DE ONBETROUWBAARHEID VAN DE HERINNERING

ERWIN MORTIER OVER DE TENTO "UIT HET GEHEUGEN"

"Onze herinneringen zijn vooral herinneringen aan herinneringen, altijd
weer herschikt en hertaald in een heden dat in wezen zelf al voorbij is
zodra het zich voordoet. In elke herinnering schuilt een leegte, een
door niets meer in te halen 'vergeten' dat ons pijnlijk aan de
onvolledigheid van het herinneren, tja, herinnert."

Bij de Tentoonstelling Uit het Geheugen in het Gentse Museum Dr. Guislain.

(Verschenen in De Morgen - Bis van 24 oktober 2009)

Er is één foto in de tentoonstelling Uit het Geheugen die me in het bijzonder treft, die blijft hangen, die soms door mijn hoofd spookt als het embleem van een ziekte en een verdriet waaronder zovelen lijden, maar die op andere momenten een krachtige troost biedt. Het gaat om een portret van Georgette Alary, moeder van de Franse kunstenaar Gérard Alary. Ze zit op een stoel in de middenbeuk van de kapel van het Parijse hospitaal Pitié-Salpetrière, waarschijnlijk tijdens de voorbereiding voor de expositie die haar zoon daar hield, onder de titel Les Trois vies de ma mère.

Drie levens van een vrouw: één als echtgenote en moeder, een tweede als persoon die aan Alzheimer lijdt, en nog een derde, als brandpunt van de creatieve opstoot die haar zoon ervoer toen zeven jaar voordien bij zijn moeder de ziekte werd vastgesteld. Hij ging weer schilderen, nam foto's, maakte video's, liet zijn moeder in het atelier wonen waar hij en andere kunstenaars dagelijks werken, een ervaring die hen allen getransformeerd heeft. De omgang met Georgette aan de randen van haar wegvallende bewustzijn vertaalde zich in krachtig artistiek werk. "Mijn moeder is in leven", zei de zoon toen de expositie in Salpetrière opende. "Ze is daar, in ons midden. Wat ik aan deze geschiedenis bemin is dat mijn moeder zich dankzij onze arbeid in de publieke ruimte bevindt. En dat ze, als ziek en afwezig persoon, een subject van creatie wordt. Er is nog altijd contact met haar, een band." Ikzelf herken de houding, het in de schouders gezakte hoofd, de doorbuigende romp, alsof ergens in dat lichaam een draaikolk het hele zijn van deze vrouw langzaam maar zeker de vergetelheid in zuigt, een implosie in slow motion. De zoon heeft haar een mantel van geverfd bont aangetrokken, wellicht is Georgette al te mager om zichzelf nog in alle omstandigheden even goed te kunnen verwarmen, maar die in het oog springende blauwe winterjas lijkt zoveel meer te zijn dan louter een kledingstuk.

Wanneer een moeder haar geheugen verliest, verliest men het eigen geheugen. Alzheimer treft dan wel die ene mens, de ziekte tast gaandeweg alle anderen aan die met hem of haar samenleven. De schilderijen, collages, portretten en video's die George Alary om en rond zijn moeder maakte, laten in verhevigde vorm zien wat de omgang met dementerende mensen in wezen is: een vorm van rouwen, en rouw is altijd een inventief proces. De persoon die we gekend hebben verdwijnt, de dampkring van min of meer gedeelde herinneringen en verhalen die ons omgeeft vervliegt. Wil je dat die mens nog altijd, in de woorden van George Alary, 'daar' is, dan moeten we onze symbolische verhouding tot hem of haar herzien, een proces dat steeds meer een eenrichtingsverkeer wordt naarmate de persoonlijkheid van de zieke verandert en vervaagt. Alary 'herbekleedt' zijn moeder met woeste streken verf, zoals wij allemaal de 'verdwijnenden' in ons midden met nieuw taalmateriaal, en steeds vaker met een tactiel vocabulaire van aanrakingen, elementaire nabijheid, omspinnen. Maar de vraag, allesbehalve abstract, gezien de Alzheimer van mijn eigen moeder, blijft knagen: hoe lang valt dit vol te houden? De ziekte 'besmet' ook de herinnering aan de persoon in de tijd voor hij of zij ziek werd. Geen enkele herinnering huisvest het voorbije blijvend of zelfs maar substantieel. Onze herinneringen zijn vooral herinneringen aan herinneringen, altijd weer herschikt en hertaald in een heden dat in wezen zelf al voorbij is zodra het zich voordoet. In elke herinnering schuilt een leegte, een door niets meer in te halen 'vergeten' dat ons pijnlijk aan de onvolledigheid van het herinneren, tja, herinnert.

