EEN ECHTE WEG LIJKT ER VOOR HET LEVEN NIET TE ZIJN

IN MEMORIAM PATRICIA DE MARTELAERE (1957 - 2009)

Toen me het nieuws van het overlijden van Patricia de Martelaere bereikte, moest ik aan twee dingen denken; aan die ene keer dat we elkaar de hand hebben geschud, in omstandigheden die we niet ideaal vonden, en aan het slot van een van haar essays over Freud waarin, zoals zo vaak, de dood centraal staat: ‘Er is geen andere keuze dan die tussen de onmiddellijke terugkeer en de omweg: een echte ‘weg’ – die ergens anders aankomt dan waar hij vertrok – lijkt er voor het leven niet te zijn.’

 Niettemin, net geen tweeënvijftig worden, dat is een veel te korte omweg. Aan het levenswerk van Patricia de Martelaere, dat zich uitstrekt van de Verlichting tot het taoïsme en onderweg zowel poëzie, romanproza als superbe essayistiek bestrijkt, heeft een hersentumor een einde gemaakt. Ik had haar nog veel langer door het landschap van het denken en niet-denken willen zien reizen, en haar beschouwingen had ik ongetwijfeld met blijvend genoegen tot mij genomen. Ik heb haar werk altijd hooggeacht, onder meer (maar lang niet uitsluitend) omdat ze met ongekende helderheid en vaak laconieke geestigheid een aantal kwesties op de vork neemt waar geen enkele schrijver die zijn arbeid ernstig neemt vandaag omheen kan: wat is taal, wat kan  taal zeggen en wat niet, en wat is het specifieke zeggen van de Letteren, dat doofstomme, kleurenblinde bastaardkind van de schilderkunst en de muziek, dat zich moet behelpen met de amechtige gebarentaal van het schrift?

 ‘Vaak heb ik het gevoel dat een roman niet van mijzelf is, dat ik plagiaat pleeg op de werkelijkheid’ zei ze daarover. ‘Alsof het eigenlijk allemaal al geschreven is, en dat ik alleen maar goed hoef op te letten… Een romanschrijver of dichter weet taal te hanteren alsof het geen taal meer is. Een gedicht verwoordt namelijk niet zozeer iets, maar toont iets, wat dan ook, iets wat je op geen enkele andere manier zichtbaar kunt maken.’ In een essay over Schopenhauer werkt ze die gedachte uit: ‘Wij kunnen ons afvragen wat de volkomen objectiviteit van de dood ons oplevert. Zij levert ons niets meer op, tenzij in de metafysische zin: bevrijding en verlossing. Aangezien deze verlossing meteen ook ons einde betekent, kunnen wij ons daar moeilijk op verheugen. En hier verschijnt uiteindelijk de kunst ten tonele, als de op één na meest volkomen objectiviteit.’ De kunst als bijna-doodervaring, het enige medium dat ons een indruk kan geven van de werkelijkheid in haar naakte zichzelf-zijn, net niet geheel losgeweekt uit onze pogingen haar te beheersen, ook in de wetenschap, misschien wel de meest verbeten poging om de werkelijkheid te vermenselijken. Ik herinner me dat toen de krantenversie van deze tekst verscheen de ayatollahs van de empirie meteen met het vingertje gingen zwaaien en haar volkomen onterecht een abject relativisme aanwreven, natuurlijk ingegeven door het typische onbenul van een filosofe jegens de wetenschap. Ik herinner me haar repliek, die bondig en ontwapenend eerlijk was: ‘Zelf moet ik mij tot een nog veel fundamentelere onwetendheid bekennen; ik zou zelfs niet weten of alles subjectief is of niet, laten we hopen van niet.’


Het typeert haar, niet alleen in die beknoptheid, maar ook in de heilzame onzekerheid die ze in al haar geschriften liet meespelen. Al haar teksten zijn doordesemd van een fundamentele twijfel die ze, vermoed ik, in ere wilde houden door ook fysiek ver van het wereldse gewoel te blijven. Mensen die het voorrecht genoten les van haar te krijgen, roemen haar intelligentie, haar intellectuele integriteit en haar talenten als docente. Daar, achter de katheder, omgeven door weetgierige jongelui, moet ze zichzelf volledig gegeven hebben, maar voor het getetter van de massamedia en de kapperspraat van de grachtengordels had ze een heilige schrik. Ons beider werk verkeerde een tijdlang onder de pannen van dezelfde uitgeverij, maar ik heb haar nooit op bijeenkomsten of diners gezien. Binnenshuis heette het dat ze ‘moeilijk’ was, dat ze nieuw werk maar moeizaam uit handen gaf. Daar werd soms schamper, al te schamper, over gedaan. Het leven is ook zonder die tumor niet bepaald genadig voor haar geweest. Haar beschouwingen over rouw en melancholie, ascese en verzaking, moeten geen abstracte oefeningen geweest zijn, gezien het verlies dat ze heeft moeten verduren – een dierbare die zo totaal verdween dat er zelfs geen lichaam was om afscheid van te nemen. Maar tegelijk heeft ze zich altijd verzet tegen de heersende drang om een kunstenaar met een wurggreep op zijn eigen werk vast te plakken, of omgekeerd. Ze had veel talenten, maar ze miste, of ontzegde zichzelf kordaat het vermogen tot het soort van pragmatisch cynisme dat voor een schrijver die zich toch in de muskietenzwermen van de openbaarheid waagt stilaan onontbeerlijk geworden is. Ze was al evenmin in staat tot feestelijke onverschilligheid jegens de waan van de dag. Dat kun je waarschijnlijk ook niet van een filosofe de naam waardig verwachten.


