LAND ZONDER CULTUUR

UNVERFERVROREN KIEZEN VOOR EEN NIEUW BELGI

"Ik zal Vlaanderen pas als volwassen beschouwen wanneer het de creatie van een federaal cultuurniveau als een logische stap in zijn culturele ontwikkeling ziet, en niet, wat tot op heden het geval is, een regressie naar een Belgique à papa dat al grotendeels dood en tot verdwijnen gedoemd is." Verschenen in De Morgen van zaterdag 5 maart 2011.
Het zat er weer eens bovenarms op, de afgelopen dagen, tussen de NVA en een groot deel van de culturele wereld. Nadat Vlaamse parlementariërs in de politieke arena kritische vragen stelden over de Brusselse KVS omdat dit theaterhuis onderdak had geboden aan de culturele protestactie ‘Niet in onze naam’, deed NVA-voorman De Wever daar in een column nog een schepje frituurvet bovenop. De melodie klonk vertrouwd. Hoezeer de partij ook zegt kunst en cultuur in het hart te dragen en internationaal kansen te willen bieden, uiteindelijk komt het altijd weer op hetzelfde neer. Wat zijn we toch wereldvreemd, gestold in eigendunk en  ‘holle frasen over wereldburgerschap, multiculturele verrijking en solidariteit.’ Dit alles natuurlijk in tegenstelling tot De Wevers eigen, ongetwijfeld indrukwekkend eigentijdse ‘pleidooi voor een inclusieve Vlaamse identiteitsbeleving die complexloos naar de wereld kijkt en die ideologisch gegrondvest is op het streven naar democratisch en doeltreffend bestuur.’

Het zou inderdaad nogal sterk zijn indien Heer Wever zijn complexloze streven naar tal van inclusiefs praktisch of ideologisch zou willen grondvesten op tirannie en alomvattende corruptie, en verder kijk ik vol spanning uit naar de manifestatie van de eerste identiteit die er zou in slagen inclusief te zijn zonder aan uitsluiting te doen. Geen gemeenschap die niet groeit rond kernen van vrees of haat jegens wat zijn gemeenschappelijkheid in de weg staat, bedreigt of  wijst op de finale onmogelijkheid van zijn verlangen – iets waar in de beste gevallen de kunsten in uitblinken. Het geloof van NVA in haar complexloze identiteit vertoont een verbijsterende blindheid voor haar eigen historische wortels.

De ‘Vlaamse Beweging,’ die verzamelnaam voor een veelheid aan denkstromingen en visies, heeft van bij haar prille begin een ambiguïteit vertoond tussen een openheid naar de wereld en de drang zich van die wereld af te keren. Het taalparticularisme van auteurs als Rodenbach of Gezelle, om maar iets te noemen, verwierp de taalnorm boven de Moerdijk ten gunste van een min of meer opgeschoond West-Vlaams. De Vlaming liep te groot risico zich via het Nederlands van de noorderburen het protestantisme of de vrijdenkerij in het hoofd te halen. 

Het liberale taalkosmopolitisme van auteurs als Virginie Loveling of Paul Fredericq daarentegen, kaderde net in het beijveren van een radicalere sociale emancipatie van die Vlaming, weg uit een cultuur- en taalwereld die hem amper toegang tot een weidser cultureel en intellectueel erfgoed bood. Het Vlaams bewustzijn van de legendarische socialistische voorman Edward Anseele berustte dan weer op de vaststelling dat de arbeider maar één taal goed kende, en dat die taal dan ook alle rechten moest krijgen.

Er heeft met andere woorden nooit een homogene Vlaamse Beweging bestaan. De pogingen van de NVA zichzelf tot de enige authentieke erfgenaam van die Beweging uit te roepen, duiden op zijn minst op intellectuele oneerlijkheid, en haar dubbelslachtige houding ten aanzien van kunst en cultuur leggen vooral de gespletenheden bloot die het droombeeld Vlaanderen vergezellen vanaf het moment dat het gecreëerd werd. Als NVA ergens de erfgenaam van is, dan wel daarvan. Zelfs de taal, volgens Bart De Wever met de tijd uitgegroeid tot ‘de drager van de Vlaamse identiteitsbeleving’, werd nooit een eenduidige status of functie toegekend.
Ik heb overigens niets tegen gespletenheid, noch tegen ambiguïteit, en al helemaal niet tegen meerduidigheid. Een mens is de moeizame verzameling van zijn contradicties. Beschaafd is hij wanneer hij zich daarvan bewust is en met beide benen in de onverzoenbaarheid van zichzelf met zichzelf gaat staan. De afgelopen eeuw hebben bij uitstek de kunsten zich geopend om die fundamentele dubbelzinnigheden van onze keuzes en drijfveren, van onszelf als individu en als gemeenschap, bloot te leggen. Het maakt mee de waarde uit die we toekennen aan talenten als Buysse, Boon, Walschap of Claus. Dat net deze talenten zich vaak de woede en wraakzucht van allerlei gevestigde machten op de hals hebben gehaald en met het flamingantisme op gespannen voet verkeerden,  hoeft eigenlijk niet te verbazen. Stukje bij beetje hebben ze de afstand scherp gesteld tussen de politiek van de kunst en de kunst van de politiek. 

