TUSSEN NEVELE EN AMSTERDAM

De veelkantigheid van een taal

Naar aanleiding van de polemiek die ontstond over de status van het Algemeen Nederlands in Vlaanderen: "Wat zou er mis zijn met spitante, geestige en boeiende conversaties in een taal die ons een weidsere linguïstische hemisfeer binnenvoert, en die me bovendien een gemeenschap van lezers schenkt die zich ver benoorden de Moerdijk uitstrekt? Indien mijn mentoren me uitsluitend in mijn eigen eerste taalwereld hadden bevestigd, dan was mijn bestaan, fysiek en mentaal, intellectueel, cultureel en affectief, erg klein gebleven." (Verschenen in De Standaard-Opinie van 1 september 2012)

Tussen Nevele en Amsterdam

Zelden slaagt een op zich niet oninteressant verschijnsel erin zoveel opiniestof te doen opwaaien als de opkomst en verspreiding van de relatief nieuwe taalvariant waarvoor mijn schrijfbroeder Geert van Istendael de betiteling verkavelingsvlaams heeft bedacht. De taal wellicht van het gesuburbaniseerde Vlaanderen, dat in toenemende mate verstedelijkt, zo heet het, maar in de praktijk veeleer verbuitenwijkt – vergeef me mijn neologismen.

Weids linguïstisch uitzicht

De enen verfoeien deze nieuwkomer in onze menselijke, al te menselijke taalrealiteiten, anderen verheerlijken hem en willen hem graag verheffen tot de feitelijke standaardtaal van de oude Zuidelijke Nederlanden. Zelf begrijp ik deze nieuwe taalvariant, maar ik hanteer hem niet bepaald vloeiend. Ik dateer van voor de verkavelingen, toen de dorpsgrenzen nog een tikkel minder poreus waren en het dialect waarin ik van kindsbeen af werd ingebed een paar landwegen verder alweer andere klankkleuren en woordenschatten vertoonde. Veertig jaar geleden kon een meikever die boven mijn geboortestek op het diepste punt van Zandig Vlaanderen door de nacht vloog rustig een paar keer van naam veranderen als het beest wat actieradius bestreek.

Ook mijn Algemeen Nederlands is door die afkomst gekleurd, door de vlakke tweeklanken van het Land van Nevele, door de moeite die mijn leraren, net als ik schrikbarend dicht bij de provinciegrens met West-Vlaanderen opgegroeid, immer hadden met het onderscheid tussen de g en de h. Zij vonden dat we het Algemeen Beschaafd Nederlands moesten beheersen, een term die leek te betekenen dat wat we thuis met elkaar uitwisselden van de weeromstuit een Particulier Beschaamde Taal belichaamde.

Ik heb me nooit voor mijn dialect geschaamd. Ik spreek het nog steeds. Niet uit nostalgie, ook niet uit blinde liefde. Het is de taal die ik spreek met mijn vader, de taal die ik sprak met mijn moeder, in de tijd voor alle taalvermogen uit haar hersenen verdampte. Ik mis haar taal, waarin, anders dan bij haar kinderen, sporen van de Zuid-Vlaamse dialecten te beluisteren vielen, aangezien haar vader van ginds afkomstig was. Het is niet de taal die ik spreek in Gent of Brussel, in Amsterdam of Groningen. Niet de taal die ik hanteer wanneer dagbladen als dit, waarin u deze tekst leest, of NRC of de Volkskrant, me om een bijdrage verzoeken. Het is ook niet de taal die ik sprak met dierbaren als wijlen Gerrit Komrij of Hans van Mierlo, en evenmin de taal die ik bezig met gelukkig nog warm levende spitsbroeders en -zussen als Tommy Wieringa, Connie Palmen of Peter Buwalda. Allemaal mensen, trouwens, die net als ik in regionale taalpraktijken zijn grootgebracht, en in wier Algemeen Nederlands klanksporen van hun afkomst te beluisteren vallen.

Wat zou er mis zijn met spitante, geestige en boeiende conversaties in een taal die ons een weidsere linguïstische hemisfeer binnenvoert, en die me bovendien een gemeenschap van lezers schenkt die zich ver benoorden de Moerdijk uitstrekt? Indien mijn mentoren me uitsluitend in mijn eigen eerste taalwereld hadden bevestigd, dan was mijn bestaan, fysiek en mentaal, intellectueel, cultureel en affectief, erg klein gebleven.

De kerk en de kathedraal

Wat goed dus, dat zich boven de daklijn van onze particuliere taalwerelden – sociale, generationele en geografische – die ragfijne, ietwat kunstmatige maar o zo handige en ook wel heerlijke kathedraal van een standaardtaal verheft. Niet omdat we vanop haar spitstorens kunnen neerkijken op de fermettes en beluiken van ons dagdagelijkse taalgebruik, in de straat, bij de bakker, op de tram, in bed, maar vooral omdat werkelijke taalverrijking zichzelf maar als verrijking kan verstaan en verder kan cultiveren indien er een taalnorm bestaat waartoe we ons kunnen verhouden, waaraan we ons kunnen meten, waartegen we ons kunnen afzetten, en vooral: waarmee we kunnen leren spelen.

Het is de norm de sluimert op de achtergrond van het literaire taalgebruik van iemand als Boon of Joyce, en vele, vele anderen. Het is diezelfde norm die de verrukkelijke taalspelen inspireert die ik beluister in de bus, waar het jonge volkje in sms-taal bliept, in een mengeltaal van stadsdialect, Engels, Turks of Berbers met elkaar kibbelt, flirt of giechelt, en de norm die doorbreekt wanneer de hoffelijkste onder hen me zijn zitje aanbiedt: ‘Ga hier maar neerzitten, meneer.' Ik had het joch een oplawaai kunnen verkopen. Niet uit linguïstische toorn, maar wegens mijn midlifecrisis. Als men je met ‘meneer' begint aan te spreken, dan word je, om Gerard Reve te parafraseren, inderdaad wel heel erg Oudt.

Het ontbreekt die jochies en meidekens geenszins aan taaltrots, noch aan verstand. Het ontbreekt hun vooral aan mentoren, vermoed ik, die hen wijzen op de verscheidenheid van de taalregisters die ze, naargelang van de context, bewonen. Mentoren die hen, in vlekkeloos Nederlands, de risico's en valkuilen duidelijk maken van een al te eng begrensde taalwereld, maar evengoed de potentie van hun talige veelkantigheid. Wat zou ik graag echt heel erg ‘oudt' worden om de dichters van straks uit die taaldroesem te horen opstaan. Wat ben ik nieuwsgierig naar de wijze waarop zij later ons Algemeen Nederlands zullen gebruiken, bevechten en bespelen. Natuurlijk is dat Algemeen Nederlands een constructie (dat zijn alle talen, er bestaan geen natuurtalen). Dat is de wiskunde ook, een zeer scherpe taal, die ik helaas amper beheers – waarvoor ik me schaam. Maar geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt de wiskunde in functie van mijn schaamte te gaan aanpassen. Ik heb andere kwaliteiten, net als iedereen. Laten we die ontbloten en met cultuur bekleden, zonder onze onvermogens tot norm te verklaren.

Erwin Mortier