PONTIFEX MINIMUS. EEN KORTVERHAAL.

Verschenen in ' Habemus papam. Het profiel van de volgende paus.' (2004)

(Kortverhaal verschenen in 'Habemus papam. Het profiel van de volgende paus', samenstelling Rik Torfs en Kurt Martens, Davidsfonds/Leuven, 2004, 189 .pp). Voor de aardigheid on line tot de witte rook er is.

"Hij moest één van die Heilige Vaders zijn die verkozen raken louter omdat ze over het hoofd worden gezien. Het heette het werk van de Geest te zijn, maar als je zelf voor de Geest werkte had je nu eenmaal de neiging om ieder toeval als een beslissing van het management te beschouwen. Een andere verklaring kon hij niet vinden

Toen hij de ochtend nadien wakker werd duurde het een tijd voor hij zijn omgeving herkende. Hij had het gevoel dat hij ontwaakt was in een dure hotelkamer met iets betere kunst aan de muren dan gewoonlijk, maar niettemin een plaats waar hij discreet werd gewekt, waar het ontbijt klaar stond, de lakens ongezien werden ververst en zijn schoeisel gepoetst. Zaken van een onvermoede luxe in het onbeduidende aartsbisdommetje waar hij vandaan kwam, en waar hij zijn bisschoppen brieven stuurde met de mededeling dat hij die op dag om dat uur zou bellen, zodat de betreffende Monseigneur op het vermelde tijdstip, omringd door zijn secretaris, de werkster en de helft van zijn diocees, plechtig kon opnemen en iedereen getuige mocht zijn van de boodschap van meneer de kardinaal.
Meestal besloot hij de conversatie met een collectieve zegen, waarbij de bisschop de hoorn als de kop van een douche boven zijn kudde hield. Men lachte vaak wanneer hij deze anekdote vertelde tijdens werkbezoeken boven de evenaar, een lach die hem niet helemaal beviel. Hij leek erdoor te krimpen, en hij was al zo klein.
Er werd zacht op de deur van zijn kamer geklopt en erachter kuchte iemand dat het bad gevuld was. Hij bedacht dat het van nu af aan iedere dag zo zou gaan. Niet alleen een bad, een echt bad van staal met een laagje email, maar tevens het einddoel van leidingen die echt water voortbrachten, geen kabbalistische hoestbui gevolgd door veel lucht en roestbruine drab. De lampen waren hier ook al zo’n wonder. Ze brandden, zelfs als je ze nodig had. Hij vermoedde dat een en ander zou wennen. Alles went, wist hij. Comfort nog sneller dan ellende.