Wat een wrange ironie dus, dat die ene ontmoeting nu net in de circusring plaatsvond, terwijl om ons heen het vreugdevuur der ijdelheden knetterde. Toen haar roman Het onverwachte antwoord genomineerd werd voor de Gouden Uil vroeg de openbare omroep me of ik de lofrede wilde verzorgen, te declameren tijdens de avond waarop de winnaar zou worden bekendgemaakt. Ik heb getwijfeld, maar ten slotte ja gezegd. Omdat ik het een sterk boek vond, maar vooral omdat ik vermoedde dat het bij die nominatie zou blijven. Wat het geval bleek, en toch weer niet. De Uil ging naar een ander, maar Patricia de Martelaere kreeg de publieksprijs. Ze nam hem met een mengeling van trots en onwennigheid  in ontvangst. ‘De hedendaagse kunstopvatting is er één van kijkers, niet van zieners,’ schrijft ze ergens. Zo moet ze zich gevoeld hebben, die avond: bekeken, van achter haar werk tevoorschijn gekoterd, in ongenadig licht gesteld. ‘Ze hebben haar toch zo ver gekregen,’ juichte tijdens de borrel voor de uitzending een kereltje van de tv-ploeg, een manshoge opstoot van adrenaline voorzien van een hoofdtelefoon waarin aan het gepiep te horen twee astmatische muizen opgesloten zaten. Terwijl ik die laudatio uitsprak dreunde de hele tijd uit een geluidsbox een hectische drumtoon, de telegrafie waarmee de treurbuis graag haar idiote aversie voor het geschreven woord ritmeert. Wat een treurigheid, wat een klatergouden armetierigheid. Ik keek ook op tegen het loopje dat ik zou moeten gaan maken, van het podium naar de schrijfster toe, die wat verderop in de zaal zat, aan de als feestdis vermomde pijnbank, bij de andere genomineerden. Ik voelde me een gedresseerde poedel die een schichtig circuspaard een pootje moest geven. Ik feliciteerde haar met haar boek, in haar angstogen zag ik mezelf weerspiegeld als een boer met heel veel kiespijn.
 Toen de slachting achter de rug was viel ze nergens meer te bekennen. Een paar dagen later verontschuldigde zich daarvoor. ‘Ik voel me niet thuis in zo’n omgeving,’ schreef ze. Ik heb geantwoord dat ik dat begreep, en ik heb in stilte verzucht: Waarom zijn we godverdomme toch altijd zo lijdzaam?


Ook over dat optreden werd naderhand schamper gedaan. Het deed pijn haar onbeholpenheid te zien. De tweespalt en voor sommigen misschien al te neurotische afwegingen die ze zal gemaakt hebben, acte de présence geven of thuisblijven, vielen die avond uit haar hele verschijning af te lezen. Het toonde haar niet als lachwekkend schepsel, maar als de belichaming van haar hele denken, over ons, de mens, het minst vanzelfsprekende dier op aarde: een wezen dat voortdurend zijn eigen soortelijk gewicht moet zien te bepalen op weegschalen die immer onduidelijk geijkt zijn. Daar draait uiteindelijk haar hele werk om: ons schipperen tussen levensdrift en doodsverlangen, tussen zekerheid en twijfel, autonomie en afhankelijkheid, tussen geest en beest. Wij, die niet zozeer in Plato’s grot gevangen zitten, als wel in het glazen labyrint van onze taal, die ons van de dingen afsnijdt, niet het minst van onszelf, om er ons aan toe te kunnen schrijven. 

