AL DAT PAPIER

'HET VERDRIET VAN BELGI

"Het is bijna dag op dag een maand geleden sinds Hugo ons verliet. Stilaan voel ik de dringende behoefte het publieke gedenken achter mij te laten, om in stilte te kunnen rouwen en voor het gemis soelaas te vinden in zijn werk en de herinneringen."
Erwin Mortier in zijn inleiding bij de intimistische tentoonstelling van de manuscripten van Het Verdriet van België,in het antiquariaat van De Slegte in Antwerpen.

Dames en Heren,
Lieve Veerle,

Toen me een paar maanden geleden gevraagd werd of ik deze tentoonstelling van de manuscripten van ‘Het Verdriet van België’ wilde inleiden, kon ik niet weten dat Hugo vandaag niet langer bij ons zou zijn. Het is bijna dag op dag een maand geleden sinds hij ons verliet. Stilaan voel ik de dringende behoefte het publieke gedenken achter mij te laten, om in stilte te kunnen rouwen en voor het gemis soelaas te vinden in zijn werk en de herinneringen.

We staan hier nu omringd door zijn sporen, tekens van zijn aanwezigheid die door zijn dood het karakter dreigen te verkrijgen van relieken. Ik denk niet dat Hugo een reliekenmens was. Dat lijkt me meer iets voor Gerard Reve zaliger, die al bij leven bezoekers en bewonderaars graag luciferdoosjes gevuld met afgeknipte vingernagels meegaf, of in de vouwen van zijn brieven aan huisvrouwen die in stilte hun werk doen plukjes hoofd- en wie weet ander haar verstuurde. Gerard liet zich graag aanbidden als het Lam van God. Ik denk dat Hugo lam vooral op prijs kon stellen wanneer het bestrooid met look, tijm en rozemarijn, rozerood gebakken op zijn bord lag.

Een schrijver brengt alleen voor de buitenwereld zoals dat heet ‘werk voort’, voor hemzelf, als ik ten minste mijn eigen ervaring als norm mag nemen, zijn de geschriften waarin hij verbleven heeft tijdens het schrijven eerder het vruchtomhulsel dat op een dag loslaat en de schrijver als herboren aan de buitenwereld blootstelt. Lang kunnen we die toestand niet verdragen. De nieuwe plooien waarin ons schrijverslichaam huist dreigen te definitief uit te vallen en ons te herkenbaar te maken voor de lezer, die ons als een jager in onze eigen lettergrepen op de hielen zit. Schrijvers schenken zich alleen maar ogenschijnlijk aan hun publiek. Ze lijken sterk op sommige hagedissen, die hun staart kunnen achterlaten in de bek van een roofdier – een illusie van spartelingen die de lezer als levend brood op zijn tong neemt, terwijl de schrijver een eind verderop in zijn vuistje lacht en alweer vervelt.

Ik denk dat Hugo in zijn lange, rijke en vruchtbare leven niet alleen van stad naar stad, van woning naar woning, van wereld naar wereld verhuisd is, maar evenzeer een nomade van de vorm en het medium was, gezegend met de vleugels van de god Hermes, de god van de grenzen en de reizigers, de herders en redevoerders, de god van de verbale geestigheid, van proza en poëzie, vreemd genoeg ook van de atletiek, de uitvinders en de zakenlieden, alsook de listigheid van dieven en leugenaars – wat hij, vermoed ik, wel had kunnen smaken. Atletisch was zijn vermogen een veelheid aan vormen en disciplines tot de zijn te maken, om in al die registers voor ons de waarheid te liegen, en ons altijd een stap voor te zijn. Terwijl we hem lazen had Hugo alweer andere woningen opgezocht.

Met de jaren is ‘Het Verdriet van België’, na een eerste moeizame kennismaking rond mijn zestiende, uitgegroeid tot dé roman die juist dat verlangen naar een woning in de werkelijkheid, de wereld, het leven, de liefde, volkomen belichaamt en ons tegelijk de onmogelijkheid van dat verlangen laat zien en horen - en de risico’s wanneer de mens, het meest ambivalente beest op aarde, zich nadrukkelijk aan zijn eigen mythes en ideologieën gaat toeschrijven. De schrijver Claus die in deze roman zijn alter ego Louis Seynaeve volwassen laat worden door het verhaal van diens jeugd te onttakelen, stelt zich daarmee op hetzelfde plan als alle andere figuren in dat verhaal, die zelf evenzeer verleid en gekweld worden door het verlangen naar een vaste narratieve stek in de wereld.

Nu Hugo er niet meer is zijn we geneigd om zijn werk als voltooid te beschouwen. Maar als het zo is dat een schrijver naarmate zijn oeuvre aangroeit steeds meer voorlopige conclusies achter zich laat, dan is met Hugo's dood weliswaar aan zijn arbeid een einde gekomen, maar afgerond is een oeuvre eigenlijk nooit. Het werk bereikt alleen het punt waarop de toekomstigheid ervan absoluut wordt. Ik ben er vrij zeker van dat van de immense sporen die Hugo heeft achtergelaten ‘Het Verdriet’ nog erg lang bij ons zal blijven, naast veel anders. Ik zie deze roman elke avond niet eens bij wijze van spreken, maar vrij letterlijk, herleven op mijn beeldbuis terwijl in de studio’s van onze journaals en actualiteitsrubrieken politici benoorden en bezuiden de taalgrens hun luchtkastelen en verbale Walhalla’s oppompen, onze Atomiums van toekomstvisioenen, onze donkere en nog immer potentiële bloederige wanen.

Maar ik denk dat ik vooral in het gezelschap van Hugo ook het plezier heb leren smaken dat met al dat verdriet vervlochten zit. Met hem en Veerle aan dezelfde tafel verkeren, bij hem thuis of elders, in de foyers en artiestenbars van schouwburgen in binnen- en buitenland, voor en na een optreden, betekende telkens weer getuige zijn van de transsubstantiatie van een groep mensen tot een gezelschap. Het kon over Hölderlin of Homeros gaan, over Jeanne Moreau of Artaud, en zoveel meer, maar hij was even verzot op delicieuze roddels, de wildgroei van onze talen, de rijke armoede of armoedige rijkdom van onze dialecten, die hem tot op het laatst tranen met tuiten kon doen lachen om uitdrukkingen als:

‘We gaan niet te lang blijven, dat we nog een beetje van een avond hebben…’

‘We zijn er weer zonder ongelukken geraakt.’

Of: ‘’t is nog redelijk fris in de schaduw.’ met als variant: ‘’t Is goed te doen buiten, als ge uit de wind blijft.’

Voor mij betekent zijn werk de stralende verwoording van het artistieke als speelruimte bij uitstek. Hoe speelser het spel van de kunstenaar, des te ernstiger zijn inzet. Ik denk dat deze expo met de verschillende versies van zijn Magnum Opus vooral laat zien hoe gewetensvol en nauwgezet Hugo heeft gespeeld, hoe ernstig hij zijn plezier - en daarmee het onze - genomen heeft.

Erwin Mortier
18 april 2008

Links
Verder info over de tentoonstelling, op de stek van boekhandel De Slegte