Hij ging rechtop zitten in de lakens en gleed uit bed, veeleer een gecontroleerde val uit dat hemelhoge ledikant dan een beredeneerde beweging. Tot zijn opluchting kwam hij op zijn beide voeten terecht, vlak naast zijn pantoffels. Hij schoof er zijn tenen in, verrukt iets vertrouwds te voelen, de zachtheid van de half verrafelde binnenvoering, het ietwat klamme leder en de lucht die zijn gewicht sissend uit het rubber van de zolen perste.
Zijn eerste woorden in zijn nieuwe hoedanigheid waren, nu hij eraan terugdacht, even spontaan als toepasselijk gebleken. Hij had ze meer gemompeld dan uitgeroepen; ‘Goeie Hemel’, en de zoldering van de Sixtijnse, die hij als jongeman ooit zo perplex had aangegaapt, had ze gelukkig niet van een lange echo voorzien.
Hij had het niet verwacht. Niet zoals de anderen niet verwachtten dat ze tot de kanshebbers behoorden, en naarmate hun voorganger steeds verder tot zijn eigen gedenksteen verstard was hun bescheidenheid nog zorgvuldiger hadden gedoseerd en hun zinnen geolied tot ze alle kanten op slierden om geen enkele alliantie uit te sluiten op het moment van de waarheid, daar, onder de Schepping van Adam, waar hijzelf, toen het verdict gevallen was, leek te worden opgetild tot in de ruimte tussen de vinger van God en de eerste mens, een oneindigheid die vonkte van mogelijkheden.
De verbazing van de anderen had hem snel weer bij zijn positieven gebracht. Ze hadden enigszins van slag geleken. Er was iets gebeurd, maar niemand leek goed te bevroeden wat.
Het was hem, na een nacht eerder onrustig slapen, min of meer duidelijk geworden: Hij moest één van die Heilige Vaders zijn die verkozen raken louter omdat ze over het hoofd worden gezien. Het heette het werk van de Geest te zijn, maar als je zelf voor de Geest werkte had je nu eenmaal de neiging om ieder toeval als een beslissing van het management te beschouwen. Een andere verklaring kon hij niet vinden.
Hij was altijd een onopvallende kardinaal geweest. Hij had zo zijn best gedaan om geen enkele indruk te wekken, laat staan een blijvende, en achtte zich daarbij ruimschoots geholpen door zijn gestalte. Misschien hadden ze zijn gewoonheid opgevat als symptoom van een uitzonderlijk strategisch talent. Hij wist het niet. Hij blonk niet uit in het raden van andermans bedoelingen. De betrekkingen met de confraters waren nooit echt hartelijk geweest, doorgaans inschikkelijk, doch zelden zonder een tikkel geringschatting. Zelfs toen ze voor hem hadden geknield om voor het eerst zijn zegen te ontvangen, staken ze nog met kop en schouders boven hem uit. Mannen van zijn gezegende leeftijd of iets jonger, zeker niet ouder, dat was hem wel opgevallen, afkomstig uit alle continenten. Vogels van zeer diverse pluimage: asceten, levensgenieters, ambtenaren, profeten, bureaucraten...
Hij bezat meer talenkennis dan de meesten onder hen, wat voor de wereldkerk waarschijnlijk niet van belang ontbloot was, maar de talen die hij beheerste, die in zijn hoofd zongen als vurige tongen, al die huizen met elk hun eigen meubilair, drongen zelden door tot wereldconferenties of diplomatieke cenakels.
‘Daarom zullen ze het niet gedaan hebben,’ bedacht hij op weg naar de deur.
Hij had de kloven in de huid van zijn vingers gezien terwijl hij het gebaar van de zegening maakte, en het relatief gave oppervlak rondom die van de anderen. Misschien was het zoals in sommige legers: hoe meer strepen, hoe hoger.

