AH! DE NERON, TIS KIJ ZIET ER FANTASTIQUEMENT FORMIDABLE UIT!!

MET DE OPENING VAN HET MARC SLEENMUSEUM KOMT NERO WEER THUIS

" Uw machtig embonpoint beschouw ik als het epicentrum van onze eigen belgitude, het kwabbige koningsgraf voor een altijd half verdroomd België dat langzaam oplost in de tijd, maar waarvan de restanten, als de flarden van een gigantische landkaart, hier en daar nog aan de dakrand van ons vaderland wapperen."
(In De Morgen, Zeno, 20 juni 2009, ter gelegenheid van de feestelijke opening van het Marc Sleenmuseum)

Beste meneer Nero,


Neemt u me niet kwalijk dat ik de festiviteiten rond uw illustere persoon even onderbreek om u te feliciteren met uw nieuwe optrekje. Nog vele jaren daar, in alle rust. Bent u even opgelucht als ik, vroeg ik me af, dat u, van dagbladverschijnsel museumstuk geworden, eindelijk terugkeert naar de Brusselse Zandstraat, waar u meer dan zestig jaar geleden geboren bent? Ik hoop het en wens het u toe. Farao's krijgen piramiden om er de eeuwigheid in uit te zitten. U, Nero, Keizer der Belgen, beschikt nu over een gerieflijk pand, hopelijk met een beetje van een achteruit, in de schaduwen van dat monstrueuze Justitiepaleis, die Himalaya van gerechtigheid en spraakverwarring die als een reusachtige presse-papier op onze hoofdstad drukt.


Waar anders zou Nero kunnen gaan rentenieren dan hier, in de wereldhoofdstad van het absurde, het nieuwe Babel? Als ik met de trein naar Brussel kom en de wagons zich traag een weg banen over de wirwar van rails die zich uitstrekt tussen de Midi en de Nord, kijk ik, door de cadans van de wielen in zachte trance gezongen, meestal dromerig naar buiten, naar al die achtergevels van die burgerhuizen, ietwat jichtig tegen elkaar opleunend, op krukken van koterijen, achterbouwen, opgesierd met colliers van afbladderende balkons en bel-etages, en dan denk ik altijd: we zijn weer in Neroland. We zijn weer thuis. De heerlijkheid van Nero is weer even over ons neergedaald.


Want meneer Nero, u bent veel meer dan een getekende manspersoon die net als de pijp van Magritte bestaat en niet bestaat. Al wat een mens min of meer overeind houdt in de barre, echte wereld bestaat en bestaat niet tegelijk. Nero is ook een toestand. Uw machtig embonpoint beschouw ik als het epicentrum van onze eigen belgitude, het kwabbige koningsgraf voor een altijd half verdroomd België dat langzaam oplost in de tijd, maar waarvan de restanten, als de flarden van een gigantische landkaart, hier en daar nog aan de dakrand van ons vaderland wapperen.


Hoe en wanneer ik u leerde kennen weet ik allang niet meer. Waarschijnlijk op een van de eindeloze zondagmiddagen in mijn kinderjaren, toen ik me door stapels boeken en strips werkte, terwijl ons vader met de pantoffels op de kachel zijn gazet las. Zondag was overigens de enige dag dat onze verwekker zijn dagblad in de woonkamer las, voor één keer niet op de wc, waar hij zich in de week vaak terugtrok om zich aan het gewoel van zijn kinderrijke huishouden te onttrekken. Wellicht zijn wij, broers en zussen en ik, via een andere creatie van uw schepper, De lustige kapoentjes, geleidelijk in uw universum verzeild geraakt. Figuren als Fonske, Lange So, de Champetter en het plompe meisje Bikini hebben ons allicht voorbereid op de excentrieke figuren in uw eigen extended family: Tuizentfloot, Kapitein Oliepul, Jef Pedal, Jan Spier en vele, vele anderen. We smulden van hun herkenbare buitenissigheid of buitenissige herkenbaarheid, en gaandeweg, met het opgroeien, zullen we ook gevoeliger zijn geworden voor de dubbele bodems in uw avonturen, de knipogen naar de politiek en het wereldgebeuren. En nu, nu u al een jaar of zeven officieel met pensioen bent, komt daar nog een dimensie bij. Het hogere Nero-zijn als het ware, de gewaarwording dat u en uw wereld deel uitmaken van het metselwerk van onze ziel, wat natuurlijk maar een mooiere omschrijving is voor ons geheugen.


