Eminente leden van het Genootschap ’t Zal Wel Gaan

Dankwoord bij de overhandiging van de Geuzenprijs 2010

" Er is  iets wat we vaak uit het oog verliezen wanneer we Plato’s dubbelzinnige aanklacht tegen de dichters aangrijpen om op het eeuwige spanningsveld tussen polis en dichter, tussen politiek en de Muze te wijzen: in de Ideale Staat is inderdaad geen plaats voor dichters, maar alles welbeschouwd kunnen er al evenmin politici bestaan. De stad is een organisch geheel. Discussie, debat, de strijd van groepen om medezeggenschap in en over de samenleving zijn er overbodig."

Eminente leden van het Genootschap ’t Zal Wel Gaan
Geëerde Mede-Laureaat,
Dames en Heren,
Lieve vrienden,
Het is altijd een ietwat zorgelijke aangelegenheid voor me een onderscheiding in ontvangst te nemen. Hoe gevleid ik me ook voel, alles is ijdelheid, altijd blijf ik me enigszins argwanend afvragen of er geen vergissing in het spel zou zijn, of er misschien geen sprake is van een valstrik.  Samenlevingen zijn niet altijd even dol op hun dichters, elke lof dreig ik dus een beetje verdacht te vinden. Mijn argwaan heeft lange historische wortels. Uit de lessen van Professor Vermeersch, die hier vandaag met dezelfde Geuzenprijs gelauwerd wordt, leerde ik dat Plato weinig van mijn soort mensen moet hebben. 
    ‘Wanneer een van deze heerschappen, die zo geslepen zijn dat ze alles kunnen imiteren, op ons toetreedt en voorstelt zichzelf en zijn poëzie ten toon te spreiden,’ schrijft hij, ‘zullen we ons op de grond laten vallen en hem vereren als een zoetgevooisd en heilig en wonderlijk wezen, maar we moeten hem ook aan het verstand brengen dat in onze Stad lieden van zijn slag niet mogen bestaan, de wet zal hen niet gedogen. En daarom zullen we hem, nadat we hem gezalfd hebben met mirre en hem een krans van wol op het hoofd hebben gezet, wegsturen naar een andere stad. Want voor het heil van onze ziel zullen we slechts de ruigere en doortastender dichter of verhalenverteller aantrekken, die slechts de stijl van de verdienstelijken imiteert, en die slechts die modellen volgt die we voorgeschreven hebben toen we het al hadden over de opvoeding van onze soldaten.’

In het bericht dat me van het toekennen van deze prijs op de hoogte bracht, las ik dan ook met lichte bezorgdheid dat mijn persoontje dan wel het voorwerp zou zijn van een laudatio, onder meer omdat ik naar verluidt kritische vragen stel over hoe we samenleven, ook nog eens met bijtende humor, en lichtvoetige zelfrelativering. Ik las echter ook dat na deze plechtigheid een optocht gepland staat, met majorettes nog wel, en heel even dacht ik: ‘Het is zover – om tien uur feest, om twaalf uur begeleidt men de dichter, met zijn oren vol wol naar de buitenberm van de R4.’

We zullen zien. 
Lijdzaam wachten we op wat komen gaat.

Er is echter iets wat we altijd vergeten wanneer we deze beroemde passage uit Plato citeren: wanneer hij het over ons dichters heeft, zo geslepen in onze imitaties, is hijzelf aan het imiteren: hij voert de wijze Socrates op, wiens woorden hij repliceert onder de vorm van een aantal conversaties. De denkbeelden van de vader van de wijsbegeerte zijn dus, ironisch genoeg, tot ons gekomen met gebruik van alle knepen en trucs die dichters en schrijvers zo graag hanteren. 

Ik denk dat Plato zich van die ironie bewust was, dat hij een groter ironicus was dan men het hem aangeeft. Soms denk ik zelfs dat onze blindheid voor zijn literaire spel een schitterend misverstand heeft veroorzaakt dat nu al meerdere millennia voortduurt: het misverstand van de filosofie – waarvoor ik overigens de geschiedenis intens dankbaar ben.

Er is nog iets wat we vaak uit het oog verliezen wanneer we Plato’s dubbelzinnige aanklacht tegen de dichters aangrijpen om op het eeuwige spanningsveld tussen polis en dichter, tussen politiek en de Muze te wijzen: in de Ideale Staat is inderdaad geen plaats voor dichters, maar alles welbeschouwd kunnen er al evenmin politici bestaan. De stad is een organisch geheel. Discussie, debat, de strijd van groepen om medezeggenschap in en over de samenleving zijn er overbodig. 

