DANKREDE GEHOUDEN BIJ DE VOORSTELLING VAN 'GESTAMELD LIEDBOEK'

OP VRIJDAG NEGEN SEPTEMBER IN MUZIEKCENTRUM DE BIJLOKE

Lieve vrienden,
Papa,
Iedereen,

Ik denk dat het ergens deze zomer was, toen Lieven tegen me zei:

‘Wat is het vreemd, de tijd, en wat hij met ons doet. Als ik over de Muinkkaai loop, de straat aan de Nederschelde hier in de stad, waar we elf jaar lang hebben gewoond, dan is het alsof de jaren openklappen. Ik zie onszelf in ons eerste appartementje op nummer 40 en later op nummer vijf. Ik zie de feesten bij ons en bij onze vrienden toen we twintigers waren, de kabbelende weerkaatsing van de Schelde op de plafonds en in het geboomte. Ik zie de buurman die al dood is, en de kinderen die nu groot zijn. En ik zie de studenten van vandaag op hun fiets van en naar hun kot rijden, net als toen, en alles is anders en alles is hetzelfde. Er gaat zoveel door mijn hoofd en door mijn lijf, het is alsof ik op ijs loop.’

Dat is zo. Hoe goed is het, dat het geheugen zich niet aan de klok houdt. Dat het zijn feestelijke bibliotheken over ons uitstort, en leven en dood laat in ons hoofd laat dansen.

Toen ik maandag in Amsterdam het bericht kreeg dat ‘Gestameld Liedboek’ bij de drukker van de pers was gerold ontving ik ongeveer op hetzelfde ogenblik een bericht van mijn zussen dat er in het mooie verpleeghuis in Zomergem voor ons ma een plaats was vrijgekomen. Er diende snel beslist te worden.

Vanmiddag hebben mijn vader, mijn broers en zussen, onze moeder begeleid toen ze voorgoed ons huis verliet. Een lang en rijk hoofdstuk van ons leven is afgesloten. Een nieuw boek gaat open. Onze mama is nu op een plek, omringd door toegewijde mensen, waar ze niet langer angstig en droevig moet zijn. Het is goed zo.

Wij lopen nogmaals op ijs. Maar meer nog dan vroeger besef ik: we lopen op ijs van zuiver goud. Glanzend tegen de donkerte van het water eronder.

Ik dank iedereen die met Lieven en mij in de straks vijfentwintig jaar dat we ons leven delen, heeft mee geschaatst. Iedereen die ons de hand reikte, iedereen wiens armen een vangnet voor ons spanden. Iedereen die rond onze tafel met ons het feest van het leven heeft gevierd, zoals dat bij ons thuis werd gevierd. Ik dank alle mensen die in de afgelopen 47 jaar bij onze ouders thuis mee de overvloedige wereld hebben belichaamd waarin wij mochten opgroeien. Ik dank bij voorbaat iedereen die er zal zijn, in wat nog komen gaat, voor onszelf en voor onze vader. Ogenblikken waarop de ijslaag misschien een beetje te dun wordt om ons voor de diepte te kunnen behoeden.

Ik dank de mensen van De Bezige Bij, mijn tweede thuis in Amsterdam, het huis dat ik pas wil verlaten wanneer ik er met de voeten eerst naar buiten wordt gedragen, voor al de kunde en liefde waarmee ze mijn werk en mijzelf omringen.

Ik dank de mensen van De Bijloke die dit huis voor ons hebben opengesteld, in het bijzonder Sopfie en Frederik, die namens mij de contacten met Benjamin Glorieux heeft gelegd. Ik dank Benjamin zelf omdat hij na optredens in Duitsland toch hier kon zijn om voor ons cello te spelen.

Ik dank u allemaal omdat u hier bent om deze bijzondere avond met mijn familie en mijzelf te delen.

Toen mijn zus Veerle en ik een paar maanden geleden onze moeder gingen inschrijven in het tehuis. Zei de mevrouw die ons daar ontving één iets dat ik u niet wil onthouden:

‘Vergeet niet te feesten. Feesten is zo belangrijk!’

En dat is wat we NU samen gaan doen.

Ik dank u,

Erwin