EEN SCHEUT DOLCE VITA BOVEN HET VLAKKE LAND

EEN SALUUT VOOR HUGO CLAUS

"Claus heeft me de verbijsterende rijkdom van het Nederlands laten horen, de woekering van de talloze registers van onze dialecten en zegswijzen, het gistende taalmoeras onder het gepolijste glazen dak van ons Algemeen Nederlands, en hoe die taalwerelden in onze troebele Vlaamse inborst gedurig tegen elkaar opknarsen, met elkaar botsen, in elkaar samenvloeien, kolken en schuimen en zingen en schuifelen, wat het Vlaamse woord is voor fluiten."

Erwin Mortier brengt een persoonlijk saluut aan de overleden schrijver, dichter en artistieke duizendpoot Claus
(verschenen in De Volkskrant-Cicero van 21 maart en De Standaard van 22 maart 2008)

Mijn herinneringen aan Hugo Claus beginnen bij zijn taal en zijn stem, die in mij naar binnen zijn gebroken lang voor ik de man zelf leerde kennen. Ik was vijftien en op school gaf een leraar Nederlands ons, zijn onwillige kudde, de Oostakkerse Gedichten te lezen. Ik weet nog dat ik het vers ‘Marsua’ voor me kreeg, Claus’ omspeling van het muzikale duel tussen de koele god Apollo en de dierlijke sater Marsyas, de strijd tussen lier en fluit, hoofd en hart, tussen de koude taal van de rede en het vulkanische vocabulaire van de passie. De mythologische duiding die de toegewijde leraar ten beste gaf drong amper tot me door. Ik begon het gedicht te lezen en in mijn hoofd ontplofte de taal.

Nog steeds, na al die jaren, springen me telkens als ik in Hugo’s verzamelde dichtwerk vertoef de tranen in de ogen wanneer ik op de Oostakkerse Gedichten en Marsua stuit. Ineens ben ik weer die puber van toen: een onhandige ziel in een onhandig lichaam, huiverend onder de hormonale stormen en de eerste begeerten, en onherstelbaar gewond door de taal van Claus, die het moeilijke scharnieren van mijn psyche en mijn botten van een rauwe, knarsende maar ook heel precieze muziek voorzag. Wolfskeel, grintgezang en bloedkoraal.

‘Mij heeft niemand meer genezen.
In mijn kelders is de delfstof der kennis aangebroken.’

Ik heb Hugo nooit over die ontmoeting met zijn lyriek verteld. Teveel pudeur van mijn kant speelde daarin mee, alsof ik hem over mijn ontmaagding had onderhouden, want dat was het min of meer. Zijn poëzie heeft mijn trommelvlies doorboord, maar me na deze even glorieuze als brutale inbraak niet bepaald hardhorig achtergelaten, integendeel. Claus heeft me de verbijsterende rijkdom van het Nederlands laten horen, de woekering van de talloze registers van onze dialecten en zegswijzen, het gistende taalmoeras onder het gepolijste glazen dak van ons Algemeen Nederlands, en hoe die taalwerelden in onze troebele Vlaamse inborst gedurig tegen elkaar opknarsen, met elkaar botsen, in elkaar samenvloeien, kolken en schuimen en zingen en schuifelen, wat het Vlaamse woord is voor fluiten. Eeuwig staan in ons Apollo en Marsyas tegenover elkaar, de armen om elkaars romp geklemd, mond op mond, keel in keel: een chronisch gevecht op leven en dood, of een uitzichtloze copulatie.

Ik weet niet hoe vaak ik in de afgelopen jaren tijdens tafelgesprekken voor Hugo de favoriete uitspraak heb moeten herhalen van een buurvrouw uit mijn kindertijd, die bij zwoel weer met de handen in de heupen voor het keukenraam van haar boerenwoonst naar buiten staarde, en na enig kreunen en naar de hemel gapen haar enigszins perplexe gehoor pontificaal meedeelde: ‘Mijn snee jeukt. Het gaat vlagen!’
Hij kon er tranen met tuiten om lachen. Zeker als ik erbij vertelde dat ik me bij die snee jarenlang van alles heb voorgesteld waar Freud ongetwijfeld zijn hart aan had opgehaald, tot mijn moeder me op een dag uit mijn illusies hielp en zei dat die snee in de geheime regionen van de buurvrouw niets anders was dan een litteken na een blindedarmoperatie, dat bij laf weer begon op te spelen. Mijn ontnuchtering was peilloos.
‘Die is goed. Kun je hetzelfde verhaal twee keer vertellen,’ lachte Hugo toen ik twee zondagen geleden, bij een diner dat overduidelijk bedoeld was al afscheid, voor de laatste maal op zijn algemeen verzoek die anekdote uit mijn kindertijd herhaalde.