In de hall viel niemand te bekennen, op een piëta na, en die werd duidelijk te zeer door pathos in beslag genomen om hem de weg te kunnen wijzen naar de badkamer. Als hij alles op een rij zette, moest hij tot de slotsom komen dat van hem een zekere onbeduidendheid werd verwacht en een oude dag vrij van de ernstigste kwalen maar ook niet al te langdurig. Als hij de goedheid wilde betonen om tijdig het veld te ruimen, zouden de overblijvers snel weer samenkomen om een andere te verkiezen, een echte deze keer.
‘Eligo in summum pontificem’, mompelde hij. Zijn naam hing aan een zijden draadje.
Er was de avond voordien meteen een kleermaker gekomen. Die had zich omstandig achter de oren gekrabd en met een niet helemaal onderdrukte ontreddering tegen de anderen gesist dat het echt opnieuw moest, dat er in dit geval aan het kleed geen innemen of uitleggen aan was. Er hadden lintmeters rond zijn oren gefladderd.
De zegelring bleek al evenmin op hem voorzien. Gelukkig had een Zwitserse wacht een mes op zak, voorzien van een tangetje. De jongeman had naar hem geknipoogd, waarschijnlijk om hem gerust te stellen, alsof hij elke dag zegelringen smaller maakte, terwijl hij wellicht nog in de wieg lag toen zijn voorganger verkozen werd.
Hij had gevoeld hoe het koele zilver zich rond zijn vingers sloot, hoe hijzelf door die ring bezegeld werd, bestempeld met autoriteit, en hij had zich merkwaardig postuum gevoeld, in dienst van een eeuwigheid die hij niet eens halvelings kon bevatten. Zelfs de geschiedenis, in het licht of de duisternis van het tijdeloze niet meer dan een vingerknip waarin zich repen vergeeld perkament, gouden dodenmaskers en ontstellend veel botten schuilhouden, wilde nooit helemaal onder zijn schedel passen.
Om hem heen had men ramen die anderhalve week gesloten waren gebleven opengegooid. Ze hadden gulpen frisse lucht en een branding van gejuich naar binnen gevoerd. Er luidden klokken.
Hij was door trappenhuizen, loggia’s en binnentuinen gevoerd, het leek een wereldreis in een bezemhok. Rome deed hem altijd denken aan de nesten van wevervogels in zijn thuisland; woonblokken in riet en stro, in een precair evenwicht opgehangen aan een paar takken, meer lichaam dan bouwsel, en net als een lichaam in voortdurende staat van verval en verbouwing, zonder veel zin voor logica, zolang het hele geval maar bleef hangen. Wanneer je onder zo’n nest ging staan, stoven de bewoners in kleurige drommen door de kruinen en gaven luidkeels lucht aan hun ontstemming. Hier troepten ze juist samen in elke hoek en nis om in het voorbijgaan iets van hem te kunnen zien. Hij, de nieuwe; zeker even kleurrijk, maar minder kwetterend.
Er was een deur opengegaan. De anderen hadden een stap opzij gezet. Hij had een glimp van het zenit opgevangen dat al grauw werd van de nacht, de koelte van de avond en de eerste sterren, zo fel, het leek alsof er enkele op de omliggende daken waren geland. Onder hem sloeg het gejuich met volle kracht tegen de pilasters, ebde weg, zwol weer aan, barstte open. Al wat hij zag was het marmer van de borstwering voor zijn neus, de barsten in de voegen tussen de stenen, hun gladgeschuurde oppervlak, en daarboven die sterren.
Hij had naar links gekeken, en dan naar rechts, hulpeloos. Het volk had steeds heftiger “Viva il Papa” gescandeerd, maar niet meer ontwaard dan de punt van zijn kalot.
Tenslotte had de camerlengo hem op de arm genomen. Over het plein was een korte maar merkbare stilte gevallen. Satellieten hadden haar opgepikt en de wereld rond gestuurd. Eén seconde van stomme verbazing was miljoenen huiskamers binnengerold en boven stukken pizza, kommen rijst of maniokpap blijven hangen. In dat ene moment dacht iedereen wat de reporter van CNN er verbijsterd had uitgeflapt: ‘My God! What have they done?’