Zie ons daar dus staan, de poweten en de polletiekers, aan de grens van de staat, tussen het zwaar vrachtvervoer, op de pechstrook, haastig gezalfd met wat goedkope aftershave en een wollen kroon om de slapen. ‘Bien étonné de nous trouver ensemble….’ Allebei zijn we tot bannelingen gemaakt omdat we bewoners zijn van de metaforische ruimte die voor mij het hart uitmaakt van zowel de democratie als de poëzie.

We zijn wezens die nooit niet, nimmer, samenvallen met onszelf – hoezeer we daar ook naar kunnen smachten. Hoezeer we ernaar dorsten de paradox die we zijn te vervangen door de sluitende tautologie. Ieder dictatoriaal regime vertoont in zijn kwistig gebruik van uitroeptekens een diepe afkeer, om niet te zeggen angst, voor het vraagteken dat we in onszelf belichamen. Iedere democratie maakt daarentegen ruimte voor de onmogelijkheid onszelf te bereiken, door de macht zelf op afstand te houden van onszelf, omdat niemand van ons de fatale versmelting van volk met staat zou kunnen bewerkstelligen en niemand het monopolie op zijn definities zou kunnen vestigen. 

Hoezeer we het ook zouden willen, we kunnen nimmer in een ‘identische’ verhouding met onszelf verkeren. Iedere identiteit is betrekkelijk, een altijd rafelige jas, een immer lekkend dak. Het is altijd lapwerk om onszelf min of meer droog en warm te houden, maar ik houd van lapwerk. We zijn Belgen, for better and for worse. Behalve de saxofoon en Kuifje hebben we de wereld de schoonheid van de koterij geschonken, die lange reeks beschonken nabeschouwingen van onze huizen die zich als een dromerij verder zet in onze achtertuinen. Waarom zouden we met onze identiteiten niet hetzelfde kunnen doen, ze opvatten als een reeks blijvend provisorische achterkoten en werkplaatsen, want een mens moet toch ergens de was en de plas doen, en frieten bakken doet geen weldenkende België in zijn keuken, maar in de garage, anders riekt het hele huis naar friet.

Het is trouwens niet slecht iemand of iets te zijn, met een zekere vastigheid, zolang we maar beseffen dat onze jassen vol gaten zitten en dat ze uit een veelheid van lappen stof bestaan.

Soms, bijvoorbeeld, denk ik zelfs écht dat ik een dichter ben – een wezen dat heel goed kan verbergen hoezeer het door de wereld en de medemens met verstomming wordt geslagen, met zijn bek vol tanden staat.

Maar het is goed daarbij iets essentieels te bekennen.

Ik ken mijn talent niet.
Mijn talent kent mij.

Als ik het opentrek, dat talent, tref ik in mijn hersenkwabben geen Parnassus aan, maar een bordeel. Meer dan twee millennia cultuurgeschiedenis ligt daar te rotzooien op bloedrode pluchen sofa’s, achter dikke velouren gordijnen. Mijn ik is gevormd door de geschriften, denkbeelden, kunstwerken van een zooitje ongeregeld zonder weerga. Ik tref zelfs Augustinus aan onder die lichtekooien, notoir scheve schaatsenrijder in zijn jonge jaren, wiens bekentenissen voor de jeugd van tegenwoordig nog steeds een bruikbare handleiding van zoete schandelijkheden biedt dat ik elke jongere warm wens aan te bevelen. Wat een zuiverheidsmanie woedt er heden ten dage door onze steden, wat een leugen waar we het nageslacht mee opzadelen. Kijk eens naar mijn bordeel. Hadewijch, de van liefdeswoede brandende, de gulzige Thomas van Aquino, Nietzsche in vurige omhelzing met een paard, Bach, Beethoven, Bruckner, Darwin, Machiavelli, Shakespeare, Ibsen, Kierkegaard, Mohammed, Jahweh, Christus, Will Ferdy, of all people, ze zijn er allemaal vol overgave aan het donderjagen… 

Uit wat een orgie bestaat, nader beschouwd, het ogenschijnlijk satijnen weefsel van onze ziel. Of zoals Wislawa Szymborska het uitdrukt in haar gedicht ‘Standpunt in de discussie over pornografie’: 