Hij was in die kindertijd voor mij een stem op de radio: speels, lijzig, zangerig. Een stem die velen in Vlaanderen ‘verdacht Hollands’ vonden klinken, een typering waarin altijd een onderhuids verwijt van volksverraad besloten lag. Zijn verschijning goot een gulle scheut Dolce Vita over het vlakke land tussen Gent en Brugge. Op de beeldbuis zoemde hij achterop een motorfiets door de straten van onze grauwe steden, onveranderlijk zat voorop achter het stuur een bloem van een vrouw de zinnelijkheid zelve te wezen, en wanneer hij geïnterviewd werd balanceerde, in die dagen dat men nog mocht roken op de televisie, steevast een sigaret tussen zijn vingertoppen, waaraan zijn vlezige lippen arabesken van rook wisten te ontlokken.

Claus is ook de man die Vlaanderen heeft getoond hoe je een zonnebril kunt dragen zonder dat het belachelijk wordt. En maar goed ook, want we hebben zijn mediterrane gloed en zijn Olympische grandeur in wezen nooit goed kunnen verdragen. Ook in dat klaslokaal, bijna veertig jaar geleden, vond de leraar die ons Marsua uitlegde het nodig om Claus weliswaar een immens talent te noemen, maar ook een, ik citeer, ‘redelijk vies ventje.’ De woorden zijn in mijn geheugen blijven haken en gaan nog steeds vergezeld van de instinctieve afkeer die ik toen voelde, niet voor Claus, maar voor die voorheen bewonderde leraar. Een goede schrijver of dichter, weet ik nu, kan niet zonder het 'gemaar' van de keurige kaste, de lauwerkrans der kleinburgerlijkheid. Moraliseren blijft de hartstocht van de armen van geest, en we leven wat dat betreft, vrees ik, in steeds passionelere tijden.

De man zelf heb ik voor het eerst in persoon ontmoet medio de jaren tachtig. Ik studeerde in Gent en deelde de collegebanken met zijn oudste zoon Thomas. Op een dag deelde deze mee dat diens vader weer eens ging verhuizen, van een somptueuze, onder veel bladgoud en stucwerk gebukt gaande herenwoning in de negentiende-eeuwse rand van Gent, zo bleek, naar een fonkelnieuw pand aan één van de oude rivierarmen in de binnenstad. Of ik en nog wat volk, vroeg Thomas, niet de armen uit de mouwen wilden steken want er moest nog een hoop spullen in de verhuiswagens worden gestapeld.

Ook over die toevallige ontmoeting heb ik het later met Hugo nooit gehad. Op een bedremmelde handdruk en begroeting na heb ik ook niet echt met hem gesproken, toen. De schrijver trok zich, zoals het hoort, terug in zijn schrijfkamer achteraan, met uitzicht op een binnentuin, en zat daar zonder op te kijken in kleine notaboekjes te kriebelen terwijl we rond hem zijn kantoor ontmantelden, planken uit schragen haalden, kastdeuren losschroefden en tegen het einde van die dag het bureau haast letterlijk van onder zijn schrijvende vingers wegtrokken, tot de dichter alleen nog over zijn stoel, een asbak en een telefoontoestel beschikte, en half over de vensterbank leunend verder in die notaboekjes krabbelde. Ik heb het door Claus met stijl gecultiveerde beeld van uiterst getalenteerde luiwammes nooit geloofd, zoals ik nooit veel geloof heb gehecht aan de mythe die ontstond in de middag van die verhuizing: de roemruchte verdwenen kist, met daarin het manuscript of de manuscripten van onder meer een roman die "Het Verdriet van België" verre had moeten overtreffen.

