"KNARSEND ZAND IN DE PLOOIEN"

TITANISCH LEVENSWERK VAN T.E. LAWRENCE VERTAALD

"In een minder van puriteins zelfonderzoek en schuldbesef doordrongen geest dan die van Lawrence had Zeven Zuilen van Wijsheid een stukken ironischer boek kunnen opleveren, een schrijnend uit de hand gelopen schelmenroman met een getalenteerde marionet als antiheld, zo men wil. De vraag is of een lichtvoetiger geest ons net zo’n glorieus onding als dit geschrift had geschonken."
(Erwin Mortier in De Volkskrant Kunst en Boeken van 11-09-2009)

‘Mijn echte zorgen gaan uit naar mijn boek, dat niet goed genoeg is om te laten verschijnen,’ schreef T.E. Lawrence, beter bekend als Lawrence of Arabia, in 1923 aan een vriend. ‘Het is te lang geworden en te vormloos,  ik ontbeer de kracht om het als geheel te overzien, en de energie om het grondig onder handen te nemen. Wanneer ik het Koloniale Bureau verlaten heb en mezelf een tijdlang met rust heb gelaten, keert mijn interesse wel weer terug en kan ik een nieuwe poging ondernemen, maar niet nu.’ Het boek in kwestie,Zeven zuilen van Wijsheid. Een triomf,’ zou uiteindelijk in zijn volledige vorm pas lang na de dood van Lawrence verschijnen en tot op vandaag de harten van ontelbare lezers veroveren. Het boek blijft in de Engelstalige wereld het meest verkochte werk over de Eerste Wereldoorlog. Een triomf is het dus zeker, al betekende het voor Lawrence zelf, voor diens bankrekening en zijn mentale evenwicht, in meerdere opzichten een Pyrrusoverwinning.


Hij speelde eigenlijk al van jongs af aan met de gedachte ooit een groot boekwerk te schrijven. Zijn studententijd en zijn werk als archeoloog deden hem dromen van een uitputtende geschiedenis van de kruisvaarten, of een beschrijving van grote steden in het Oosten, waar nooit echt iets van kwam. Het was wachten op een aanleiding die monumentaal genoeg uitviel om aan zijn zucht naar ‘een titanisch boek’ tegemoet te komen.


De gelegenheid deed zich voor met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, in een voor ons minder vertrouwd deel van de globe, waar die oorlog niettemin even ernstig huishield als hier in Europa: het Nabije en Midden-Oosten. Het door de eeuwen verzwakte, maar nog steeds uitgestrekte Turks-Ottomaanse rijk schaarde zich aan de zijde van Duitsland, en lag tussen de Russen in het noorden en de Britse invloedssfeer in het oosten en westen in. Campagnes om het aan zijn oostgrenzen te verzwakken mislukten, en de poging aan de westkant een doorbraak te forceren, het beruchte debacle van de Dardanellen, liep faliekant af. Dus vestigden de Britten hun hoop op het zuiden: Arabië en omgeving. Daar was onder de hoede van de sjarif van Mekka, de hoeder van het belangrijkste heiligdom der moslims, een vorm van een Arabisch nationalisme ontstaan dat tegen de Turken begon te revolteren. De beweging zocht in 1916 toenadering tot de Britten. Lawrence, omwille van zijn kennis van de taal en de regio intussen aangeworven bij de inlichtingendienst, kreeg de opdracht het Arabische onafhankelijkheidsstreven in de pas te doen lopen met de strategische belangen van Engeland. In de woorden Lawrence zelf: ‘Het kabinet bracht de Arabieren op de been om voor ons te vechten met de ondubbelzinnige belofte van naoorlogs zelfbestuur… Het was van meet af aan duidelijk dat als wij de oorlog wonnen, deze belofte een dode letter zou zijn, en als ik een eerlijk adviseur van de Arabieren was geweest, zou ik ze hebben aangeraden naar huis te gaan en niet in de strijd voor zoiets hun leven te wagen.’


Lawrence echter, komt uit zijn geschriften naar voren als een minstens even heetgebakerde hemelbestormer als de Arabische krijgers die hij in de maat van de geopolitiek moest doen dansen: ‘Ik was met andere woorden zo vrij te veronderstellen dat ik de campagnes zou overleven en niet alleen de Turken zou kunnen verslaan op het slagveld maar ook mijn eigen land aan de onderhandelingstafel. Het was een onbescheiden veronderstelling.’ Het was ook een grotesk voornemen. Al in 1916 hadden Engeland en Frankrijk, door het infame Akkoord van Sykes-Picot, en met de stilzwijgende toestemming van Rusland, besloten om na de val van het Turkse rijk de hele regio onder elkaar te verdelen. Dit zou uiteindelijk leiden tot een hertekening van de landkaart van het hele gebied volgens de belangen van de grote mogendheden, én tot een boel conflictstof die de wereldpolitiek tot op vandaag parten speelt. Het plannetje van Lawrence maakte dus geen schijn van kans, enkel het verraad van de Arabische zaak werd voor hem bewaarheid.


Zeven Zuilen van Wijsheid kan dus deels gelezen worden als een vorm van verschoning voor de rol die T.E. Lawrence in dit alles gespeeld heeft, overigens een veel bescheidener rol dan dit oeverloze boekwerk doet vermoeden. Hij was, achteraf bezien, weinig meer dan een verbindingsofficier tussen de geostrategische speeltafels van zijn oversten en een nationalistische beweging die vaak moeite had zichzelf als zodanig te begrijpen, met al die volkeren en clans, voor wie trouw aan de eigen clan vaak voorging op dienstbaarheid aan zoiets abstracts als een Pan-Arabische staat. In een minder van puriteins zelfonderzoek en schuldbesef doordrongen geest dan die van Lawrence had Zeven Zuilen een stukken ironischer boek kunnen opleveren, een schrijnend uit de hand gelopen schelmenroman met een getalenteerde marionet als antiheld, zo men wil. De vraag is of een lichtvoetiger geest ons net zo’n glorieus onding als dit geschrift had geschonken.


Als historische bron is het boek van Lawrence, zoals meerdere biografen en studies intussen hebben blootgelegd, nogal onbetrouwbaar. Als persoonlijk memorieschrift knarst het door de overvloedige neuroses van de verteller niet zelden even ergerlijk als fijn zand in de intiemste lichaamsplooien. Onovertroffen is het in zijn evocatie van de landschappen en bewoners van de Levant en het Arabische schiereiland, hun hoop, hun strijd en hun eigenaardigheden. Teder blijf het in de elegische terugblik op de vriendschappen die Lawrence met sommige medestrijders aanknoopte; levensgeschiedenissen met vaak een dieptragische afloop.


We hebben hier, om kort te gaan, te maken met een van die tegenwoordig misschien zelfs al te zeldzaam geworden literaire werken die je met veel genoegen uit het raam zou zwieren als je er maar in slaagde je eruit los te maken. Zeven Zuilen van Wijsheid is een literair subcontinent op zich. Het zal zijn panorama’s maar openbaren voor een reiziger  voorzien van veel volharding en voldoende proviand, maar wie zich kan overgeven aan de soms even bizarre muziek en wendingen van Lawrences zinnen, door de vertaler overigens verbluffend goed overgezet naar een Nederlands dat wankel maar elegant tussen de negentiende en de twintigste eeuw wiebelt, die zal zich gewonnen geven. Alle bedenkingen ten spijt die men zowel bij Lawrence als zijn onverzettelijke geschrift kan maken, is zijn levenswerk wel degelijk een triomf.