Wat hadden ze ook gedaan, vroeg hij zich af. Heilige Vader…. Hij, een inboorling uit het diepe Congobekken, een pygmee, zoals westerlingen zijn volk al sinds de Oudheid noemden, op een blauwe maandag door zijn moeder vanuit het woud dat hem van bij zijn geboorte omsloten had naar de missieschool gestuurd, in een land waarvan hij pas later de naam leerde schrijven, op een continent, zag hij toen hij voor het eerst een wereldkaart onder ogen kreeg, dat als een tros druiven aan de laars van Italië bengelde, zo zwaar dat hij ieder moment uit de struik kon vallen, dor en bros als de tak waaraan hij rijpte geworden was. En nu was het zijn taak om die tros op te houden, en niet alleen die ene, maar de wijnrank der gehele wereld. De gedachte deed hem huiveren. Het was redelijk fris voor de tijd van het jaar.
Hij had de massa op het plein even verbouwereerd aangegaapt als de massa hem. Toen had hij gezwaaid. Ze hadden ook gezwaaid. Hij had zijn hagelwitte kiezen blootgelachen. Ze hadden teruggelachen. In het verblindende waas van de schijnwerpers had hij vaag zakdoekjes zien wapperen en hij had aan zijn moeder gedacht, hoe ze hem als kind vertelde dat de ziel zoiets was als een zakdoek waarin wat een mens allemaal aan ongeregelds uitspookte vlekken achterliet die slechts berouw en vergiffenis konden zuiveren. En dan nog, zei ze meestal, sommige zaken vielen maar te vergeven met het bloed van Christus zelf.
Haar halve leven had ze geteerd op een hol Mariabeeld gevuld met water uit Lourdes dat een missiezuster haar ooit cadeau had gedaan. Ze had nooit veel meer gedurfd dan de kroon van de Maagd openschroeven en heel even aan de inhoud van het flesje snuiven. Het water was al snel groen geworden, wat ze als een persoonlijk mirakel had beschouwd, een kleinigheidje van de Allerhoogste. Ook daar werd altijd om gelachen wanneer hij het vertelde, en ook die lach stond hem niet aan. Hij verafschuwde meewarigheid.
De dag dat hij naar het seminarie vetrok had zijn moeder het schamele goed in zijn valies wel met het groene water besprenkeld, ook zijn zakdoeken, speciaal zijn zakdoeken, want ze kende hem goed genoeg. De muren thuis waren aan de praatzieke kant. Wat ze schraagden was meer een hut met ambitie dan een huis. Er waren geen deuren en zijn bed bestond uit een soort hypothese, waarbij drie van zijn broertjes dienstdeden als matras en twee als deken. Ze wisselden geregeld af en hij kon, zoveel jaren nadien, nog altijd vergenoegd glimlachen als hij aan het gewicht van hun lichamen dacht, hun warmte, het trage ballet van hun slaap, de zang van hun longen. Hij wist toen al genoeg van de geschiedenis, die dodelijke vingerknip van de tijd, om te weten welk een weldaad het kon zijn om in levende lichamen beschutting te vinden.
Het groene was nooit meer uit zijn zakdoeken verdwenen. Geen bleekmiddel of fanatieke kloosterzuster met imposante knuisten had ze eruit kunnen wringen. Hij had er van meet af aan de spot van zijn klasgenoten mee geoogst. En nu, jaren later, op het balkon, kon hij niet nalaten om zich af te vragen wat er in de draden van die duizenden andere hing, daar in de verte op het plein. Bloed misschien, zweet en tranen allicht, snot waarschijnlijk ook, mogelijk nog een paar andere substanties. Hij had er zoveel schoongewassen als jonge pastoor, met een bijna achteloos gebaar van zijn rechterhand hopen onrust in holle ogen aan de andere kant van het biechtmeubel tot bedaren gebracht. Grote zonden, kleine zonden, interessante zonden, onnozele zonden, tragische zonden ook, zonden zonder schuld, zonden die zomaar voorvielen op de weg van het minste kwaad, net als sommige ongevallen.
Al die vlekken in al die zakdoeken hadden hem langzamerhand bijgebracht wat in zijn ogen een mens was; een raar soort beest dat bij ontstentenis van een staart op een ochtend uit de bomen was getoeterd, ongetwijfeld omdat het meer druiven wilde plukken dan het op kon, vermoedde hij, en sindsdien was het blijven botsen en moest het op steeds meer blaren zitten. Je zou voor minder naar de sterren janken.
Voor zijn moeder, onwrikbaar in haar overtuigingen, kende alles zijn plaats in het Grote Plan. Hijzelf was daar niet elke dag even zeker van. Als hij eerlijk wilde zijn, was zijn moeder altijd veel geloviger geweest dan hij. Het zou hem zwaar vallen om katholieker te moeten zijn dan zichzelf, wist hij nu al, maar in de jaren dat hij steeds hoger opklom in de hiërarchie, of liever, dat de hiërarchie hem volgens de luimen van de Geest had opgeslokt, te beginnen bij zijn hoofd, zoals wurgslangen doen, en hem had herkauwd en gekneed, of het op zijn minst had geprobeerd (hij was niet erg verteerbaar, vreesde hij), hadden genoeg lui zijn pad gekruist in wier binnenste de doctrines uiterst koel werden bewaard, zodat ze tijdens zijn pontificaat zeker niet zouden bederven, en ontdooien al helemaal niet.
‘Met alle respect, Uwe Heiligheid,’ sprak hij ironisch tot zichzelf terwijl hij een deur openduwde om te zien of er een badkamer achter zat, ‘wat ze daar in uw Congregaties allemaal bekokstoven, daar valt vaak geen bouillon meer van te trekken.’
Als student had hij geregeld geholpen bij de bedeling van de soep in de krakkemikkige refter van het al even krakkemikkige seminarie waar hij gevormd was. Zelfs met beide handen kon hij de pollepel amper uit de aluminium ketel tillen, en nu moest hij hetzelfde doen voor de hele planeet. Ongeveer iedereen diende zijn kooksel te blieven of minstens naar binnen te werken. Voor hemzelf stond kippensoep met stip op één, maar niet iedereen hield van kippensoep. Ratzinger bijvoorbeeld, had hij gemerkt tijdens het conclaaf, was dol op broccoli. Het verbaasde hem niets. Hijzelf kon geen broccoli ruiken zonder te kokhalzen. Hij vond broccoli een duister aspect van de schepping, maar, moest hij toegeven, zo kende hij er nog wel enkele, en niet alleen in de moestuin.
Het zou al veel zijn als hij er in slaagde, veronderstelde hij, om iedereen van het basisingrediënt te voorzien. Water, in voldoende hoeveelheden en niet al te troebel. Het was tenslotte niet zijn zorg om er wijn van te maken. Hij mocht al blij zijn dat het stroomde.

