OPEN BRIEF AAN ONZE MINISTER VAN CULTUUR

NAAR AANLEIDING VAN HAAR FELICITATIES VOOR DE AKO VOOR "GODENSLAAP"

Naar aanleiding van de bekroning met de AKO-literatuurprijs van zijn roman Godenslaap stuurde Vlaams Minister van Cultuur schrijver Erwin Mortier een felicitatiebericht. Mortier neemt de lof van de minister met genoegen in ontvangst, maar wijst haar in een open brief (in De Morgen van 13 november 2009) op een aantal prangende pijnpunten in het vaderlandse Letterenbeleid, met de dringende vraag daar wat aan te doen.

In het programma Phara op VRT-zender Canvas kon de schrijver zijn boodschap al in den vleze aan de minister overbrengen. Gezien zijn eerdere, polemische verwelkoming van mevrouw Schauvliege bij haar aantreden als Minister van Cultuur, kwamen wie een stevig robbertje vechten verwachtten bedrogen uit. Mortier en de Minister konden het wel met elkaar stellen. Niettemin benadrukt Mortier dat de schrijnende positie van de schrijver in Vlaanderen en België dringend meer aandacht verdient. Zoals ook blijkt uit zijn open brief:

Geachte Mevrouw de Minister,


Eergisteren, in het gezegende Nederland, mijn tweede vaderland, bereikte me uw perscommuniqué naar aanleiding van de bekroning van mijn roman Godenslaap met de Ako-literatuurprijs. Ik dank u natuurlijk voor uw woorden van lof. De sculptuur die ik ontving zal ik inderdaad met enige trots op mijn schouwmanteltje neerpoten, maar dat is natuurlijk maar versiersel. Een schrijver schrijft om de ziel van zijn lezers te vergroten. Ik hoop dus dat ook mijn boek bij u tot enige expansie mag leiden. Wie weet bezorgt het ook uw ministerschap van cultuur enige bezieling.


Verder lees ik dat u de bekroning van mijn roman ook wenst te beschouwen als een, ik citeer, ‘opsteker voor de vele beginnende Vlaamse auteurs die op de drempel van een schrijverscarrière staan.’ Eerlijk gezegd Mevrouw, ik weet niet of we beginnende schrijvers dat wel moeten aandoen. Ons vaderland eert zijn schrijvers het liefst op een wijze die weinig inspanningen vereist, maar maakt ons, ook de vele uiterst getalenteerde auteurs die zelden of nooit een prijs winnen, vooral het leven zuur. Sterker, voor dit land bestaan wij zelfs niet eens. Geen enkel statuut erkent, begrijpt en waardeert de eigenheid van onze arbeid en de eigenheden van het creatieve proces. Deze staat lijkt er vooral uit op zo snel mogelijk te delen in wat onze boeken financieel gesproken opbrengen, zonder oog te hebben voor de vaak lange jaren die het kost om een boek als Godenslaap te schrijven. Dat maakt ons, zoals de ervaring van meerdere van mijn kunstbroers en –zussen me leert, al te vaak tot de prooidieren van een fiscaal systeem dat willekeur en soms schandelijke onrechtvaardigheden niet bepaald schuwt, een fiscaal systeem dat maar niet lijkt te willen begrijpen dat schrijvers niet eens in de eerste plaats uit zijn op geldelijke winst, maar op een arbeidssituatie die hen in staat stel artistiek integer werk te creëren. En doet onze overheid dan toch iets, dan doet ze dat vaak zo knullig dat het bijna welbewuste sabotage lijkt. Een recente wet die althans een deel van de inkomsten van auteurs als roerende inkomsten beschouwt, met een iets voordeliger belastingstarief, ontbeert helaas de noodzakelijke uitvoeringsbesluiten. Normaliter zijn auteursrechtelijke inkomsten ook vrijgesteld van btw, maar de wetgever maakt een onrechtvaardig onderscheid tussen auteurs als natuurlijke personen en auteurs die hun inkomsten doorstorten naar een vennootschap of andere bedrijfsvorm. Dit leidt tot een willekeur in de behandeling van schrijvers die tot op vandaag blijft voortduren en dus tot een onrechtvaardigheid die de wetgever ook na relevante rechtspraak blijft negeren. Schrijver worden, dat doe je in dit land niet voor je plezier, en zelden ongestraft.


Begrijp me niet verkeerd, Mevrouw de Minister. Ik ben een atypische Belg. Ik betaal met overtuiging belastingen. Ik slaag er zelfs in dat met de glimlach te doen, en ik weet ook waarom. Dankzij de democratisering van ons onderwijs heb ik als eerste generatie in mijn familie aan de universiteit kunnen studeren. Zonder studiebeurzen was dat nooit gelukt. De verpleging en medische zorgen die mijn ongeneeslijke zieke moeder ontvangt laat me dagelijks zien hoe belangrijk onze sociale zekerheid is en welk een hoog goed intermenselijke solidariteit voor ieders van ons blijft. Ik vind de naoorlogse sociaaldemocratie immens waardevol, en voor haar vitale taken draag ik met mijn volle instemming en zonder morren mijn deel van de rekening.

Maar mag ik dan aan diezelfde democratie, aan deze samenleving en aan u vragen dat zij de eigenheid van de arbeid van de schrijver erkent? Voor schrijvers is het een wrange ervaring te vernemen hoe voor andere cultuursectoren, zoals de filmindustrie, vlotjes tax-shelters worden ingericht, terwijl wijzelf niet eens een deel van de opbrengst van onze boeken kunnen investeren in de creatie van eigen, nieuw werk. U schijnt in dat verband ook totaal niet te beseffen hoeveel werkgelegenheid schrijvers door hun arbeid creëren: uitgevers, drukkers, distributeurs, bibliotheken en heel veel andere groepen verdienen aardig hun brood dankzij het bestaan en de inzet van mensen zoals ik. Onze positie versterken heeft ook een enorme positieve weerslag op tal van andere sectoren die van ver en nabij bij het boek betrokken zijn. Daar is al vaker op gewezen, maar van uw kant vernemen wij slechts stilte.