Ontwrichtende poëzie

Zo ook herinneren de beeltenissen van Georgette Alary en de vele andere portretten van dementerende mensen de bezoeker van de tentoonstelling Uit het Geheugen aan de tragische kanten van de hachelijkheid van onze memorie. Het zijn geen exhibitionistische beeltenissen, ze herleiden de toeschouwer niet tot een voyeur. Ze stralen grote waardigheid uit en voorzien de vaak speelse heterogeniteit van deze expositie, even heterogeen als het geheugen zelf, van een bijwijlen ontwrichtende poëzie. Maar omgekeerd laat deze tentoonstelling, die als geheel zelf één grote metafoor probeert te zijn voor de onvatbaarheid van de memorie, op haar beurt zien dat de waarde van het geheugen vaak schuilt in wat er ons tezelfdertijd aan frustreert: de feilbaarheid.

Een volkomen geheugen zou ons denken onherroepelijk tot stilstand brengen en ons evenzeer van onze eigenheid ontdoen als de gruwelijke dementieziektes die in het vergrijzende Westen steeds verder om zich heen grijpen. Ons onbetrouwbare geheugen maakt ons ook creatief en is, in die onbetrouwbaarheid, de bron van onze individualiteit.

Vijf kabinetten heeft het museumteam in de tentoonstellingszalen ingericht om in de zee van metaforen voor het geheugen in al zijn vormen toch een beetje ordening aan te brengen. De aloude geheugenkunst komt aan bod, het geheugen als voorwerp van wetenschappelijk onderzoek, het falende geheugen, de omgang van de kunsten met herinnering en vergetelheid, en ten slotte het museum zelf als plaats van herinnering. Het lijkt een overzichtelijk geheel, en dat is het ook wel, maar het sterke aan deze expositie is dat de tentoongestelde stukken, net als de herinnering zelf allicht, zich niet altijd aan de hun toegewezen plek lijken te willen houden en met elkaar aan de haal gaan. De veelheid en diversiteit van objecten, van bizar ogende apparaten, begin vorige eeuw ontworpen om onze reactiesnelheid op zintuiglijke prikkels te registreren, tot intrigerend plastisch werk van oude en hedendaagse meesters, doorspekt met kleine maar aangrijpende objecten zoals een doos met notitieblaadjes die dienstdeden als geheugensteun voor een dementerende, ze evoceren iets van het doodstille tumult van onze memorie waarin het voorbije nooit op zijn lauweren kan rusten, en van ons rusteloze pogingen het geheugen in concepten en beelden te vatten. Even rusteloos moet ook de activiteit zijn van de cellen onder onze schedel, de voortdurende aanmaak van proteïnen wanneer zich nieuwe herinneringen vormen. Een proces dat we, alle intrigerende plaatjes van onder de scanner oplichtende hersendelen ten spijt, nog altijd maar zeer fragmentarisch doorgronden.

Er is wellicht ook geen enkel aspect van ons zijn, dat niet met geheugen 'besmet' is, of liever; waar niet ook een aspect van memorie aan vastzit. We hebben, zoals de auteurs van de tentoonstellingscatalogus opmerken, een akoestisch, associatief, auditief, declaratief, een impliciet en expliciet geheugen. We bezitten een fotografische, eidetische en iconische memorie, en de lijst is allesbehalve uitputtend. Zo mogelijk nog onafzienbaarder is het geheel van beelden waartoe elke ontdekking of veronderstelling over geheugen en herinnering aanleiding geeft. De Antieken vergeleken de memorie met een wastablet. Wij eenentwintigste-eeuwers hebben het liever over onze harde schijf, en ook dat zijn maar twee voorbeelden uit de uitgestrekte beeldentuin van het geheugen, dat nu eens een mijnschacht is, een havenloods, een weefgetouw, dan weer een kelder, of een zolder, of een magische lantaarn en een zee. Het lijkt er soms op dat ons zelfbewustzijn de lakei is van de oeverloze geheugenarbeid die zich grotendeels achter de rug van ons denken in zowat alle geledingen van ons organisme afspeelt. Op een of andere manier lijkt de natuur of de evolutie in ons een wezen verzonnen te hebben dat zich imaginair in de tijd kan verplaatsen, een wezen dat, wil het voorbije voorvallen naar het heden halen en die vooral ook in de toekomst kunnen projecteren, nood heeft aan een ik dat zichzelf ervaart - een rimpeling aan het oppervlak van onze onpeilbaar diepe hersenactiviteit. En natuurlijk is ook dat maar een beeld, tastend en onvolkomen.