 Ik schreef haar een paar jaar geleden dat ik op de trein naar Amsterdam haar tekst over Wittgenstein en Derrida had gelezen. Ik merk nu dat ik daar een en ander heb aangestreept: ‘Niet de afbeelding, maar de onbereikbaarheid van het Ding an Sich – dat is wat de taal en het verlangen mogelijk maakt.’ Die onbereikbaarheid, en dat verlangen, die zitten in haar schriftuur ingebakken. In haar precisie en haar omzichtigheid. Een taal zonder vaste grond vraagt om toewijding en eist van de lezer een even voorzichtig als absoluut luisteren. Dat is misschien wel wat ik, doorheen al haar geschriften, als haar erfenis beschouw, haar testament tussen de regels. Dat ze de afstand tussen onszelf en onszelf celebreert, tussen woord en ding, en dat dit alles de voorwaarden schept voor een levende, vibrerende taal. Dus ook voor de poëzie, en misschien nog meer. Dat een democratie een regime is van altijd wankele metaforen, die nauw luisteren. Dat dictaturen regimes zijn van verstikkende tautologieën, die het trommelvlies verlammen. Geen fanatisme zonder uitroeptekens. Het werk van Patricia de Martelaere is een van de sierlijkste vraagtekens uit onze Letteren.


Ik schreef haar die brief omdat ik toen ik in Amsterdam de maildoos opende een noodkreet van haar had gevonden. De Taalunie had een nieuwe geschiedenis van onze literatuur besteld. In het slotdeel was van haar werk geen spoor te bekennen. ‘Welke bekende Vlaamse schrijfster ontbreekt in de recente Literatuurgeschiedenis van Hugo Brems?’ vroeg ze, ironisch, vermomd als quizvraag. ‘Antwoord: Patricia de Martelaere. En wel omdat Hugo Brems meer dan tien jaar geleden een verhouding met haar had. Geheel los van liefdesaffaire of wrok, meen ik dat de geloofwaardigheid van Brems als criticus hiermee hoogst twijfelachtig is geworden. Men zou verwachten dat iemand met zijn reputatie althans een minimale objectiviteit zou nastreven.’ Volgde een onverholen vraag of ik daar iets aan kon doen. ‘Ik heb niets te beschermen. Ik wil er zelfs (kort) de pers voor te woord staan.’

 Ik heb haar geantwoord dat ze naar de pers moest stappen, een te korte repliek. Ik had eraan moeten toevoegen dat ze recht had op haar trots, maar ik zat te stuntelen op een qwertyklavier en had weinig tijd. Diezelfde avond nog vond ik haar antwoord. Dat ze me dat briefje misschien niet had moeten schrijven. Haar schaamte raakte me. Vandaar mijn antwoord, over die tekst van haar, die ik toevallig op de trein had zitten lezen. Dat het misschien balsem op haar ziel kon leggen als ik haar zei dat haar werk onder de boeken hoorde die me gezelschap houden in mijn werkkamer, waar ik alleen poëzie en filosofie kan velen: ‘Allemaal stemmen die erin slagen in mijn hoofd het licht aan te steken.’ Terwijl ik de verzendtoets indrukte besefte ik dat het maar een schrale troost moest bieden, maar ze liet me per kerende weten dat mijn antwoord haar ongelooflijk veel plezier had gedaan. Intussen was het onrecht publiekelijk aangeklaagd. De uitgeverij had bij de Taalunie een klacht ingediend, ‘maar kreeg natuurlijk een glad antwoord, waarin iedere verantwoordelijkheid wordt afgewezen. Ook dat,’ besloot ze, ‘is allemaal geheel menselijk.’


Ik roem de gehele menselijkheid van Patricia de Martelaere. Ik dreig mezelf chronisch te jong te vinden om over de dood na te denken met de onthechting die uit haar geschriften wasemt. Ik vind de dood onrechtvaardig en eenenvijftig te jong. Neem me niet kwalijk. Voor wie haar werk niet kent: ren naar bieb of boekhandel, en sla Een verlangen naar ontroostbaarheid open. Lees het slotessay 'Moet men krabben waar het jeukt?', dat haar hele denken in één muggenbeet samenbalt: ‘Filosofisch krabben is krabben dat jeuk teweegbrengt… Het is beter niet te krabben. Maar wie nooit heeft gekrabd, op een zwoele zomernacht, nat van het zweet, uitgeput en slapeloos, met het scherp van de nagels en tot bloedens toe, hopeloos en zonder verlichting – wie nooit heeft ondervonden hoe het genot uiteindelijk toch nog een gestalte kan worden van de kwelling – die heeft misschien ook wel een kleinigheid gemist.’ 
 
Sinds ik die tekst las sta ik telkens dat het jeukt om te pen te scherpen of de stem te verheffen in gedachten voor de boekenkast, de handen open als de twee schalen van een balans, met op mijn lippen de brandende vraag waarop zelden een kalmerend antwoord komt: krabben of niet?

Erwin Mortier (9 maart 2009)