Een week na de verhuizing belde Thomas me op. Of hij Hugo even mocht doorgeven. Op de achtergrond hoorde ik veel geroezemoes en het ploppen van flessenkurken. Omringd door half cultureel Vlaanderen, stelde ik me voor, had Claus kennelijk kond gedaan van het grote verlies.
Met de hoeveelste verhuiswagen waren de manuscripten naar de nieuwe woning gebracht, wilde de schrijver weten.
De tweede dacht ik. We hadden alleszins, onder begeleiding van Claus’ angstwekkend efficiënte secretaresse, een hele laadruimte volgestapeld met zorgvuldig afgesloten dozen waarop in viltstift ‘manuscripten’ geschreven stond.
‘O?’ reageerde Hugo. ‘Maar zijn er niet ook nog een deel van die dozen met de derde verhuiswagen meegegaan?’
Ik dacht het niet. Bij de derde verhuisbeurt hadden we dozen met Mayabeelden en de boeken uit de kelder versleept.
Hij bleef aandringen. Of er toch, echt niet, denk eens goed na, niet nog een paar manuscripten met een latere wagen de deur waren uitgegaan.
Uiteindelijk ben ik overstag gegaan. Als God Zelf zich verwaardigde om me telefonisch Zijn vermoeden kenbaar te maken dat ik me misschien vergiste, wat had ik, nietige aardwurm, daar tegen in te brengen?

Vandaag zou ik even vlot overstag gaan, niet zozeer uit verlegenheid, maar in het besef dat elke schrijver als het ware omgeven wordt door een sterrennevel van verdroomde boeken, een dampkring van halfgeschreven, ooit te schrijven, in papierflarden sluimerende meesterwerken, en bij een gigantisch talent als Claus moet die nevel zowat de omvang van een hele melkweg, indien niet een parallel universum vertoond hebben, daar in zijn onnavolgbare geest, waarover hijzelf de duisternis van de eeuwige slaap heeft afgeroepen. voor het zwarte gat van een lafhartige ziekte hem kon verzwelgen. Ik gun hem zijn vele levens en levenswerken. Niets bepaalt ons zozeer als de levens die we niet hebben geleid, en oneindig moeten Hugo’s niet geleefde levens zijn, naast de talloze werelden die hij op zijn minst in poeticis heeft geschapen en bevolkt.

Ik was nog steeds verlegen toen ik hem dan uiteindelijk voor het eerst heb aangesproken, of hij mij, enkele jaren geleden tijdens een ontvangst op de Nederlandse ambassade in Berlijn. Wat ik van dat gebouw van Koolhaas vond? Niet veel soeps, als ik eerlijk mag zijn. Ik had de indruk dat ook Hugo er niet echt wild van was, maar we waren eigenlijk allebei timide, en stamelden wat. En ondernamen nog een poging, en Hugo zei: ‘We proberen het nog één keer en als het dan niet lukt, geven we het op. Het leven is te kort.’ En we lachten, en het ijs was gebroken.

Vorige zomer waren mijn man en ik bij hem en Veerle te gast in hun buitenhuis in de Ardennen, waar België nog België is. We hadden eerst een korte wandeling gemaakt door de nabije weiden, met snuivende kalveren in de wegkant en boerenjochies die wijdbeens in ontbloot bovenlijf op hun tractor aan bierflesjes lurkten, omringd door rondborstige meiden op naaldhakken die zich volop trainden in de kunst der verleiding. Was de hele wereld maar altijd zo jong, zo baldadig jeugdig.
Bij een schuur van verroeste golfplaten, zei mijn man ‘Dat is net een foto van die Amerikaanse fotograaf… Hoe heet hij?’
‘Walker Evans!’ riep Hugo uit.
Veerle en ik wisselden een blik. Hij was er nog. Een jaar voordien was duidelijk geworden dat Hugo aan één der afschuwelijkste ziekten leed die een mens, laat staan een schrijver, kan overkomen. Een achterbakse aandoening, die ik me voorstel als een rat in Hugo’s kop, die draad na draad de bekabeling van dat schitterende brein doorknaagde.
‘Ik had nooit gedacht dat het me zo zwaar zou vallen om van het leven afscheid te nemen,’ zei hij later die dag, in de tuin, terwijl Veerle binnen het avondeten bereidde.
Ik durf me amper de wanhoop voor te stellen die hem moet hebben gekweld. De dilemma’s en het emotionele tumult, ook voor Veerle. Ik ben in gedachten bij haar, en bij Thomas en Arthur. En van Hugo zelf stel ik me voor dat hij de deur van zijn schrijfkamer in Antwerpen, zijn geheimste geheim, die slechts weinigen mochten betreden, achter zich heeft gesloten. De Muzen, in de gedaante van Anita Ekberg en andere filmgodinnen, strekken Hugo daar op een heidens altaar uit, vouwen zijn handen op zijn buik, sluiten zijn ogen en zoenen al zijn talen dicht.

Erwin Mortier