Dicht bij het goddelijke

Misschien is het juist de oceanische weidsheid van het geheugen in al zijn verschijningsvormen die iemand als de arts, astronoom, muzikant, alchemist en mysticus Robert Fludd, hij liet zich naar de mode van de renaissance liever Robert de Fluctibus noemen, ertoe bracht het geheugen op te vatten als een bestaanssfeer buiten onszelf, dicht bij het goddelijke, met de hersenen of de geest als een soort van ontvangstapparaat. De diagrammen waarmee Fludd de mechaniek van micro- en macrokosmos wilde verduidelijken, mogen nu een buitenissige indruk wekken, ook vandaag zijn nog figuren te vinden, zoals de Britse natuurkundige Roger Penrose, die onze hersenmaterie opvatten als een biologisch apparaat dat in contact staat met een bewustzijnslaag buiten onszelf. De ideeën van Penrose zijn overigens even omstreden als die van Fludd in zijn tijd, maar de hypothese dat de mens over een collectief onbewuste zou beschikken, zoals Jung meende, toont aan dat nogal wat van onze concepten over vergetelheid en herinnering zelf als het ware 'inloggen' op een oude en uitgestrekte databank van denkbeelden, opvattingen en verbeeldingen. De geschiedenis herhaalt zich zelden letterlijk, maar ze blijkt niettemin graag te parafraseren.

Projecteerde Fludd zijn hele bewustzijnssysteem op de kosmologie van zijn tijd, geïnspireerd door de antieke filosofie en de christelijke theologie, dan lijken wij zijn droom in bepaalde opzichten te realiseren in de sfeer van de technologie. In elk geval zijn we er niet vies van het wereldwijde internet te omschrijven als een globaal brein dat net als de windingen van onze eigen hersenen geen centrale, alles beheersende auteur lijkt te hebben. Ons virtuele geheugen, zoemend op servers wereldwijd, heeft kennelijk zowat alle aspecten van ons biologische bewustzijn op de rug van onze wensdromen in de technosfeer naar binnen gesmokkeld, de twijfelachtige betrouwbaarheid van het geheugen incluis. Tik op de Chinese versie van Google 'Tienanmen' in en wat je krijgt is een blanco scherm.

Naties, alle naties, doen aan geheugenpolitiek. Ze verzinnen zich een afkomst of dromen zich een toekomst in een mythologie die minstens evenzeer van vertekeningen en taboes aan elkaar hangt als van 'feiten'. Zo wordt herinneringen in leven houden, tegen de opgelegde vergetelheid van taboe en censuur in, meteen ook een politiek wapen. Met Zhang Dali's portret van Mao, een van de iconen van de bloederige 20ste eeuw, opgehangen onder zalvend schemerlicht in een van de zijzalen van de tentoonstelling, lijkt op het eerste oog niets aan de hand. Pas als men dichterbij komt blijkt de beeltenis van de Grote Roerganger volledig te zijn opgebouwd uit de in verschillende grijstinten geschilderde en steeds weer herhaalde formule 'AK-47'. En pas als je weet dat AK-47 het type machinegeweer is, van Sovjetmakelij, waarmee de Chinese autoriteiten de slachtpartij op het Plein van de Hemelse Vrede aanrichtten, explodeert de betekenis van het werk als het ware in Mao's eigen smoel: het gladde gelaat van de Volksrepubliek, doorzeefd met salvo's herinnering.

Soms echter nemen kunstenaars ook het geheugen en het vergeten van hun eigen branche onder vuur, strijken ze het verhaal van de kunstgeschiedenis al dan niet welbewust tegen de haren in of scheppen ze werk dat het heersende vertoog over de kunsten als weinig anders kan opvatten dan als een anomalie. Kunstenaars kunnen het erfgoed van hun voorgangers accepteren of verwerpen, erop parodiëren, het bespotten, hekelen en citeren, kortom er een hele herinneringsgymnastiek op loslaten en zodoende de kunstgeschiedenis op haar eigen mythevorming wijzen.