Bovendien blijft dit land intussen al meerdere decennia weigeren een billijke leenrechtvergoeding uit te keren wanneer het werk van schrijvers in bibliotheken wordt uitgeleend, iets waarvoor  onze overheid al herhaaldelijk werd veroordeeld – zonder resultaat of zelfs maar een zweem van schaamte. Dit leidt bijvoorbeeld tot de situatie, die ik niet eens ironisch wil noemen, dat ik jaarlijks vanuit Nederland een niet onaardige leenrechtvergoeding ontvang, die ik braaf en plichtsgetrouw aangeef als inkomsten waarop ik in België, dat zelf weigert dit leenrecht in te voeren, niet onaardige belastingen betaal. Met mijn innige dank aan de Nederlandse bibliotheekbezoeker. Ik hoop mevrouw, dat u onze Noorderburen ook eens bedankt voor hun bijdrage aan het welzijn van dit land.


Ook wil ik er u op wijzen dat u net als uw voorganger hetVlaams Fonds voor de Letteren uiterst stiefmoederlijk blijft behandelen. Nochtans is dat Fonds de enige instantie die direct steun en stimulering aan auteurs verleent. Ik draag, anders dan u, het Fonds een warm hart toe (al spaar ik niet altijd mijn kritiek op haar werkwijzen). Ik ben namelijk volledig voor financiële steun aan schrijvers en dichters die het niet breed hebben maar die wel superieur werk creëren. Ook dat vind ik een vorm van solidariteit waar ik met plezier belasting voor betaal. Het ideale beleid lijkt me er een dat enerzijds een zo hoog mogelijke autonomie van onze schrijvers mogelijk maakt en in die gevallen waar dat niet lukt met subsidie bijspringt. Helaas is de afgelopen tien jaar het budget van het Fonds voor de Letteren  amper gestegen, en u wil er nu verder de schaar inzetten. Eigenlijk moet u vooral  eens flink gaan knippen in het veel te versnipperde literaire middenveld, dat uw voorganger met veel te veel parallelle loketten heeft beplant, en waar veel te veel van zijn paladijnen een vette bestuursfunctie kregen. Ze hebben ook geld te veel. Dagboekjes uitdelen tijdens de boekenweek, schrijvers de trein opjagen om voor te lezen, postertjes, postkaartjes laten drukken, een webstekje hier, een kermiskraampje daar, wat voor onzin is dat?  Stel deze lieden op dieet en er komt meteen een mooi budget vrij waarmee het Fonds voor de Letteren naar behoren kan werken.


Verder wil ik er u ook op wijzen dat mijn tweede vaderland Nederland over een aparte overheidsstichting beschikt, deStichting Schrijvers School Samenleving, die auteurslezingen regelt en auteurs daar ook rechtvaardig voor vergoedt. Nogal wat Vlaamse schrijvers, ook ik, werken met die stichting samen – en betalen voor die inkomsten netjes belastingen in België. Nederland kent ook een heusFonds voor de productie en vertaling van Nederlandse Letterkunde. Dat mijn werk in het Frans, Duits, Engels en het Spaans vertaald wordt, komt voor een overgroot deel door de inspanning die dat Nederlandse Fonds levert. Ik hoef u intussen waarschijnlijk niet te vertellen dat ook de inkomsten uit mijn vertaalde werk de kas spijzen van mijn vaderland, waar zo’n Fonds niet bestaat. Sterker, Vlaanderen heeft een tijd geleden de samenwerking met het Nederlandse productiefonds zo goed als opgeblazen. Ik wil u graag wat voorgedrukte bedankbriefjes bezorgen, Mevrouw de Minister, die u naar al die instellingen en hun personeel in Nederland kunt versturen. Ik leen u wel een postzegel of vijftig. Maar eigenlijk zou u zich vooral diep moeten schamen.


Tot slot verneem ik dat u tot op heden weigert in gesprek te treden met de Vlaamse Auteursvereniging, ‘onze vakbond’ zeg maar. Laat ik dus hier in deze brief de inzet van deze mensen prijzen en hun bedanken voor wat ze tot op heden al hebben bereikt. Dat u niet met hen rond de tafel wilt gaan zitten om de kwesties die ik hierboven heb vermeld met hen te bespreken, getuigt niet echt van democratische ingesteldheid. Ik hoop dat u daar spoedig verandering in brengt.


Al bij al, Mevrouw de Minister, weet ik dus niet of ik de talrijke jonge mensen die in dit land literaire ambities koesteren wel wil aanraden hier hun kunstenaarschap uit te bouwen. Tenzij zij bereid zijn met enige regelmaat als pispaal van pers en politiek te fungeren en met eenzelfde regelmaat holle loftuitingen en even holle beloftes te aanhoren, waar zelden of nooit iets substantieels van komt.


Ik weet echter ook dat wie echt talent heeft niet anders kan dan dit in artistiek werk te uiten. Zo doe ik het, en zo doet iedereen dat die door de Muzen wordt gegrepen. Jonge mensen met talent hebben mijn voorbeeld niet echt nodig. Elk talent verdient een overheidsbeleid dat die talenten daadwerkelijk waardeert. Dat is uw taak, Mevrouw.  Anders dan wij hoeft u niet van woorden te leven. Van u verwachten wij daden – en wij wachten al zolang.


Met de meeste hoogachting,
Erwin Mortier