WIJ ZIJN DE PUNT VAN DE STAART VAN DE LINTWORM

EERSTE DEEL AUTOBIOGRAFIE MARK TWAIN VERSCHENEN

"Hij was, zoals in wezen elke schrijver met een hang naar satire en een talent voor bitterzoete hekeling, een moralist, om niet te zeggen een profane versie van het predikantentype dat hij ook in dit boek met verve en humor over de kam haalt. Uiteindelijk diep ontgoocheld door de medemens vreet dit soort schrijversziel mondjesmaat de knarsetandende berusting die voor andere schrijvers de zee van onbewogen deernis vormt waarop hun kunst drijft." (Erwin Mortier in De Volkskrant-Boeken van 24 december 2010 & De Morgen-Uitgelezen van 5 januari 2011)

Ergens in de loop van het jaar 1906, kort nadat hij voor de zoveelste keer aan het dicteren van zijn autobiografie begon, nam Samuel L. Clemens, beter bekend als Mark Twain, in de stapel notities die zich al hadden opgehoopt een kort memo op: ‘Wat een petieterig deel van het leven van een mens liggen in zijn daden en zijn woorden. Zijn echte leven leidt hij in zijn hoofd, en dat is slechts door hemzelf gekend. De hele dag lang, en elke dag weer, maalt de molen in zijn brein. Zijn gedachten, niet die andere dingen, vormen zijn geschiedenis. Zijn daden en zijn woorden zijn weinig meer dan de zichtbare dunne korst van zijn wereld… Elke dag zou een boek van tachtigduizend woorden opleveren – driehonderd vijfenzestig boeken per jaar. Biografieën zijn slechts de kleren en knopen van de man – de biografie van de man kan nooit geschreven worden.’ 

  

Dat Twains autobiografie er nooit zou komen, dat hij haar nooit zou voltooien, stond dus eigenlijk in de sterren geschreven. Hij hield niet van het gladde, narratief gesloten geheel dat de meeste autobiografieën presenteren, en hij realiseerde zich dat hij, wilde hij zo eerlijk mogelijk zijn, een hoop mensen die hij in zijn lange en rijke, evenmin van tragiek en tegenslag gespeende leven had ontmoet, zou moeten kwetsen. Niet toevallig volgt op die korte memo over de onmogelijkheid van de biografie de observatie: ‘Het schijnt me toe dat ik even vrank en vrij en onbeschaamd als een liefdesbrief zou kunnen zijn indien ik wist dat wat ik schreef aan geen enkele blik zou worden blootgesteld tot ik dood was, en onwetend, en onverschillig.’ Waarna een nauwgezette uiteenzetting volgt hoe toekomstige erfgenamen met de autobiografie in wording dienden om te springen: alle passages die beledigend konden zijn voor personen die nog in leven waren, of hun verwanten en vrienden, dienden te worden geweerd. ‘Dit boek is geen haatlijst.’ Een advies waaraan niet alleen de nabestaanden zich hebben gehouden, maar ook Twain zelf, gretig als hij was commentaren en schetsen die hij aan een secretaris dicteerde om te zetten in proza dat tot vandaag even gretige lezers vindt. 

    Nu zijn woorden geen slachtoffers meer kunnen maken, zou hij, honderd jaar na zijn dood, wie weet wel blij zijn met de verlate publicatie van de stapel papier die zijn onmogelijke levensbeschrijving uitmaakt. Het eerste deel alleen al levert een bakbeest van om en bij de achthonderd pagina’s op, en er staan er nog twee op stapel. De hoofdmoot bestaat dan wel uit keurige verantwoordingen van een handvol zeergeleerde meneren en mevrouwen dat elke snipper en flard grondig onder de loep heeft genomen, en iedere doorhaling en variant heeft uitgevlooid, wanneer over enkele jaren alles is uitgegeven zal Twain zichzelf in elk geval van een indrukwekkende garderobe en een dito verzameling knopen hebben voorzien. 

   

Misschien zou hij vooral opgetogen zijn met het fragmentarische van het geheel, wat een zelfportret in talloos veel facetten oplevert, van een man die inderdaad vaak geen blad voor de mond neemt, maar even vaak door pudeur of pijn wordt overmand. Bijvoorbeeld bij de dood van zijn echtgenote, drie van zijn vier kinderen, en vele vrienden en verwanten. Het overlijden van zijn vrouw Olivia, na een lange ziekte, wordt welhaast weggemoffeld in oeverloze, maar niet ongeestige beschrijvingen van het Florentijnse palazzo waar het gezin toen verbleef. Het maakt hem er alleen maar menselijker op. Al die tegenslagen, en de loutering die een lang leven met zich meebrengt, zullen er zeker toe hebben bijgedragen dat Twains kijk op zichzelf en onze soort er met de jaren niet rooskleuriger op werd. Een verwerpelijk zooitje, dat mensdom, luidt min of meer het verdict, verblind als we zijn door allerlei zoetgevooisde leugens, onder meer ‘dat ik ik ben, en jij jij. Dat we eenheden zijn, individuen, met onze eigen aard, in plaats van het puntje van de staart in de lintworm van een eeuwigheid aan voorouders die zich in processie rugwaarts uitstrekt, verder – en verder – en verder –  terug, tot onze oorsprong bij de apen, waarbij die zogenaamde individualiteit van ons niet meer is dan een verrotte en ranzige brij van overgeërfde instincten en doctrines, atoom per atoom, stankvlaag na stankvlaag ontrokken aan de gehele bloedlijn van die zielige colonne, met  amper zo veel nieuws en origineels erin dat je het op de punt van een naald zou kunnen laten balanceren of bestuderen onder een microscoop. We zijn discrete schapen: we wachten om te zien welke kant de kudde opgaat en volgen dan de kudde.’