Hij bevond zich eindelijk waar hij zijn moest. De badkamer viel op door bescheidenheid. Vooral het plastic douchegordijn met noppen vermocht in het rauwe ochtendschijnsel een misantropische atmosfeer uit te spreiden over de tegeltjes aan de wand. Welke onverlaat de kuip ook voor hem had laten vollopen, hij of zij moest er een royale scheut naar hyacint riekende zeep in gegoten hebben. Voor zijn neus verhief zich een dampende Himalaya van schuim.
Hij begon zijn pyjamahemd los te knopen. Zijn bril besloeg van de warmte. Hij zette hem af en vouwde de oren over de glazen. Het was een typische Derde-Wereld-bril, stevig qua montuur, net als de bokaaldikke lenzen, zwart, zonder veel ornament, en hier in zijn nieuwe vaderland, bakermat van het design, waarschijnlijk al zo lang uit de mode dat hij er binnenkort weer in zou komen.
Hij had thuis een telefoon die er goed bij paste, een bakbeest in bakeliet, aan de hooghartige kant. Het liet telkens met nijdig gerinkel blijken dat het niet graag wachtte. Hij had een paar nonnen van hetzelfde kaliber gekend en hij zou ze missen. Wie zou hem hier nog durven af te blaffen? Hoogstens werd er gekucht, dacht hij, zoals gisteren, toen hij maar bleef zwaaien en lachen, op de arm van de camerlengo. Hij had aan het ruisen van textiel achter zijn rug gehoord dat er op polshorloges gekeken werd. Iemand had de keel geschraapt. Uiteindelijk had men hem naar binnen geleid, weg van de zakdoekjes in het duister, naar zijn nieuwe kantoor. De eerste telegrammen lagen al klaar op het glanzende mahonie. Felicitaties. Boodschappen van hoop en goede wensen. Geschreven door vorsten, verkozen presidenten en zelfbenoemde tirannen.
Hij was in de stoel van zijn voorganger geklommen en had iets over een kussen gemompeld. Ze hadden hem even alleen gelaten. Buiten was het stil geworden.
Toen hij zich tegen de zachte rugleuning van de stoel had geschurkt, had hij gemerkt dat hij het blad van het bureau nog net met zijn vingertoppen kon betokkelen. Hij had niets bijzonders gevoeld, en toch nam hij min of meer de plaats in van een man die ooit blootsvoets over stenige wegen had gelopen, occasioneel zelfs over water, zij het nooit om op te vallen of zich interessant te maken. Iemand die tot bloedens toe geleefd had, tot in de dood en er ver voorbij. Een magere dertig. Een kind nog, vond hij, zelf bijna een halve eeuw ouder, rond wiens lege tombe in de loop van de millennia die hele Kerk was samengekoekt, al die altaren, kapellen, koepels en pinakels, al dat marmer, al die golfplaten en kazuifels en bananenbladeren waaronder de lucht van wierook en brandstapels dreef, het aroma van bloed en wijwater, soms ook een geur van heiligheid, en in deze kamer overduidelijk een riante portie boenwas, waarmee een onzichtbare hand het parket onder zijn voeten spiegelglad had opgeblonken, merkte hij, terwijl hij naar de badkuip waggelde en zijn ene voet over de rand probeerde te krijgen, wat eerst niet lukte.