Soms ontstaan er bepaald intrigerende creaties. Wat te denken, bijvoorbeeld, van de Alcoholische naakten die de Italiaanse schilder Arturo Tosi ergens in de jaren 1890, waarschijnlijk tijdens een keiharde ontwenningskuur, op het linnen achterliet? Geen etherisch impressionisme, noch koele klassieke tonen en evenwichten, maar vrouwenvormen, geboetseerd in een verf die vaak rechtstreeks uit de tube op het doek lijkt te zijn geknepen, vormen die zich aan de vormloosheid lijken te willen ontworstelen of er juist mee paren. Tosi zelf heeft ze nooit tentoongesteld, maar ze evenmin vernietigd. Misschien zag hij die fase van zijn werk als een onderdompeling in een creatieve oersoep, een verjonging die zijn latere coloriet heeft bevrucht. In ieder geval moeten deze fascinerende doeken voor hem een betekenis gehad hebben, lang voor de rest van de wereld, die diende te wachten op de abstract expressionisten, op Dada en Cobra, voor hij Tosi's verborgen naakten kon waarderen. De kleurmodder waaruit ze opdoemen of waarin ze verzinken, heeft iets beangstigends dat ook doorschemert in heel ander werk, de foto's van de Gentse kunstenares Paya Germonprez, die eigenlijk foto's van foto's zijn, beeldherinneringen aan beeldherinneringen. Indringend zoemt ze in op details van banale kiekjes uit het eigen familiealbum en geeft die sterk uitvergroot weer. Het resultaat is meer vervreemding dan bevestiging, meer 'ontherinnering' dan herinnering, alsof de nooit helemaal weg te moffelen vergetelheid, het hermetische zwart dat zo dicht onder de kleurige deklaag van onze memorie schuilgaat, ineens door de texturen van geruite plooirokjes en geschaafde kinderknieën heen sijpelt en elke vertrouwdheid uit de herinnering losweekt. Wellicht kan geen enkel geheugen bestaan zonder het besef van onherstelbaar verlies.

Gaandeweg krijgt het iets even tragisch als groots, dit pulken in de onvatbaarheid van de memorie, van kunstenaars met hun palet, van chirurgen met hun scalpels en microscopen, van schrijvers met hun pennen en filosofen met hun begrippenapparaat. Gaandeweg raakt het zoeken van de wetenschappers aan het speelse van de artistieke arbeid en krijgt het zoekende spel van de kunsten een even ernstige inzet als de wetenschappelijke onderzoeksdrift. Het klotst en vonkt daar allemaal wrang, lichtvoetig, diepzinnig en menselijk door elkaar in de zalen van het museum, die trouwens zelf hier en daar onvermoede geheugensporen bevatten.


Uitgesleten tegels

Ik werkte er nog, toen eind vorige eeuw het museum vanuit de zolders onder de pannen van het oude Guislaingesticht afdaalde naar de ruimtes eronder. Nog altijd werp ik bij het betreden van die toen nieuwe zalen een blik op de vloer, op het pad dat zoveel voetzolen door de jaren heen in de okergele vloertegels hebben uitgesleten, toen deze zalen nog dienstdeden als gemeenschappelijke slaapruimte voor een kleine honderd gestichtsbewoners. Om onze bezoekers te tonen wat een psychiatrische instelling als 'totale inrichting' in de praktijk betekende, besloten mijn collega's en ik een aantal van die bedden, rij op rij, te laten staan. En ik herinner me, ja ik herinner me, in die eerste weken na de verhuizing van de patiënten naar nieuwe, individuelere kamers, niet zelden enige opschudding onder de bezoekers, en bij mezelf, toen bleek dat sommige bewoners in hun oude bed hun siësta lagen uit te ronken, na het middageten op de mechanische tred van hun gewoonte de trap op gestuurd, het bed in. Meestal lieten we ze slapen. Na verloop van tijd bleven ze weg, maar hun spoor in de vloer is gebleven. Let er op, als u besluit de tentoonstelling te bezoeken, neem die uitgesleten tegels in de tochtige spons, de rommelige kaartenbak van uw eigen memorie op. Uit het Geheugen is een bitterzoete fado op de heerlijkheid van het vergeten en de gruwel van de herinnering - of omgekeerd.

Erwin Mortier