    Hij was, zoals in wezen elke schrijver met een hang naar satire en een talent voor bitterzoete hekeling, een moralist, om niet te zeggen een profane versie van het predikantentype dat hij ook in dit boek met verve en humor over de kam haalt. Uiteindelijk diep ontgoocheld door de medemens vreet dit soort schrijversziel mondjesmaat de knarsetandende berusting die voor andere schrijvers de zee van onbewogen deernis vormt waarop hun kunst drijft. Het geeft niet, zoals bovenstaande regels laten zien: Twain was en blijft een superbe schrijver, en het mag een postume verzachting voor zijn misantropie zijn dat de lezer zich massaal op dit eerste deel van zijn brokkelige levensverhaal heeft gestort. Een paar duizend exemplaren hadden de samenstellers voorzien, vooral voor academische boekenplanken bestemd. Inmiddels heeft zowat een half miljoen leesgierigen zich het boek aangeschaft. Daarmee lijkt de man wiens avonturen van Tom Sawyer of Huckleberry Finn immens populair blijven inderdaad, zoals Faulkner hem ooit betitelde, de vader van de Amerikaanse Letteren, en een geliefde vader bovendien.

Hij was ook, en allicht verklaart dat mee zijn blijvende aantrekkingskracht, een belichaming van de Amerikaanse Droom. Werd hij dan niet arm geboren – zijn familie was vrij welgesteld en bezat grote lappen grond – financieel en ander onheil brachten hem ertoe als tiener een baantje te zoeken als hulpje van de lokale drukker. Gaandeweg begon hij te schrijven, journalistieke stukken waarin toen al de verbale gevatheid en de ironie opvielen. Levenslang kon hij zich ergeren aan troebele zinsbouw en stilistische armoe: ‘Ik vind niet dat een paar keer per paragraaf een belangrijk woord herhalen – drie, vier keer, zeg maar – mijn oor pijnigt wanneer het de helderheid van de betekenis ten goede komt. Maar tautologische herhaling die geen gerechtvaardigd doel dient, en slechts het feit blootlegt dat de balans van de schrijver bij de woordenschatbank tekortschiet en dat hij te lui is haar aan te vullen vanuit de thesaurus – dat is andere koek. Ik voel dan de aandrift de schrijver rekenschap te vragen. Ik zou hem eraan willen herinneren dat hij zichzelf en zijn roeping niet met het gepaste respect behandelt en – terloops – dat hij me niet met het vereiste ontzag benadert.’ 

   

Respect, ontzag, het zijn moreel geladen concepten, en wat mee de kwaliteit van dit begindeel van zijn levensrelaas uitmaakt is dat de oplettende lezer tussen de regels door de kiemen van Twains artistieke ethos kan terugvinden. Hier en daar flakkeren tussen de overigens bijzonder evocatief uitgewerkte herinneringen aan zomers op de paradijselijke landgoederen van zijn familie meer schrijnende passages op, voorvallen die de psyche van de schrijver Twain mee zullen hebben gevormd. Dat het paradijs dat hij ervoer letterlijk door slavenhanden werd onderhouden, bijvoorbeeld, zoals blijkt uit een herinnering aan het slavenkind Sandy dat door zijn familie was gekocht, en wiens melancholieke klaagzang de jonge Samuel Clemens op de zenuwen werkte, tot ongenoegen van zijn moeder: ‘Wanneer hij zingt, het arme schaap, betekent het dat hij niet bezig is met peinzen, en dat troost me. Maar wanneer hij stil is ben ik bang dat hij aan het denken is en dat kan ik niet aan. Hij zal zijn moeder nooit meer weerzien. Als hij kan zingen, moet ik hem niet onderbreken, maar er dankbaar voor zijn. Als je ouder was zou je me begrijpen. Dan zou het geluid van dat kind zonder vrienden je blij maken. Het was een eenvoudige uitleg, met kleine woorden gebracht, maar hij kwam aan, en Sandy’s lawaai zou me nooit meer ergeren. Ze bezigde nooit zware woorden, maar ze bezat het natuurlijke talent met kleine woorden doel te treffen.’ Zijn leven lang heeft hij datzelfde talent steeds verder verfijnd. Om te zalven, maar ook om te slaan. Roekeloze presidenten, mededogenloze kapitalisten, bigotte predikanten in een Bijbelvast, om niet te zeggen Bijbelziek land, bloederige oorlogsmisdaden begaan door een natie in naam van de democratie en de gelijkheid, weinig ontsnapt aan zijn pen.

   

Veel van wat dit eerste deel van deze biografie te bieden heeft is elders al eerder verschenen, maar wanneer men het voor het eerst bij elkaar gebracht ziet, komt een veelkantig profiel naar voren van een man die in zijn geschriften niet alleen terugblikt op zijn eigen leven, maar die evengoed de voortekenen bespeurt van een tijdperk dat bij zijn dood in 1910 zijn grootste gruwelen nog heel even voor zich hield.

Erwin Mortier