‘Geen wonder dat de vorige een been brak,’ bromde hij. Alles was te ver, te hoog, te onbereikbaar. De spiegel, de handdoek, het plankje voor de zeep. Zelfs het Boek bleek te hoog, toen hij de avond voordien in besloten kring zijn eerste mis had gecelebreerd en de acolieten die het hem voorhielden zich moesten bukken om het tot bij zijn aangezicht te brengen. Hij had erin willen wegkruipen.
Stel dat het kon, dacht hij. Wegkruipen in het Boek. Het achter je te kunnen dichtslaan en het boven en onder je te voelen ruisen als een bladerdek; diepgroen, trillend, doorbuigend onder plompe regendruppels, en de diepe lucht van vochtige bosgrond in de syntaxis te kunnen rieken, de gistende, rijpende, beschimmelende en weer ontkiemende etymologie in de berm van de weg der waarheid - als het aan hem lag veeleer een kiezelpaadje dan een autostrade, ongeschikt voor zwaar verkeer, uitgezonderd landbouwvoertuigen en aangelanden, voortkronkelend tussen boomstammen, onzeker van de bestemming, onder het gebrul van apen, de stilte waarin luipaarden jagen, vrouwenstemmen, tromgeroffel of het gebalg van de aftandse fanfare die inderhaast haar repertoire van twee melodieën instudeerde toen er vroeger in zijn dorp hoog bezoek arriveerde, een dokter bijvoorbeeld, voor wie onveranderlijk vals werd gespeeld, maar wel met overgave.
Ooit had hij gemeend dat een roeping zoiets zou zijn als door Hem daarboven stevig bij de schouders genomen worden. Achteraf bekeken was het niet meer geweest dan jeuk in de kieren van zijn borst. Het was niet erger geworden, maar ook niet beter. Hij had geen dure eden gezworen. Evenmin hadden zich bodemloze inzichten of diepe wijsheden voor hem geopend.
Hij had eerst geprobeerd te krabben, en zelfs behoorlijk verwoed. Alleen God, want zelf had hij ze nooit geteld, wist in hoeveel schouders zijn nagels sporen hadden getrokken, hoeveel dijen hij als contemplatieve lectuur had opengevouwen om er zich in te verdiepen en op te lossen in conclusies die even totaal als vluchtig bleken. Tenslotte had hij gelachen. Het had de jeuk niet weggenomen, wel draaglijk gemaakt, een deel van hemzelf, en hij lachte zijn goddelijke lachjes niet zo luid als zijn andere, maar binnensmonds, zoals hij wel eens durfde te vloeken. Nu bijvoorbeeld, nu hij op zijn buik hij half over de rand van die rotkuip balanceerde en geen kant meer op kon.

Het zag er naar uit dat hij een duik zou moeten wagen. De rand van het bad drukte zwaar in zijn maag en belette hem te ademen. Zijn hand graaide vergeefs in het schuim naar de kraan aan de andere kant van de tobbe en zijn tenen zochten de vloer zonder hem te vinden. Het leek op vroeger, dat gewoel, maar dan zonder tweede lichaam boven of onder het zijne, of op het geharrewar toen hij nog thuis woonde en de woelige slaap van zijn broertjes hem wzekte uit zijn status van matras. Hij kon ze altijd kalmeren door zich doodstil te houden en te wachten tot ze vanzelf in de holte van zijn schouders of tegen zijn romp een nieuwe bedding vonden, waarna hijzelf, dronken van hun adem, weer indommelde.
De ochtenden waren altijd kil geweest, zelfs naar Afrikaanse normen, zeker wanneer het ’s nachts geregend had, en dat was vaak het geval. Je woonde niet voor niets in het regenwoud. Dan werd hij wakker zoals vermoedelijk alleen een mens kan ontwaken; zonder vacht om schoon te likken of veren om op te poetsen en met weinig zin om te kwinkeleren. Hij vond, nu hij het zich weer voor de geest haalde, dat de theologie meer moest rijmen, niet zozeer met de leer als wel met de wereld en zijn muziek. Hij had in sommige van die nachten ook de klank van de waarheid mogen beluisteren. Ze had hem als salvo’s in de oren geklonken, niet eens oorverdovend kanonnengebulder, maar het bijna zakelijke getak van mitrailleurs, burenruzies in lood, dwars door de schutting, gevolgd door stilte en veel gejammer. Hij hield sindsdien van een melodische twijfel.