‘Geen enkele losbandigheid is erger dan het denken. 
Dat wangedrag woekert als windbloeiend onkruid
in een bed bestemd voor madeliefjes.
...
Afschuwelijk in wat voor posities,
in wat een tomeloze eenvoud
de ene geest de andere bevrucht!
Zulke posities zijn zelfs Kamasutra onbekend.’
In een van zijn brieven schreef Flaubert ooit dat hij bij een zwerver die onder de bruggen slaapt meer interesse en deernis kon koesteren voor de vlooien in diens lompenjas dan in die zwerver zelf. Ik begrijp, denk ik, wat de grote meester daarmee bedoelde. De specifieke losbandigheid van het denken dat we de literaire verbeelding noemen moet, wil ze werkelijk van tel blijven in de mensenstad, de ruimte genieten onverantwoorde daden te stellen en elke functie die haar wordt opgedrongen af te wijzen, ten voordele van haar eigen ongegrondheid.  

Als wij dichters en schrijvers de samenleving één dienst kunnen bewijzen, dan wel door de afstand tussen onszelf en onszelf te bewaken, te verhinderen dat we bezwijken voor de lokroep van de verabsolutering, die zeker in verwarde tijden als deze soms luid en verleidelijk kan klinken. De literatuur gaat niet over synoniemen, ze gaat haast altijd over de ondraaglijke verhouding tussen het individu en het collectief, het ik en de gemeenschap, elk met hun tegenstellingen en gespletenheden, hoe het één nooit restloos tot het ander te herleiden valt, wat er gebeurt als we de naden willen dichtlassen en van onszelf sluitende gehelen willen maken. Als het goed gaat, laat ze ons de ontzaglijke complexiteiten van ons bestaan en ons eigen zijn horen en voelen  – onze tragiek, onze machtloosheid, onze grootsheid en onze tuttigheid, onze eeuwigheidswaarde en onze eindigheid. Het is al veel als we erin slagen muziek te maken met onze ketenen. Kleine muziek, misschien – misschien ook niet.
In 1961 dichtte de Turk Nazim Hikmet, die toen in Leipzig, verbleef het volgende: 

‘Over vallende bladeren heb ik in vijftigduizend gedichten romans enzovoorts gelezen
bladeren heb ik zien vallen in vijftigduizend films
    vallen en zwerven en rotten
hun dode geritsel vijftigduizend keren onder
    mijn zolen gevoeld in mijn handen op mijn vingertoppen
maar nog altijd ontroeren mij vallende bladeren
    vooral als ze vallen langs boulevards
    vooral kastanjebladeren
    en als er kinderen in de buurt zijn
    en de zon schijnt
    en ik heb goed nieuws voor vriendschap
vooral wanneer mijn hart geen pijn lijdt
en ik geloof dat mijn geliefde van me houdt
vooral als het een dag is dat ik me goed voel over de mens
    kunnen vallende bladeren me ontroeren
vooral als ze vallen langs boulevards
vooral kastanjebladeren.’

Hikmet heeft in Turkije verschillende jaren in de cel gezeten, werd zijn burgerschap ontnomen en ten slotte in ballingschap gestuurd, zonder zalving met mirre of een krans van wol op de kruin.Hij is maar een van de vele voorbeelden van wat er gebeurd wanneer we Plato’s satire te ernstig nemen. Hij was communist in een tijd dat de grootmeesters van de geopolitieke verhoudingen zijn vaderland ei zo na vermaalden in de kille strijd tussen Oost en West. Vorig jaar heeft de Turkse natie hem zijn burgerrechten teruggegeven, intussen was hij wel al drieënveertig jaar dood. 

Je moet misschien jaren in eenzame afzondering opgesloten gezeten hebben om de betekenis van vallende herfstbladeren te vatten, al wens ik het niemand toe. Maar het is niet slecht als er dichters bestaan die ons ook gewoonweg wijzen op de glorieuze pracht van onze dagdagelijkse banale, maar  o zo kostbare vrede. 

Naast Hikmet en talloze anderen zijn mijn kunstbroers en ikzelf hier in dit land verwende nesten. Ons wordt door de stad en de staat geen strobreed in de weggelegd. Maar we kunnen niets voor gegeven nemen. We leven in een periode van een grote bloedarmoede van de burgerlijke en politieke verbeelding. De tijd van de tautologie lijkt weer eens aangebroken. Verstikkend zijn de uitroeptekens die alleen al in dit land heen en weer vliegen. Zorgwekkend onze zorgvuldig geregisseerde angsten. Luidruchtig de tactische dovemansgesprekken. Wat wordt er geëmmerd in deze wereld en wat een gesis valt er te horen in de mensenstad. Waar vallen de nog zachte, maar daarom niet minder scherpe observaties te beluisteren zoals die van mijn geliefde Montaigne: ‘Er dwaalt een verschrikkelijke ziekte onder de mensen. Ze denken dat ze iets weten.’