De Vlaamse Beweging, om het even in welke staatkundige context ze opereert of wil opereren, zal daarmee moeten leren leven. De cultuurboot is zonder haar vertrokken, ze heeft door eigen toedoen een groot deel van de artistieke moderniteit gemist. Zij is de achterblijver. Daarom stel ik voor dat wij, de culturele wereld (voor zover er zoiets eenduidigs bestaat), die NVA-ers helpen eindelijk ’s volwassen te worden, zodat hun rubberbootje wat minder meelijwekkend achter ons glorieuze galjoen aandobbert. Ik wil de culturele wereld een paar suggesties doen die zijn weerwoord aan het Vlaamsnationalisme van meer substantie kunnen voorzien.
 

We houden om te beginnen op met dat geëmmer over identiteit. Identiteit is een handig begrip in de ontwikkelingspsychologie, het heeft een zeker nut in de filosofie, maar in handen van politici wordt het al snel iets dat te lang in het frituurvet heeft gelegen: er zit meer korst aan dan eetbaars, en het begint snel te stinken. 

Het Vlaamse identiteitsdebat verhult bovendien een ontstellend gebrek aan coherentie, competentie en ervaring binnen de NVA zelf. Hun politieke visies lijken vooral gericht op het beheersen van de volgende news cycle van achtenveertig uur. Als we al die volvette columns en andere afleidingsmanoeuvres negeren, zal er op den duur niet veel lol meer aan zijn. Hou er wel rekening mee dat het voor gelijk welke populistische politicus met veel vrije tijd verlokkelijk zal blijven het kunstenvolk wereldvreemdheid, luiheid en subsidiehonger te verwijten. Je kunt er altijd mee scoren. Maar ook dat negeren we, en we gaan evenmin pruilen.

Verder nemen we vanaf heden onverschrokken duidelijke politieke standpunten in. Ik ben bereid een paar voorzetten te geven. We bepleiten de oprichting van een federaal cultureel niveau in het België van de toekomst. Het identiteitsdebat in dit land verbergt in niet geringe mate het ontbreken van een nationale politieke gemeenschap. Die moet er komen, en die zal er komen. De opeenvolgende staatshervormingen hebben het heruitdenken van het federale niveau om tal van redenen steeds voor zich uitgeschoven. De stille evolutie naar een België van vier gemeenschappen met verregaande autonomie onder een duidelijker federale koepel, wordt vanaf heden maar beter expliciet gemaakt. De onvermijdelijkheid van deze evolutie is trouwens stukken groter dan de verdamping van het land waar de NVA op af sjokt als een jichtige kameel naar de volgende fata morgana. Laten we unverfroren voor dit nieuwe België kiezen en ons hele politieke spectrum erop wijzen dat een nationaal cultureel niveau daarin onontbeerlijk is. 

Cultuur was destijds de eerste beleidsmaterie die naar de gemeenschappen ging. De hang naar culturele ontvoogding in Vlaanderen kan ik in vele opzichten hogelijk waarderen, maar tegelijk hebben we een onvergeeflijke culturele leegte gecreëerd op het nationale niveau. Onze nationale instellingen ontberen een Belgisch beleidsdepartement. Het Koninklijk museum voor Schone Kunsten, de Jubelparkmusea, het Natuurhistorisch Museum, de nationale plantentuin herbergen collecties die rustig kunnen wedijveren met gelijkaardige verzamelingen in Londen, Berlijn, Madrid of Parijs. De collectie van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika is op wereldvlak zelfs uniek. En laten we ook maar ’s bekennen dat de Munt onze enige opera is die de vergelijking met de grote buitenlandse huizen doorstaat. Geen van deze instellingen slaagt erin een uitstraling en impact te bereiken die enigszins in de buurt komen van dergelijke cultuurtempels in onze buurlanden. We laten hier ontzettende kansen liggen. Laten we dus eerst en vooral al deze instellingen in dat nationale cultuurniveau een vaste plaats geven en hun beleid dynamiseren. Het zou ook goed zijn voor Brussel, als de stad zijn ambitie de hoofdstad van de EU te willen worden ten minste ernstig neemt, en het zou de stad economisch zeker ten goede komen. 