Er zat niet veel anders op, besloot hij, dan zo elegant mogelijk te landen. Hij trok zijne ene been op om zichzelf uit evenwicht te brengen. Een paar tellen wiegde hij dreigend heen en weer boven de kuip en de vloer van de badkamer. Toen ving het water hem op met een geestdrift die in een grote gulp over de badrand klotste en hem de adem afsneed. Gelukkig liet de welving van de kuip hem kantelen en bracht hem in een welhaast vloeiende beweging weer aan de oppervlakte.
Wat was het goed om longen te hebben, en zuurstof waar ze zich mee konden vullen. Hij vond het nog altijd een mysterie hoe zijn lichaam hem tegen beter weten in wist vol te houden en nooit vergat hoe hij eruit zag: klein, zwart, tenger gebouwd, getaand en verweerd, met de eerste sneeuw in zijn kroezelhaar. Tegen de stroom van de tijd in konden al die botten en pezen en zenuwen zich altijd weer herinneren om van zijn vingers zijn vingers te maken, van zijn darmen zijn darmen. Hoe wisten de weefsels in zijn neus dat ze gestalte gaven aan zijn neus en niet aan zijn grote teen? Hij kon er langer over speculeren dan over het geslacht der engelen of de transsubstantiatie.
Het was elke ochtend weer een hele opluchting wanneer hij zag dat zijn corpus bleef vasthouden aan de gewoonten die het nu al meer dan een halve eeuw naleefde, zonder zich veel frivoliteiten te permitteren met zijn eigen traditie. Stel dat hij straks de ambassadeurs moest ontvangen met een paar ledematen die ineens op plekken hingen waar je ze niet meteen zou verwachten. Hij kon natuurlijk altijd een sjaal om zich heen slaan, maar dan zou iedereen denken dat hij nu al verkouden was, en de winter moest nog beginnen.
Voorlopig werd hij alleen maar ouder, elke minuut een minuut, en ook al voelde hij dat zijn organen de laatste tijd de eindjes steeds moeilijker aan mekaar konden knopen en soms meer dan één steek lieten vallen, hij vond dat hij het zijn lichaam moest kunnen vergeven, al het viel het niet mee.

Toen hij zijn ogen opende, verwachtte hij het raam te zullen zien, en het knaapje waaraan hij zijn pyjama had gehangen, maar hij keek tot zijn verwondering in een witte mist. Een knisperende, transparante bolster omvatte hem, geurend naar hyacint, waarin duizenden minuscule regenbogen door een bladerdek van lichtsplinters schoten, door piepkleine kamers van glas, kloppend als de boezem van een hart. Fragiele bijenraten. Ontelbare cellen met doorzichtige, pulserende wanden.
Hij hoorde ze openspatten, een honderdvoudig geknetter vlakbij zijn oren. Andere voegden zich samen, liepen mond op mond, adem in adem, in grote bellen in elkaar over, met wassende zeeën en snel wisselende werelddelen op hun oppervlak, en dropen over zijn onderarmen.
Hij liet zich ruggelings tegen de wand van de badkuip zakken en probeerde naar zijn handen te kijken, twee donkere silhouetten in de glinsterende schuimvlokken boven het water. Ook toen hij ze dichter bij zijn aangezicht bracht, bleven ze vaag en schenen langzaam op te gaan in het gewemel.
‘Wat een genade,’ dacht hij. ‘Wat een zegen. Wat een heerlijkheid. En toch zo onooglijk.’

Verschenen in TORFS RIK, MARTENS KURT (SAMENST.) Habemus papam. Het profiel van de volgende paus.
Davidsfonds/Leuven, 2004, 189 .pp, paperback, 15 x 22 cm.