'ALLES BLIJFT BESTAAN WANNEER JE STERFT'

Bij de herdenking van Gerrit Komrij (1944 - 2012)

"Gerrit Komrij had nog zeker twintig jaar kunnen doorgaan; verzen schrijven, polemieken, schotschriften, en die ene grote roman die al jaren rondzong in zijn hoofd toen de dood op de rand van zijn bed kwam zitten. Hij had ook nog minstens twintig jaar samen met Charles de dagen moeten kunnen vieren en niet hier tussen die bleke planken moeten liggen. Alle doden zijn zo naargeestig synoniem voor zichzelf. Het vreselijkste aan de dood is dat hij niet aan metaforen doet." (Verschenen in De Morgen, 16 juli 2012)

Het leek alsof het weer op de dag van het afscheid van Gerrit Komrij Nederland in de grauwste toetsen denkbaar wilde hullen. Rillend leunden de Amsterdamse trapgevels op elkaar, onder een hemel als een dweil, alsof november vervroegd uit vakantie was teruggekeerd. Veel van de vrienden van Gerrit zullen terwijl de sobere bleekhouten kist de grote zaal van Felix Meritis werd binnengedragen hetzelfde gevoel hebben gehad als ik: verdomme, hij is dus echt wel dood.

Voor de meesten was het nieuws van zijn overlijden onverwachts gekomen, aangezien volgens zijn wens en die van zijn levensgezel Charles slechts een handvol dierbaren van zijn ziekbed afwist. We waren op reis in zonniger oorden, of zagen ernaar uit, toen de berichten begonnen door te sijpelen: Het gaat niet goed met Gerrit, het is een kwestie van dagen of uren. En nog diezelfde avond volgde de officiële mededeling. Iedereen zal zich wel herinneren waar men was toen het droeve nieuws kwam, zo plots, zo ongenadig. Ik stond op een kade in Stockholm, in het langgerekte licht van een Scandinavische zomeravond. Het werd fris.

Gerrit Komrij had nog zeker twintig jaar kunnen doorgaan; verzen schrijven, polemieken, schotschriften, en die ene grote roman die al jaren rondzong in zijn hoofd toen de dood op de rand van zijn bed kwam zitten. Hij had ook nog minstens twintig jaar samen met Charles de dagen moeten kunnen vieren en niet hier tussen die bleke planken moeten liggen. Alle doden zijn zo naargeestig synoniem voor zichzelf. Het vreselijkste aan de dood is dat hij niet aan metaforen doet.

‘Alleen al hier, in deze zaal, bewaren wij met elkaar een bibliotheek aan verhalen, herinneringen,’ zei uitgever Henk Proepper. Had iemand al die verhalen en herinneringen kunnen opvangen, er was een portret uit ontstaan, brokkelig, onvatbaar, onaf maar flonkerend, dat Gerrit wel had kunnen smaken. En had hij zelf zijn eigen herdenking kunnen bijwonen, dan had hij zich ongetwijfeld laten ontvallen, zoals Kees van Kooten opmerkte; ‘O vervloekt, dees’ Hollands-publieke lafenis, aan een bekende Nederlander zijn begrafenis.’

Ik heb slechts verspreide herinneringen aan Gerrit Komrij. Het was moeilijk om hem niet te beminnen. Ik kan me voorstellen dat wie aan zijn hekelende pen werd onderworpen de dag het liefste met een diepe duik in het IJsselmeer was begonnen. Maar ik kan me moeilijk voorstellen dat de gekwetstheid lang bleef bestaan wanneer je de man zelf ontmoette, die per slot van rekening, zoals hijzelf niet naliet te vermelden, slechts uit humanitaire bewogenheid het kaf van het koren scheidde. Hij was een rots van zachtaardigheid waarop elke rancune roemloos te pletter liep.

Het was een genoegen zijn gezelschap te mogen delen. Gerrit ging nooit zomaar aanzitten wanneer er getafeld werd. Hij kwam naast je aanmeren, vriendelijk krakend als een antiek, majestueus galjoen dat aan de kade schommelde, en uit wier labyrint van getouw en tussendekken zijn stem opklonk; half die van een verschrikte matroos in het ruim, half die van een bekoorlijke sirene: ‘Mag ik dit plekje innemen?’

