"WAT VOORBIJ IS BEGINT PAS" VERSCHENEN

BUNDELING VAN BESCHOUWINGEN OVER TAAL EN SCHRIJVEN

Bij Uitgeverij De Bezige Bij is deze week Wat voorbij is begint pas. Lichtzinnige meditaties over het schrijven verschenen, een bundeling van beschouwingen over taal en schrijven die Erwin Mortier de laatste jaren op verschillende plaatsen en bij verschillende gelegenheden heeft gegeven. Het boek bevat onder andere teksten over auteurs als Woolf, Walschap en Claus, verschenen in dagbladen of periodieken zoals De Standaard der Letteren, De Morgen, Vrij Nederland en Hollands Diep.

Daarnaast bevat de bundel ook een aantal lezingen die de auteur hield over aspecten van het schrijven en de letteren. In 'Stemmen Horen', een lezing op uitnodiging van de Universiteit Gent en het Antwerpse Letterenhuis, gaat hij dieper in op de ervaring van het schrijven, zijn verhouding tot de taal en hoe dit van invloed is geweest op zijn debuut roman Marcel.

Pleidooi voor enig gezond misverstand en de vitaliteit van het vergeten', een lezing gehouden in het kader van het Studium Generale van de Hogeschool Gent, met als thema 'Het vergeten van het geheugen', evoceert dan weer Mortiers kijk op taal als teken van memorie en vergetelheid en hoe de 'eeuwigheidswaarde' van kunst en literatuur berust op een heilzame vorm van geheugenverlies.

Als 'Tussentijds Besluit' presenteert Morier de Boonlezing 2009; met als titel 'Spreken zonder Grond. Over zin en onzin van geëngageerde literatuur.' De schrijver zei bij de ontvangst van het pasgedrukte boek enigszins verrast te zijn door de consistentie van zijn eigen ideeën: 'Ik hou van het brokkelige en onaffe van zulke bundelingen, waarschijnlijk omdat ik een grote afkeer heb van dogmatische opvattingen over de kunsten en de letteren. Maar toen ik ging selecteren uit wat zich hier in mijn werkkamer de afgelopen jaren aan "verspreide geschriften" had opgestapeld, viel me toch op hoe ik steeds weer naar bepaalde thema's terugkeer en er telkens weer een ander licht op werp. Het zijn teksten die mijn eigen evolutie meer begeleiden dan dat ze mijn schrijverschap verder uitstippelen. De belangrijkste ontdekkingen doen zich toch voor in het "echte" werk. Vandaar ook dat ik slechts tot tussentijdse besluiten wil komen. De reis gaat verder.'

Een uittreksel:

'De "ziel" van de moderne letteren, die zich nooit op zichzelf kan funderen, hunkert daarom vaak naar een schriftuur die zich met de wereld verenigt, of anderzijds naar een schrijven dat zich als radicaal anders of autonoom presenteert. Kort en al te cru gesteld: ‘l’art pour l’art’ en zogenaamd ‘geëngageerd schrijven’ zijn twee kanten van dezelfde medaille. Het gaat in wezen om een schrijven dat de wereld wil incarneren en een schrijven dat in zich een radicaal verschil wil vestigen.

Denkers als Jacques Rancière hebben er al op gewezen dat deze beide polen waarmee het moderne schrijven zichzelf van een spanningsveld wil voorzien parallellen vertoont met de joods-christelijke mythologie: het woord dat vlees wordt volgens de theologie van de apostel Johannes, en het oudtestamentische verbod om van de God van Israël gesneden beelden te maken omdat elke conceptualisering van het goddelijke op een reductie, een toe-eigening zou neerkomen. Ook Derrida wijst er trouwens op dat de westerse literatuur sterke abrahamitische wortels heeft, en dat ze haar oorsprong niet alleen in de klassieke wereld mag situeren.

Als de westerse wijsbegeerte inderdaad, zoals de boutade het wil, één lange voetnoot bij Plato is, dan belichaamt de westerse literatuur op haar beurt een voortdurend pendelen tussen de toren van Babel en de agora – tussen een schrijven dat zich, naar analogie met de grote klassieke tragedies in het hart van de polis, de mensenstad, situeert en een schrijven als schokkende, nooit eenduidig te interpreteren openbaring van het gans andere, van een koninkrijk dat, bij wijze van spreken, niet van deze wereld is.'

('Spreken zonder grond')