Ik heb u al lang een brief willen schrijven, nu de oorlog voorbij is, maar ik heb me er altijd van weerhouden. Waarom? Ik weet niet waarom, een mens kent zichzelf niet. Mijn tijd is op. Uw hart, Eerwaarde, heeft de specialist gezegd, is uitgezakt – ik mag mij in niets ambeteren en van niets laten verschieten. Onze Lieve Heer klemt mij gelijk een druiventros in zijn handen en ik bid dat hij spoedig het sop uit mijn klieren knijpt. Cum dilatasti cor meum – wanneer Gij mijn hart verwijd zult hebben. Ik mag geen zout meer op de patatten strooien, en op mijn broodsmeren de nonnen hier margarine.

Margarine, Louis. Kunt ge u dat voorstellen? Margarine...

Het is uw verjaardag vandaag. April, de bomen ontbotten. De laatste keer dat ik u zag, sloeg in uw eigen botten de lente uit gelijk een ijzig vier. Louis Seynaeve, mijn beste leerling, mijn noodlot, met uw Vlaamse naam en uw marmeren kop, precies of gij zijt nooit geboren, maar opgedolven uit een scheepswrak in de Egeïsche Zee, een heidens beeld tussen de amforen; in uw mondhoek een korst bloedkoraal en onaangetast door de millennia het staal in die lancetten van ogen van u, die fijner dan een scheermes in mijn ziel de namen van al mijn duivels hebben gekerfd.
Ik weet dat ge lacht om mijn bombast, nu ge dit leest. Altijd weer dat geniepige plezier in mijn onnozelheid. Ik weet dat gij me verraden hebt, het geeft niet, Ego te absolvo a peccatis tuis in nomine enzovoort. En ge zult blijven verraden. Ik weet het, ik voel het. Er zijn maar drie eerbare beroepen: priester, soldaat of dichter. De priester wordt geroepen door de genade, de soldaat gehoorzaamt het bevel. De dichter, Louis, pleegt uit liefde verraad.

Ik wist het de dag dat ge voor mij op uw knieën viel in de sacristie, met uw meest serviele smoel op. Om uzelf een uitleg te geven wreeft ge met de stof van uw mouw de punten van mijn bottines proper, en ge liet uw hand op mijn knie rusten, uw plompe warme hand op mijn knie onder de kazuifel. Toen wist ik: dat is dat duivelsjong, dat godenkind zijn judaskus; ik ben de hond die moet verzopen worden omdat zijn vlooien in uw kuiten bijten, is het niet, Seynaeve Louis, heden achttien jaren oud – de leeftijd waarop de goden de knapen volgieten met eeuwigheid?

Gij denkt dat de dood u zal ontzien. Dat hij op een boomtak zal landen en daar wat onnozele liedjes zal fluiten, zoals gij op de speelplaats van het college met uw handen op uw rug ‘Mie Katoen’ liep te fluiten, de dag dat ze mij kwamenophalen en in die auto duwden, de zwarten, de handlangers, de meelopers, de gedienstigen – de dag, Louis, dat ik in gedachten mijn handen op de uwe legde en ze toevouwde, en ik in uw naam vergeving afsmeekte voor de doodzonde van uw jeugd, mijn verzoeking.

Ik heb niet lang meer. Stel u een kamer voor zonder iets of wat, een tafel, tweestoelen. Eén stoel achter de tafel, de andere ervoor, onder een gloeilamp. Dat is het bruidsvertrek, Louis, dat gij voor ons bereid hebt. Op de ene stoel, die áchter de tafel, zit een vent met een kop gelijk een druppelteller boven een map met een potlood te draaien. En op de andere stoel, sta ik, Evariste de Launay de Kerchove, uw leraar godsdienst, met alleen nog een onderbroek rond mijn gat, met rond mijn nek een koord dat over een haak in het plafond is geworpen. Af en toe trekt een andere vent, een kerel met de nek van een varken, de stoel weg en daar hang ik te spartelen, Louis, en fluiten dat ik doe, vanuit mijn huig, terwijl de druppelteller, mij, gelijk in de Litanie van de stervenden, al de zoetgevooisde verdenkingen toeblaft die gij over mij hebt rondgestrooid:

‘Een priester van plutocratische beginselen, geeft gij toe dat gij ledige filosofieën verkoopt over de judeo-christelijke erfenis die het volk verdwazen, wijl gij, die toch niet dom zijt kennelijk verwerpt dat Dietsch und Deutsch aus einer Wurzel ontstaan zijn en dat die neue germanische Ordnung door alle Beteiligte im völkischen Schicksalsinteresse in zich die Verpflichtung Deutsch und Dietsch niet sprakelijk-filologisch in Antithese maar zondern Geschichts- und Toekomstbildend in Synthese mit Starke rughaltloze bekentenis tot Zusamenarbeid mit dem grossen deutschen Brudervolk… Zet hem maar weer op zijn stoel, Omer.’