Een en ander zou op termijn ook klaarheid kunnen scheppen in de wildgroei van culturele initiatieven in Brussel. Huizen als Passa Porta, KVS, De Buren (om me tot een paar Vlaamse te beperken) zouden bijvoorbeeld de komst van dit nationale cultuurniveau kunnen voorbereiden, over de taalgrenzen heen. Jaarlijks gaan karrenvrachten geld naar deze instellingen, ze mogen die wat mij betreft gul aan hun nieuwe taak besteden.

Op termijn zullen misschien niet al deze huizen in hun huidige vorm moeten blijven bestaan. Ik heb het namelijk over Brussel als een hoofdstedelijke gemeenschap waar de drie landstalen en het Engels officieel erkend zijn. Ik zei het al, we moeten grote jongens en meisjes worden, de franskiljons evengoed als de flaminganten. Ik zal Vlaanderen pas als volwassen beschouwen wanneer het de creatie van een federaal cultuurniveau als een logische stap in zijn culturele ontwikkeling ziet, en niet, wat tot op heden het geval is, een regressie naar een Belgique à papa dat al grotendeels dood en tot verdwijnen gedoemd is. 

Dat wordt trouwens ook voor de Franstalingen even wennen. Tien jaar geleden was het ondenkbaar dat op de grote internationale boekenbeurzen Franse uitgevers, inclusief de mijne, iets anders dan Frans zouden spreken. Vandaag spreken ze allemaal Engels, het nieuwe Latijn. Francofoon België begint wat dat betreft behoorlijk fossiele trekken te vertonen. Maar  ikzelf als Vlaamse Belg of Belgische Vlaming zie hierin geen enkele reden om mijn identiteit, inclusief of niet, bij de taalgrens te laten ophouden of om Brussel nog langer te fnuiken. Weg dus, met die idiote Vlaamse vrees voor ‘de inktvlek Brussel’ en weg met die even idiote ‘corridor’ die Brussel met Wallonië zou moeten verbinden. Ga met de blokken spelen.

Een federaal cultureel niveau zou ook kunnen dienstdoen als platform waarop België de artistieke creativiteit van haar gemeenschappen aan de wereld presenteert en voor uitwisseling beschikbaar stelt. Op dit ogenblik hebben alle Belgische ambassades een budget dat ze normaliter aan cultuur moeten besteden, maar door het ontbreken van een nationaal cultuurdepartement weten ze niet hoe ze het moeten uitgeven. We hebben ook geen eerbiedwaardige instellingen zoals de British Arts Council die geregeld culturele figuren en instellingen via de Britse ambassades  de wereld rondstuurt, noch internationale instellingen als de Duitse Goethe-huizen of de Spaanse Cervantes-instituten. We hebben wel krakkemikkige culturele samenwerkingsakkoorden en we hebben ook Vlaamse gemeenschapsvertegenwoordigers die in een aantal Europese hoofdsteden resideren, maar die krijgen geen geld voor kunst en cultuur. Toen ik onlangs in Frankfurt een lezing gaf vroeg ik de Goethe-universiteit, de organisator, wat nu precies die gemeenschapsvertegenwoordigers aan zo’n avond bijdroegen. 

‘Niets,’ luidde het antwoord. ‘Ze hebben geen geld, maar als het even kan zijn ze graag aanwezig om hun sympathie en steun voor de Vlaamse auteurs te betuigen.’ Heer Gemeenschap was die avond trouwens afwezig. Herstellende van iets naars aan het hart, naar verluidde. Ik wens de man veel beterschap, en met al mijn sympathie. Helaas heb ik geen centen voor een mandje druiven.

Je kunt dus eigenlijk nog beter in keukenfolie gewikkeld op het dak van je huis in het zonnetje gaan staan om die Vlaamse uitstraling te bevorderen. Al sta ik liever voor aap door voorstellen als deze te doen, omdat niemand anders het aandurft. In ongeveer elke partij tref ik tijdens informele gesprekken toppolitici aan die de nood aan dit federaal cultuurniveau binnen een hervormd België erkennen, maar ze zwijgen. Om een van hen te citeren: ‘Het is inderdaad een schrijnend gemis, en tragisch, ook voor Vlaanderen. Maar zolang het voor politici loont elkaar als de beste Vlaming of de beste Waal te overtroeven komt het op zelfmoord neer zoiets te bepleiten.’ Ik zou graag wat meer moed zien in onze politieke spectrum. Het is niet gezond dat de retoriek van NVA zo luid kan klinken omdat men elders angstvallig zwijgt. Het is niet democratisch. Onze gekozenen laten ons hierin flagrant in de steek. Tegenstemmen als deze van Karel De Gucht, Mathias De Clercq of Johan Vande Lanotte kunnen daardoor al te snel als zonderling worden weggezet, net geen kunstenaars. Dat is onvergeeflijk. Er moet meer hartige kost op tafel komen. Gedegen denkvoer. Ik heb de buik vol van de frituur.
Erwin Mortier