Ik beken, ik kan hier in huis de keukenla niet opentrekken of de deegrol katapulteert me meteen de hectaren van de memorie in. Het is het favoriete wapen waarmee uw wederhelft inbrekers en andere onverlaten te lijf gaat, en meer dan eens hardhandig de huiselijke vrede herstelt. En ook beken ik, enigszins besmuikt, dat ik me soms, wanneer ik nog eens in een elektrowinkel verzeild raak, afvraag of het niet tijd wordt me een wafelijzer aan te schaffen. Niet zozeer om te bakken, maar om het in huis te hebben, ergens op een schap boven de keldertrap, al of niet in een met vette vingers bevlekte kartonnen doos, wachtend op Vastenavonden die nooit zullen komen. Alleen blijken die apparaten tegenwoordig elegante akkefietjes die de indruk wekken dat ze door stijlnichten of Milanezen ontworpen werden. Waar zijn de glimmende stalen bakbeesten gebleven, de mechanische doopvontschelpen die sisten wanneer je met de pollepel het deeg in hun groeven goot? Als je ze sloot deden ze denken aan een mond waaraan dikke klodders speeksel ontsnapten.


Het was traditie in huis dat eerst de helft van de zekeringen sprong voor het bakken serieus een aanvang kon nemen, en het was al evenzeer traditie om meer te bakken dan we zelfs met ons zevenen ooit op konden. Dus werden stapels wafels naar de buren gedragen, ook naar Charel en Blanche, een bejaard Waals-Brussels echtpaar dat een gammel huisje aan de overkant van de straat bewoonde. We klopten er niet graag aan, ze maakten altijd een norse indruk. Tussen de astmatische opstapeling van kussens en antimakassars in hun bedompte salon verschool zich ook een misantropische poedel en we verstonden amper hun taaltje. Tot we begonnen te begrijpen dat ze ons in een soort van Meneer Pheips aanspraken. ''t Is kik verstaan rien de knots', werd de slagzin waarmee we hun koeterwaals begroetten. En zij op hun beurt begrepen ons niet.


Voor ze om onduidelijke redenen na de laatste oorlog in dit dorp tussen Gent en Brugge neerstreken werd Charel naar eigen zeggen in Brussel de koning der schoorsteenvegers genoemd, 'le roi des ramoneurs'. Ik herinner me foto's van een ranke jongeman die net als de vleermuizen een wereld van schouwpijpen bewoonde. Hij kwam soms in dagen niet op de begane grond, sliep op de pannen, sprong van dak naar dak en belandde via een balkon wel eens tussen de lakens van een juffer uit de bourgeoisie die nood had aan wat erotische ontstopping - tot hij op een dag de afstand tussen twee goten onderschatte en in de steeg eronder op de kasseien te pletter sloeg. Ongeveer elk bot in zijn lijf was gebroken maar hij leefde nog, zei hij, en bij alles wat hij zei zwaaide hij met de wijsvinger. Er zaten ook geen andere vingers meer aan zijn rechterhand. Die was hij kwijtgeraakt toen ergens in de jaren zestig nota bene een schouwbrand het dak van zijn schrale huisje in de fik had gezet. Voor de pompiers arriveerden, had hij de ladder tegen de goot gezet om zijn waardepapieren te redden, opgeborgen in een koffer onder de zolderbanken. Hij had de pannen opzijgeschoven en natuurlijk waren de vlammen hem in het gezicht geslagen. Charel mocht dan geen fervente lezer zijn van Le Capitaliste Illustré, zoals de echte Meneer Pheip, hij bezat wel een abonnement op L'Écho de la Bourse en had, waarschijnlijk meer in zijn verbeelding dan in werkelijkheid, aandelen in kopermijnen die zich meestal 'in den Afriek' bevonden en die hem ooit gigantische welstand zouden brengen. Het voordeel van die brand was dat bij elke extra borrel die hij zich tijdens het buurten liet inschenken de in rook opgegane rijkdommen fabelachtiger uitvielen.