Tot zover het cultuurpessimistische hoofdstukje. Aan het einde van zijn leven gaf Mark Twain in een van zijn dagboeknotities een typering van het mensdom: ‘Ieder mens is zijn eigen persoon het gehele mensdom, in al zijn details. Ik ben het hele mensdom in al zijn details. Al die jaren heb ik in mijn eigen persoon de menselijk soort nauwlettend en met diepe aandacht  bestudeerd. Ik tref in mezelf in grote of mindere mate elke kwaliteit en ieder gebrek aan dat je in de gehele massa van ons ras kunt aanwijzen... Het mensdom is een ras van lafaards, en ik loop niet alleen in die processie mee, ik draag zelfs de vlag!’ 
Ik geef toe dat ik na deze woorden stilaan aan de borrel toe ben. Niettemin meen ik dat elke schrijver en dichter die betiteling waardig Twains observatie in het hart dient te dragen. Ons is geen enkele vorm van superioriteit toegekend. Laten we met overgave vaandeldragers van de onvolmaaktheid blijven. Om Gerard Reve zaliger te citeren: Klein gebrek geen bezwaar.
Het is stilaan tijd om af te sluiten. Dames en Heren, behalve mijn onderhuidse, hopelijk irrationele angst dat dichters alleen maar gelauwerd worden om ze vervolgens een uitwijzingsbevel in de handen te duwen, leeft in mij een nog groter bezorgdheid. Men moet toch zoveel spreken als men prijzen krijgt. Wij dienaren van het zwijgende woord, worden katheders opgejaagd om onze bek open te doen, terwijl in wezen alleen het gekras van de pen of het geratel van het klavier het geluid is dat ons spreken verraadt. Zo hoort het ook, ten gronde, uiteindelijk, wanneer alle feestgedruis vervaagt en een zalige stilte intreedt. Schrijvers moeten alleen hun bek opentrekken wanneer hun ergernis of zorgen zo groot zijn dat ze een maagzweer riskeren. Liever nu en dan acuut vloeken dan geregelde bezoeken aan de gastroloog. Ik geef toe, de ene maag is al gevoeliger dan de andere.
Ik aanvaard met trots en rustige vastheid deze geuzenprijs, maar ik sluit mijn dankrede graag af met een vers dat ik de wel zeer christelijke titel Confessiones meegaf.
Confessiones
Ik beken, in tijden van glasbraak en stormschade lees ik,
en ook al zou vrede in alle kieren heersen 

dan nog zou ik lezen,

om de dood en zijn ontreddering, uit weemoed
en wegens onzalige liefdes, en ook van de dorst

naar god en zijn verheven onwaarschijnlijkheid.

Ik beken, al het geschrevene lees ik alsof de inkt
waarin het geschreven staat nog nat is,

en ook beken ik dat er geen heden bestaat
wanneer ik lees, noch een verleden,

want daar is maar één tijd in het lezen: 
de eeuwig onontgonnen millennia

van wat mogelijk was.

Ik beken, ik hecht een naïef geloof aan de Parnassus, 
die veeltalig krijsende meeuwenwolk

op de al te smalle richels
van een verticale rotswand,

en grif geef ik toe dat ik geen andere vooroudercultus
belijd dan de poëzie: het dode koraal,

de papieren trechter waarin ontvleesde stemmen slapen.

Ik beken, altijd vertrouw ik op mijn onvermogen
ooit te begrijpen wat ik lees, en dat ik, al lezende,

alle openbaringen herspreek, verspreek,

omdat ik slechts in nesten van misverstand wil huiveren.

Aan dit alles bezondig ik me, willens en wetens
en herhaaldelijk.

En ik beken dat ik mijn herkomst traceer
tot in de puinen van de ziggoerat, tot het stof

van de gevallen hangende tuinen.

Schaamteloos belijd ik mijn geloof
in het offer van de taal, dat klamme brood,

om onzentwille.

Want als zij niet open stonden,

de woorden, tochtig onvolkomen, enkel
vrijend met zichzelf, indien zij niet

vatbaar bleken voor infectie, virulentie, incantatie,
als zij niet wankelden van verval en verwachting,

hoe zouden wij ons zalven met geschiedenis?