DE WAARHEID EN HAAR RECHTEN

VOLGENS EX-CULTUUREXCELLENTIE BERT ANCIAUX

Gewezen cultuurminister Bert Anciaux reageert op de kritiek die schrijver Erwin Mortier eerder deze week onder meer uitte op de stiefmoederlijke behandeling van het Vlaams Fonds voor de Letteren door het vorige en het huidige beleid. Volgens de gewezen excellentie stegen de middelen integendeel met '1.150 procent'. 'Dit is een pak meer dan de kruimels die volgens Mortier gegeven worden. Met deze stijging staat het Letterenbeleid aan de kop van de stijgers binnen alle beleidsdomeinen van de Vlaamse Overheid. De waarheid heeft haar rechten!', luidt het bij de gewezen minister.

Reactie Mortier: Zoals gewoonlijk is de heer Anciaux selectief doof en niet vies van wat retorische rookgordijnen. Ik ben zo vrij Carlo van Baelen, directeur van het Vlaams Fond voor de Letteren, te citeren, In een gesprek met het weekblad Knack, afgelopen zomer: 'Terwijl de professionele kunsten de laatste 10 jaar van 90 miljoen euro subsidies naar 190 miljoen evolueerden, kregen de letteren in 1999 net geen 3,3 miljoen en in 2009 amper 4 miljoen.' Er is dus dringend een financiële inhaaloperatie nodig, van dertig procent van het huidig budget. 'Eigenlijk zou het budget voor de letteren met 1,3 miljoen euro erop moeten vooruitgaan. Op die manier maakt de literaire sector niet meer dan een inhaalbeweging tegenover de andere kunsten.'

Mortier:' Heer Anciaux' percentagegoochelistiek kan alleen maar enigszins in de buurt van geloofwaardigheid komen indien de budgetten van alle secundaire organisaties op een hoop worden gegooid. Tegen net die wildgroei van parallelle loketjes die in wezen neerkomen op een nieuwe nomenclatura spreek ik me in mijn brief aan de huidige cultuurexcellentie scherp uit. En ik ben niet de enige.

Want ook genoemde Carlo van Bealen deed dat, die zich in hetzelfde gesprek met Knack kritisch uitliet over het eigengereide optreden van de vorige minister van Cultuur 'die tijdens de afgelopen 10 jaar op eigen houtje de literaire evenementenorganisatie Behoud de Begeerte en het Gentse Poëziecentrum na negatieve adviezen van de letterencommissies prompt overhevelde naar de niet-literaire kunstensector waar ze veel meer werkingsmiddelen kregen dan ooit het geval was geweest binnen de letterenbegroting. Van Baelen:  'De versnippering in het literaire huishouden is niet goed. Daardoor kan de politiek de diverse literaire actoren tegen elkaar uitspelen terwijl de theatersector met één stem spreekt en navenant ook scoort.'

Mortier: 'Overigens is het opvallend dat net de directeur van ons Letterenfonds de kat de bel moet aanbinden. Ik heb die budgetten de afgelopen tien jaar ook gevolgd, en de kwalijke evoluties vastgesteld die meneer van Baelen summier vermeldt. De vraag blijft waarom de culturele journalistiek in Vlaanderen dat niet kon. En kritiek uitende schrijvers liever als hysterici of snobs wegzet. De cultuurjournalistiek heeft het afgelopen decennium enorme steken laten vallen, en door haar opdracht te verzaken en het beleid van de vorige minister meer te bejubelen dan te onderzoeken een vacuüm gecrëerd in de opinievorming, waar onze culturele 'machthebbers en machtverdelers' van profiteren. Ook in het politieke halfrond is de onverschilligheid jegens cultuur en kunst nog veel te groot.'

Mortier wil er de gewezen (en de huidige) minister verder op wijzen dat zijn kritiek vooral het statuut van de schrijver betreft: 'Ik herhaal nogmaals dat schrijvers een eigen statuut moet krijgen, dat sociaal en fiscaal de eigenheid van hun arbeid erkent. Dat is ook niet zonder positieve weerslag op de gehele boekenindustrie. Het beleid van Anciaux heeft voor scheppende kunstenaars in het algemeen veel en veel te weinig bewerkstelligd, het heeft integendeel hun afhankelijkheid van 's ministers loketjes verhoogt. Als ik even Prof. Katia Segers mag citeren, in haar reactie op een recent colloqium over de cultuurindustrie: 'Tussen 2001 en 2007 was er een sterke stijging van de subsidies, maar dat vertaalde zich niet in de lonen voor artiesten. De algemene productiekosten stegen met 38,2 procent, de artiestenlonen maar met 6,3 procent.'( De Standaard,14 oktober 2009). En nog eens: 'Aandacht voor een correcte en vergelijkbare verloning van cultuurwerkers en kunstenaars in alle kunst- en cultuursectoren en bij uitbreiding voor de volledige cultuurindustrie (denk maar aan de mediasector waar freelance werk en onderbetaling schering en inslag is) lijkt mij bijgevolg een belangrijk beleidspunt voor de volgende minister' (eveneens in de Standaard,januari 2009).

Mortier besluit: 'Dergelijke beschouwingen lijken me stukker constructiever dan het gebalg van heer Anciaux' webstek, en tal van ander gekakel in de virtuele stamkroegen voor de terminaal gefrustreerden.'

Mortier klaagt ten slotte aan dat onder het beleid Anciaux al te veel kabinetsgetrouwen als dank voor bewezen diensten in allelei fijne posities werden geparachuteerd: 'En dat spelletje duurt overigens nog voort. Al te veel van zijn discipelen konden soms nog terwijl ze medewerker van de minister waren hun eigen toekomst veilig stellen, en dit op een schaal en met een schaamteloosheid die, wanneer het om het kabinetten als Economie of Financiën zou gaan, onmiddelijk verontwaardigde krantenkoppen zou halen. Maar ach, het is natuurlijk maar cultuur.'