Romantiekers en melancholiekers


Hij was net als Pheip een verstokte belgicist. Elk jaar op 11 november speldde hij een tros medailles op zijn jas, zette een baret op de kruin, stak in zijn binnenzak het gouden borsthorloge dat Albert I hem voor zijn moed aan de IJzer persoonlijk overhandigd had en toog tandenknarsend naar de kerk, waar hij alleen voor zijn uitvaart een voet heeft binnengezet, om daar onder de wapperende driekleur een bibberend saluut uit te brengen voor het monument van de gesneuvelden tegen de zijbeuk. Even sidderend was zijn spottende groet aan de leeuwenvlag die op 11 juli de gevel van het grootouderlijke huis opsierde. Niemand nam het hem kwalijk. En ook niet dat hij, meestal na net niet genoeg borrels achterovergeslagen te hebben om hem zat te kunnen noemen, pochte dat hij het was, ja hij, Charles, 'le roi des ramoneurs', die in vierenveertig in het Brusselse Oudergem het huis van taalactivist Flor Grammens in brand had gestoken, en er nog altijd zijn deugd in had. Na zijn dood en die van de poedel nam Blanche een hond die ze vertederd Charlie doopte en die sprekend op Clo Clo leek, de met een forse knevel ter wereld gekomen zoon van de Pheips. Op een winterse dag gleed Blanche uit op het beijzelde plankier rond haar huisje, knotste hard tegen haar achterdeur en brak een heup. Ik hoor haar nog altijd uitroepen: 'Au secours! 't Is kik gevallen.' Het was het begin van het einde. Van Blanche en Charel, van een tijd, misschien zelfs van een land.


Misschien ook niet. Romantiekers en melancholiekers hebben met elkaar gemeen dat ze nogal snel het einde van ongeveer alles afkondigen, hetzij om het voorbije warm te houden, hetzij om het nieuwe te omarmen. Weemoed kent vele gedaantes, ook de vlucht vooruit. Maar verandert er eigenlijk wel zoveel, in de mens en het leven, meneer Nero? Als ik met de trein door Brussel schommel, voorbij al die zelfs bij zonnig weer nogal deprimerende achtergevels, dan is het warrige vlechtwerk van televisieantennes dat de achtergrond van uw eerste verhalen vormt intussen allang verdwenen, maar uit de ramen, tussen de spijlen van de balkons, op of onder afdakjes richten zich de volle manen van satellietontvangers naar het zenit. Brussel-Frans of Rijsel zullen ze waarschijnlijk niet ontvangen, wel Al-Jazeera, Al-Arabiya, een veelheid aan Afrikaanse zenders. Moesten we dat kunnen horen, er zou zich een taalrijkdom voordoen die Meneer Pheip zou doen blozen, orkaan van tongvallen en dialecten.


Builen


Het valt me trouwens pas de jongste tijd op, meneer Nero, hoe multicultureel uw huishouden en ruimere vriendenkring altijd al zijn geweest. Petatje, aangenomen kroeskop van de Pheips, is de zoon van een stamhoofd op Moea-Papoea. Jan Spier is een tijdlang met een Eskimovrouw getrouwd geweest. En ik zwijg nog van alle figuren die uw pad hebben gekruist, meer dan honderdzestig albums lang, in alle windstreken, op de kusten van alle wereldzeeën, van menseneters tot Margaret Thatcher of de presidenten Nasser of Mobutu. Het mensdom, kortom: soms goed, soms slecht, soms moedig, soms laf, meestal iets van dat alles, soms ingoed en soms rotslecht.


Vandaag hoeft u trouwens niet langer de koffers te pakken om dit alles te zien. Misschien maar goed ook, op uw leeftijd doet een mens het beter wat kalmer aan. U hoeft maar op het balkon van uw nieuwe woonst te gaan staan, en ogen en oren open te zetten. De wereld die u nog moest gaan opzoeken, is ontembaar op reis gegaan en voorgoed bij ons ingetrokken. Misschien kijkt u naar die bonte wemeling van klederdrachten, huidskleuren, uitroepen en gebruiken zoals wij, uw mede-Belgen: geïntrigeerd, nieuwsgierig, ongerust, soms angstig of geërgerd. Misschien vraagt u zich ook soms af hoe het zal aflopen, maar het zou me verbazen mocht u au fond niet hoopvol zijn. We komen er wel, waarschijnlijk zonder grote rampen, maar ook niet zonder kneuzingen en builen onderweg. Daar zou ik gaarne eens met u over raisonneren. Nu nog niet. Geniet nog wat na van het bezoek van Zijne Majesteit. Houd de kruik koel. Zeg aan Madam dat ze het ijzer warmt, en dat ik me zal gedragen.

Erwin Mortier