Mijn longen barstten, ik zoog de lucht op gelijk een beest, telkens weer… Ego eduxi te de Aegypto, et tu me tradidìsti principibus Sacerdotum, Louis. Ja,ik weet dat het u spijt... Hebt ge mij dan zo graag gezien? Zo onverdraaglijk graag, dat ge mijn lijf als brood hebt willen breken en mijn bloed aan die jakhalzen hebt gevoerd?

Telkens wanneer die varkenskop aan mijn haar mijn gezicht naar zich toe trok, zag ik doorheen zijn ogen de uwe, die messen van ogen, en ik dacht: Als dit dan de enigste gedaante is waarin Louis Seynaeve, mijn zwarte Engel, tot mij kan komen, als hij het masker van de beul moet opzetten omdat hij niet in de spiegel van zijn eigen ziel kan kijken, wel, dan laat ik mijn vlees in de tanden van de wolven over – gij, Louis, mijn doodskopvlinder, mijn aanbeden krater.

lk gaf me over en bad mijn eigen litanie. Op het ritme van die paternoster van vuistslagen, in mijn ribben, mijn buik, tussen mijn schouderbladen, bad ik:
Voor Outer en Heerd.

Voor de Pan-Europaeïsche Gedachte.
Voor ons bier en onze macaroni met hesp en kaas
.
Voor de stoere Kruisvaarder Godfried van Bouillon, en Boudewijn, de Eerste en de Tweede, de Keizer van Constantinopel.
Voor onze verknipte geschiedenis. Vlaanderens glorie. En voor uw haat en uw liefde en uw bronst, Louis.

Voor de Boerenbond en de Bond van de Jonge Gezinnen.
Voor de eigenheid van ons volk en ons vakantiegeld.

Voor Hellas en Germania, Hölderlins droom, en voor de dichters in 't algemeen, die toch de loodgieters van de ziel zouden moeten zijn, Louis.

Voor de Abstracte God, de Onbewogene, de Allereerste Beweger.
En voor de Beweger in onze broek.

Drie dagen en twee nachten hebben ze mij uitgewrongen, tot ik als een bebloed vaandel aan dat koord hing. Natuurlijk, af en toe zij gingen eten, en wanneer zij terugkeerden roken hun vingers naar gebakken buikspek en sperzieboontjes, of kalfsgebraad met groentekrans en kroketjes…
Wij zijn verschijningen, Louis. Wij zijn nooit wat de anderen denken dat wij zijn. Bid voor mij. Schrijf voor mij. De volgende brief die gij van mij zult krijgen, zal mijn doodsbrief zijn. Tu es sacerdos in Aeternum zal daarin staan, ex utero ante luciferum genui te. Uit de baarmoeder des dageraads komt tot U de dauw van uw jeugd.

Ik weet wel, welk offer gij in mijn misgewaad geplengd hebt. Ik ben namelijk nogal proper aan mijn eigen. Ik heb uw schandvlek gekust, als was het de ciborie. Geen hogere lof voor onze Heer dan de blasfemie. In elke cel van uw zaad, mijn vriend, zitten God en zijn moeder.

Mij overkwam het de derde dag, de laatste. In schokken, in korte, kortademige gulpen betraande ik mijn ondergoed – ’t schijnt medisch gesproken redelijk normaal te zijn bij zuurstofgebrek; de genade van de gehangenen in hun laatste stuiptrekking. Mij lieten ze zakken, grijnzend, en daar lag ik op de vloer, uw bevlekte ontvangenis: alle 220 botten in een mensenlijf als een losse scheplinzen in de handen van mijn beul -in de uwe. Blijkbaar was ik genoeg geherstructureerd om voortaan in het gareel te lopen, in de pas te manken, in Zusamenarbeid mit dem grossen Brudervolk.

Schrijf mij uw biecht, Louis. ’t Geeft niet wanneer. Ik zal allang van die margarine verlost zijn. Ik zal ze niet meer lezen, uw bekentenissen.
Alhoewel, wie weet. Ge kunt ook denken dat iemand na zijn dood een gedeelte wordt in het geheel van miljarden gedachten en gevoelens die in het Heelal zijn opgenomen, in het Principe zelf, en dat dit een zeker bewustzijn niet uitsluit.

Ik zie U lachen, altijd weer dat geniepige plezier.

Pleeg het schoonste verraad dat ons volk behoeft, Louis. Lach maar, jank maar.

Het ga u goed, ik heb u altijd graag gezien.
Uw genegen,
Evariste de Launay de Kerchove,
bijgenaamd De Kei.

(c) Erwin Mortier