Hij was charmant, galant, van een welhaast negentiende-eeuwse voorkomendheid. Hij was de incarnatie van zijn verzen, waarvan ik me voorstelde dat hij ze ’s nachts in zijn vlezige handpalmen met een bijna obsoleet aandoende precisie en vormvastheid in elkaar schroefde; precieuze mechaniekjes, klokjes, geslepen kolibries, die echter, zodra je ze leest, een prettige ontregeling genereren. ‘Vergeet niet, lezer,’ lijken ze te zeggen, ‘dat ieder universum, het mijne en het jouwe, onvast in zijn schoenen wankelt.’

Je wist nooit wat hij om de conversatie te kruiden uit zijn hoofd, helemaal bovenaan dat lange brede lichaam, tevoorschijn zou goochelen. Het kon gaan om een ‘interessante Polynesische dichteres’ van wie wij natuurlijk nog nooit hadden gehoord. Maar evengoed kon hij, op zijn zangerige toon, blijk geven van zijn levenslange, intense betrokkenheid bij het menselijke darmstelsel. Wat een bevrijding steeds weer te beseffen, dankzij Gerrits onvermoeide inspanningen dienaangaande, dat elke verheven gedachte, ieder liefdesvers, alle zelfvoldaanheid, iedere uitvinding of elk wijsgerig principe een centimeter of vijftig boven een drol in wording is ontstaan.

We waren samen met vele anderen nog maar pas aan het toeren door Nederland, februari 2005, met Saint Amour, toen de tweede avond, aan de dis boven een exquis slaatje bedruppeld met truffelolie, Gerrit de immer prangende kwestie van de darmgassen te berde bracht. Iemand in het gezelschap merkte op, niet zonder trots, dat ze soms scheten liet die door haar panty’s naar haar tenen kropen en haar naaldhakken van haar hielen bliezen – Gerrit was verrukt. Ik weet niet of dit natuurfenomeen zijn Grote Kakboek heeft gehaald, ik geloof het niet. Het was tevens de laatste tournee waaraan Claus deelnam. Hij was niet altijd even helder meer, maar ineens klaarde de nevel in zijn blik op. ‘Twee dagen,’ zuchtte de oude meester, ‘en de discussie bevindt zich al op Olympische hoogten…’

Wat een treurnis dat ze er niet meer zijn. En wat een gruwelijke ironie van de dood, dat hij zich bij Gerrit aandiende onder de vorm van een bijna fatale constipatie in een ver weg land. ‘Gerrit Komrij, geboren in een kippenhok te Winterswijk, ontploft in een ziekenhuis te Kuala Lumpur,’ spotte hijzelf daarover, vertelde vriend en biograaf Onno Blom, en het was niet de laatste keer dat bij de aanwezigen plezier en droefenis zich verstrengelden.
Maar hij is dus echt wel dood. Pakkend was, bij het slot van de dienst, het onwennige geschuifel van dichter Remco Campert, die de plechtigheid met een kort vers had geopend, rond de kist van zijn kunstbroeder, bijna twintig jaar jonger. Hij legde onzeker maar teder zijn hand op het hout. Het is te snel, te vroeg. Het klopt niet, leek hij te denken. Zoals het ook niet klopt dat Gerrit zijn dierbare levensgezel voor altijd moet achterlaten.

‘Ik weet wat het is,’ zei Kitty Mulisch, nadien in de ontvangstzaal boven, met een blik op Charles, die gebroken maar moedig de condoleances van de vele gasten aannam. ‘Die grote boom naast je is weggevallen, en daar sta je dan ineens in je eentje, open en bloot.’

Drie weken voor Gerrits dood zijn hij en Charles getrouwd. Maar alleen voor de wet, want getrouwd waren ze al, altijd al. Er waren maar weinig dagen, wanneer Gerrit voor langere tijd op stap was en Charles hem niet vergezelde, dat hij niet naar huis belde. Vaak zag ik hem zitten, moeizaam in een krappe telefoonhoek van een hotel geprangd, op een taboeretje dat het dapper volhield, ’s morgens na het ontbijt, bellend met Charles in Villa Pouca: ‘Alles goed hier. Ja, die Belgen weten wat feesten is. En met jou?’

Erwin Mortier